Overplaatsing naar andere GGZ-instelling geschiedt zorgvuldig, klacht is ongegrond

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 2228/24407

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt klaagt over de dienstverlening van de zorgaanbieder. Hij moest zes dagen langer wachten op de zitting bij de rechtbank, doordat de zorgaanbieder hem vlak voor de zitting heeft verplaatst. Daarnaast heeft de cliënt geen informatie gekregen over zijn rechten als patiënt, waardoor van bepaalde rechten geen gebruik is gemaakt. De zorgaanbieder geeft aan dat met de cliënt was afgesproken om overgeplaatst te worden zodra een plek vrij zou komen. Toen een plek vrij was gekomen heeft de zorgaanbieder de overplaatsing door laten gaan. Verder heeft de zorgaanbieder aan de cliënt en zijn echtgenote een informatiemap te gegeven waar alle rechten van de cliënt in staan. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder niet onzorgvuldig heeft gehandeld met de overplaatsing naar een andere locatie. Daarnaast is gebleken dat de cliënt de betreffende informatiemap heeft gezien en vluchtig heeft doorgelezen. Hij heeft voldoende gebruik kunnen maken van zijn rechten, aangezien hij veelvoudig heeft kunnen overleggen met zijn advocaat. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Lentis, gevestigd te Zuidlaren (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2021 te Zwolle.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De cliënt heeft ter zitting het standpunt toegelicht, met ondersteuning van zijn echtgenoot [naam] en met ondersteuning van [naam] en [naam]. De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam].

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil heeft betrekking op een aantal klachten rondom de inbewaringstelling van cliënt.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klacht 1.

Omdat de cliënt snel na zijn opname in Zuidlaren werd overgeplaatst naar de locatie Groningen van de zorgaanbieder, moest zijn zitting bij de rechtbank verplaatst worden naar een andere locatie van de rechtbank Noord-Nederland. Hierdoor heeft hij zes dagen langer moeten wachten op de zitting. Hier heeft cliënt veel nadeel van ondervonden. De cliënt is van mening dat het zorgvuldig was geweest als de zorgaanbieder de zitting had afgewacht voordat cliënt werd overgeplaatst naar Groningen. De zorgaanbieder heeft dit bewust niet gedaan zodat cliënt langer in bewaring zou moeten blijven.

Klacht 2.

Bij zijn opname heeft cliënt geen informatie gekregen over zijn rechten als patiënt. Dit is niet in overeenstemming met artikel 37 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz). Hierdoor heeft cliënt van bepaalde rechten geen gebruik kunnen maken, zoals het inschakelen van een patiëntenvertrouwenspersoon en het indienen van een ontslagverzoek aan de geneesheer-directeur. De informatiemap die hij tijdens zijn opname heeft gekregen bevatte geen informatie over het indienen van een ontslagverzoek aan de geneesheer-directeur. Cliënt is van mening dat deze informatiemap daarmee onvolledig is. Deze informatiemap is bovendien niet aan cliënt verstrekt maar aan zijn vrouw.

Klacht 3.

Vanwege het ontbreken van informatie was cliënt er niet van op de hoogte dat hij niet verplicht was om medicatie in te nemen tijdens de gedwongen opname. De verpleegkundige heeft 20 minuten lang aangedrongen dat cliënt zijn medicatie innam. Later in de week heeft cliënt nogmaals medicatie ingenomen omdat hij dacht dat dit verplicht was. Hiermee is niet voldaan aan de vereisten van geïnformeerde toestemming.

Als gevolg van deze klachten heeft cliënt schade geleden voor een bedrag van € 2.477,70. Hiervoor vraagt hij een schadevergoeding.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klacht 1.

Op maandag 1 mei 2016 is cliënt uit nood opgenomen op de forensisch psychiatrische afdeling van de locatie Zuidlaren omdat er op dat moment geen separeerruimte beschikbaar was op de locatie in Groningen. Met cliënt is toen afgesproken dat hij zou worden overgeplaatst naar de locatie Groningen, zodra daar een plaats beschikbaar zou komen, zodat zorg op de juiste plek kon worden geboden. Op maandag 2 mei 2016 werd bekend dat cliënt op woensdag 3 mei 2016 kon worden overgeplaatst naar de locatie Groningen. De opnamecoördinator heeft diezelfde dag, 2 mei 2016, de rechtbank Noord-Nederland geïnformeerd over deze overplaatsing. Hierop heeft de rechtbank besloten om de zitting te verplaatsen naar Groningen waardoor de behandeling zou plaatsvinden op 9 mei 2016 in plaats van de geplande zitting op 3 mei 2016. Gezien het belang dat de zorgaanbieder had bij een spoedige overplaatsing en de zeer kleine kans dat de inbewaringstelling op 3 mei 2016 niet bekrachtigd zou worden, kan niet gesteld worden dat de zorgaanbieder verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld door de overplaatsing door te laten gaan.

Klacht 2.

Na de opname van cliënt heeft er een gesprek plaatsgevonden met cliënt en zijn echtgenote. De verpleegkundige die dit gesprek heeft gevoerd kan zich door het tijdsverloop niet meer herinneren aan wie van hen beiden hij de informatiemap heeft gegeven. In deze informatiemap zit onder andere een brochure genaamd ‘Ken uw rechten’ met daarin informatie over de patiëntenvertrouwenspersoon en de brochure ‘Inbewaringstelling’ met daarin informatie over het opheffen van de inbewaringstelling en het indienen van een ontslagverzoek bij de Geneesheer-Directeur.

Klacht 3.

De verpleegkundige heeft aangegeven dat hij cliënt heeft gestimuleerd en gemotiveerd om zijn medicatie in te nemen conform de behandelafspraken met de arts. Hierbij heeft de verpleegkundige geen ongeoorloofde druk uitgeoefend. De cliënt heeft toen ook niet laten weten dat hij de medicatie niet wilde innemen. Uit het dossier en uit de verklaring van de betreffende verpleegkundige blijkt niet dat er sprake is geweest van ongeoorloofde drang of dwang.

De zorgaanbieder is van mening dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De overeenkomst die de cliënt en de zorgaanbieder met elkaar hebben gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de zorgovereenkomst die cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en een cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Cliënt heeft gesteld dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst met de cliënt en heeft de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade.

De drie door cliënt ingediende klachten zullen hierna opeenvolgend worden behandeld.

Klacht 1.

De commissie merkt allereerst op dat zij het onwaarschijnlijk acht dat de zorgaanbieder de cliënt bewust zou hebben overgeplaatst naar een andere locatie zodat cliënt langer zou moeten wachten op zijn inbewaringstellingszitting. Vanaf het moment dat cliënt bij de zorgaanbieder op de locatie in Zuidlaren (forensisch psychiatrische afdeling) was opgenomen, was duidelijk dat hij zou worden overgeplaatst naar de locatie in Groningen zodra daar een plaats beschikbaar zou komen. De dag vóór de voorgenomen zittingsdatum bleek dat cliënt kon worden overgeplaatst naar de locatie in Groningen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de rechtbank hiervan direct op de hoogte te brengen, omdat de rechter anders ten onrechte naar de locatie in Zuidlaren zou komen, waar cliënt op dat moment niet meer zou zijn. Het standpunt van de cliënt dat de zorgaanbieder had moeten wachten met de overplaatsing totdat zijn zitting was geweest, kan de commissie niet volgen. Nog daargelaten dat cliënt wist dat hij zou worden overgeplaatst zodra dit mogelijk was, bevond cliënt zich op dat moment op een locatie waar normaliter ander type zorg wordt geboden en waar tevens wachtlijsten voor gelden. Gelet op het voorgaande acht de commissie het dan ook begrijpelijk dat een cliënt die overgeplaatst dient te worden, direct wordt overgeplaatst zodra dit mogelijk is.

Tot slot wil de commissie over deze klacht nog opmerken dat het allerminst zeker was dat de inbewaringstelling niet zou worden bekrachtigd, als de voorgenomen zitting wél door was gegaan. Het incident dat de aanleiding was geweest voor de inbewaringstelling had op dat moment slechts twee dagen daarvoor plaatsgevonden en uit de rapportages van die dagen bleek allerminst dat een inbewaringstelling niet langer vereist was. Deze klacht wordt dan ook ongegrond verklaard.

Klacht 2.

Cliënt meent dat er is gehandeld in strijd met artikel 37 van de wet Bopz omdat in de informatiemap van de zorgaanbieder belangrijke informatie ontbrak.

Ingevolge artikel 37, eerste lid van de wet Bopz (vervallen per 1 januari 2020) draagt het bestuur van een ziekenhuis ervoor zorg dat een patiënt, de echtgenoot, de wettelijke vertegenwoordiger alsmede de naaste (familie)betrekkingen van de patiënt zo spoedig mogelijk na de opneming in het bezit worden gesteld van een schriftelijk overzicht van de in het ziekenhuis geldende huisregels alsmede van de op grond van de wet Bopz aan de patiënt toekomende rechten.

Ter zitting bleek dat cliënt de betreffende informatiemap heeft gezien en vluchtig heeft doorgelezen. Volgens cliënt miste daarin onder andere een document met informatie over het doen van een ontslagverzoek aan de Geneesheer-Directeur. Nog los van de vraag of dat document in de informatiemap had behoren te zitten, kan door de commissie niet worden vastgesteld of dat document er destijds wel of niet in heeft gezeten. De zorgaanbieder heeft aangegeven dat een dergelijk document standaard in de informatiemap zit, evenals informatie over de patiëntenvertrouwenspersoon. De commissie houdt het voor mogelijk dat de cliënt, die naar eigen zeggen de informatiemap slechts vluchtig heeft doorgelezen, deze informatie over het hoofd heeft gezien. Overigens blijkt uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting dat cliënt geenszins werd beperkt in zijn mogelijkheden om in contact te komen met zijn advocaat waardoor cliënt met zijn advocaat de mogelijkheden had kunnen bespreken om de inbewaringstelling op te heffen. De commissie betrekt hierbij ook dat cliënt lange tijd heeft gewerkt in een penitentiaire inrichting waardoor hij, zoals hij zelf heeft verteld tijdens de zitting, op de hoogte is van de rechten van degene die van hun vrijheid zijn beroofd. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.

Klacht 3.

Uit de stukken blijkt voor de commissie niet dat er sprake is geweest van enige vorm van dwang bij het aanbieden van medicatie aan de cliënt. De betreffende verpleegkundige heeft aangegeven dat hij cliënt, in het belang van cliënt, heeft proberen te stimuleren om de medicatie in te nemen zodat hij de volgende dag helder zou zijn tijdens de zitting. Daarnaast heeft de verpleegkundige aangegeven dat cliënt nimmer kenbaar heeft gemaakt dat hij de medicatie niet wilde innemen. Aangezien het ging om medicatie die door de behandelaar van cliënt werd voorgeschreven, acht de commissie het begrijpelijk dat de verpleegkundige cliënt stimuleerde om de medicatie in te nemen. Van ongeoorloofde drang of dwang is de commissie in het dossier niet gebleken. Deze klacht wordt dan ook ongegrond verklaard.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden.

Schade.

De commissie heeft in het vorenstaande geoordeeld dat er geen sprake is van een tekortkoming in de zorgverlening aan cliënt door de zorgaanbieder. Reeds hierom dient zijn verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

Op grond van voorgaande is de commissie van oordeel dat de klachten ongegrond zijn en de vordering dient te worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. M.M. Kok, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. N. Sewradj, secretaris, op 19 maart 2021.