Patiënt klaagde niet bij zorgaanbieder binnen vijf jaar nadat schade bekend is geworden. De klacht is verjaard en kan niet worden behandeld.

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 106628

De uitspraak:

In het geschil tussen

Patiënte en Stichting Medisch Centrum Haaglanden en Bronovo-Nebo, gevestigd te Den Haag (verder te noemen de zorginstelling).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de
Geschillencommissie Zorginstellingen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 17 maart 2017 te Rotterdam.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

De patiënte was ter zitting niet aanwezig. Zij werd ter zitting vertegenwoordigd door haar dochter [naam] en [naam], schoonzoon van de patiënte.

De zorginstelling was ter zitting vertegenwoordigd door [naam], gezondheidsjurist.

Beide partijen hebben ter zitting hun standpunt nader toegelicht.

Onderwerp van het geschil

Het geschil heeft betrekking op een tandheelkundige behandeling en de nasleep daarvan. Er zijn volgens patiënte fouten gemaakt in de behandeling die door de zorginstelling niet worden erkend. 

Standpunt van patiënte

Het standpunt van patiënte luidt als volgt.

Voor het standpunt van patiënte verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken, in het bijzonder het vragenformulier dat de commissie heeft ontvangen op 2 november 2016 en de overgelegde brieven van 2 mei 2011, 22 juni 2016 en 15 augustus 2016. De door patiënte overgelegde stukken dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van patiënte op het volgende neer.

De klacht heeft volgens het vragenformulier betrekking op de volgende behandelingen:
1. Tandheelkundige behandeling januari 2008.
2. Bottransplantatie januari 2008.
3. Neurolyse augustus 2008.
4. IC-opname augustus 2008.
5. Nabloeding augustus 2008.
6. Tandheelkundige behandeling augustus 2008.
7. Post traumatische stress stoornis (PTSS) 2016.

De klachten betreffen:
1. Onkundig verwijderen bottransplantaat waarbij neurologische pijn in het verzorgingsgebied van de nervus cutaneus femoris lateralis rechts (de huidzenuw van de buitenkant van het dijbeen) is ontstaan.
2. Onkundig plaatsen implantaten.
3. IC opname na nabloeding die ontstaan is na een uitgevoerde neurolyse.
4. Het niet erkennen van de fouten.
5. De patiënte heeft als gevolg van de onkundige behandeling last van PTSS, hetgeen aan een noodzakelijke behandeling in de weg staat.

Patiënte heeft de zorginstelling op 2 mei 2011 voor het eerst aansprakelijk gesteld voor foutief medisch handelen. De zorginstelling heeft de aansprakelijkheid op 14 november 2011 van de hand gewezen. Bij brief van 22 juni 2016 heeft de patiënte de zorginstelling opnieuw aansprakelijk gesteld. Zij schetst in laatstgenoemde brief zakelijk weergegeven de volgende gebeurtenissen.
• In 2007 is zij door haar tandarts verwezen naar een kaakchirurg in de zorginstelling. Laatstgenoemde initieerde een operatieve behandeling met sinusbodemelevatie (verhoging van het bot in de kaakbijholte) in verband met kaakatrofie met als doel het plaatsen van implantatie.
• Op 16 januari 2008 vindt de sinusbodemelevatie plaats met behulp van crista iliacabot. Na de operatie treedt er direct hyperesthesie (overgevoeligheid van de huid) en hyperpathie (overgevoeligheid voor pijnprikkels) op in het verzorgingsgebied van de huidzenuw van de buitenkant van het dijbeen rechts. De patiënte lijdt onhoudbare pijnen ten gevolge van neurotmesis (zenuwbeschadiging) of uitgebreide fibrosering (overmatige toename van de hoeveelheid bindweefsel) ten gevolge van de operatie.
• Op 18 augustus 2008 vindt implantatie van zes implantaten in de bovenkaak plaats. De arts heeft enkele pauzes ingelast vanwege het niet aanslaan van de verdoving.
• Op 21 november 2008 vindt een neurolyse (opheffing van samengedrukt zenuwweefsel, door splijting van de schede rondom de zenuw) van de huidzenuw van de buitenkant van het dijbeen plaats in verband met de onhoudbare zenuwpijnen. Dezelfde avond wordt de patiënte opnieuw geopereerd vanwege een nabloeding. De patiënte wordt daarna op de IC geplaatst. Bij die gelegenheid wordt het bed iets achterovergezet in verband met te lage bloeddruk. Al snel hierna kan de patiënte haar armen niet meer bewegen en treden er ademhalingsproblemen op. De verpleging komt niet kijken en de patiënte kan zelf de alarmknop niet meer indrukken. De langskomende anesthesist slaat vervolgens alarm.
• In december 2008 blijkt dat twee van de implantaten zo scheef staan en zo dicht op elkaar zijn geplaatst dat deze onbruikbaar zijn.

De patiënte constateert dat een groot aantal zaken is fout gegaan en hoewel complicaties kunnen voorkomen is er volgens de patiënte sprake van verwijtbaar foutief medisch handelen. Zij wijst in dit verband op het volgende.
1. Zij is niet gecounseld in problemen die het gevolg kunnen zijn van verwijdering van bottransplantaat van de crista iliaca en het plaatsen daarvan in de kaak.
2. De arts heeft het bot weggenomen van een andere plaats dan in het OK verslag door hem is beschreven. Volgens de patiënte betekent dit dat hij of het botdeel onkundig uit het foutieve deel van het bekken heeft verwijderd of het botdeel moedwillig uit een ander deel van het bekken heeft verwijderd. In het laatste geval had hij de patiënte moeten wijzen op de risico’s gelet op het feit dat uit wetenschappelijke artikelen blijkt dat botresectie op deze plek significant vaker kan resulteren in schade aan de huidzenuw aan de buitenkant van het dijbeen.
3. Deze onkundige handeling heeft geleid tot veel pijn.
4. De aangerichte schade heeft geleid tot 25 tot 30 polibezoeken.
5. Bij de IC opname was sprake van een levensbedreigende onachtzaamheid. De zorginstelling kan het verslag van een gesprek met het hoofd IC dat op 7 januari 2009 heeft plaatsgevonden niet meer reproduceren. Dat is zeer kwalijk nu er een bewaartermijn van 15 jaar is ingevolge de WGBO. Daar komt bij dat juist dit incident verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de patiënte. Het bij volledig bewustzijn in ademhalingsproblemen komen terwijl het niet mogelijk is alarm te slaan resulteerde samen met de keer op keer problematische behandelingen en fouten in PTSS waarvoor inmiddels psychologische hulp is ingeschakeld.  
6. Volgens de patiënte heeft de arts bij het plaatsen van de implantaten gepauzeerd omdat hij er niet in slaagde de positionering van de implantaten voor elkaar te krijgen. Zijn ‘gepruts’ heeft geleid tot een slechte positie van de implantaten, waarvan twee onbruikbaar zijn. De arts heeft de patiënte pas in 2011 een brief geschreven over de gebeurtenissen uit 2008 en heeft zijn fouten daarbij niet erkend.
 
De huidige stand van zaken is dat de patiënte lijdt aan chronische sinusitis aan beide kanten en malpositie van de implantaten met prothetische gevolgen. Zij heeft zich wederom onder behandeling van een kaakchirurg en een KNO-arts moeten stellen. Voordat ze deze behandeling kan overwegen zal de patiënte behandeling voor haar PTSS moeten ondergaan.

De patiënte verzoekt de commissie om haar een in redelijkheid en billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe te kennen.

Standpunt van de zorginstelling

De zorginstelling heeft gereageerd op het aanhangig maken van het geschil door toezending van het medisch dossier van de patiënte aan de commissie, alsmede de met de patiënte gevoerde correspondentie door MediRisk, de verzekeraar van de zorginstelling. Het standpunt van de zorginstelling zoals dat uit het de door de commissie ontvangen stukken blijkt luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

De zorginstelling stelt zich op het standpunt dat de patiënte niet ontvankelijk in haar klacht moet worden verklaard. De zorginstelling wijst erop dat de patiënte de instelling reeds bij brief van 2 mei 2011 aansprakelijk heeft gesteld. Bij die gelegenheid heeft MediRisk de kwestie onderzocht en is gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat van aansprakelijkheid geen sprake is geweest, hetgeen zij in haar brief van 14 november 2011 aan patiënte heeft bericht. Nadien heeft MediRisk niets meer vernomen van de patiënte. Ruim vijf jaar later stelt de patiënte de zorginstelling opnieuw aansprakelijk. De zorginstelling doet een beroep op rechtsverwerking dan wel verjaring van de vorderingen van de patiënte.

Voorts stelt de zorginstelling zich op het standpunt dat de klacht ongegrond is. Daarbij is ondermeer overwogen dat de splitsing van de zenuw aan het rechterbeen van de patiënte anders loopt dan bij de meeste mensen. Er is sprake van een zeldzame anatomische variant. De arts had er daarom geen rekening mee hoeven te houden dat hij de zenuw zou kunnen raken. Er is helaas sprake van een zeldzame complicatie, die de verzekerde niet te verwijten valt.     
De klacht is door de zorginstelling opnieuw doorgeleid aan MediRisk die heeft aangegeven dat deze nieuwe brief geen nieuwe informatie bevatte zodat zij geen aanleiding zag haar standpunt te herzien. Een nieuw verwijt dat de patiënte niet volledig zou zijn geïnformeerd is met een beroep op verjaring van de hand gewezen, terwijl overigens sprake was van een zeer zeldzame complicatie waarover patiënten niet geïnformeerd behoeven te worden.      

Ten aanzien van de klachtonderdelen merkt de zorginstelling het volgende op:
1. Onkundig verwijderen bottransplantaat:
De zorginstelling stelt zich op het standpunt dat van onkundig verwijderen van bottransplantaat waarbij neurologische pijn van het verzorgingsgebied van de de huidzenuw van de buitenkant van het dijbeen is ontstaan geen sprake is geweest.
2. Onkundig plaatsen implantaten:
De zorginstelling deelt de mening van de patiënte dat de implantaten ondeskundig zijn geplaatst niet. De patiënte heeft haar stellingen op dit punt niet onderbouwd. Uit het enkele feit dat de tandarts slechts vier van de zes implantaten heeft gebruikt volgt dat immers niet. Het is aan de protheticus om te kiezen hoeveel en welke implantaten hij wil gebruiken, waarbij men afhankelijk is van de grilligheid van de botingroei/resorptie van het getransplanteerde bot voor de vraag of alle implantaten 100% evenwijdig of allemaal kunnen worden geplaatst.
3. IC opname na nabloeding die ontstaan is na een uitgevoerde neurolyse:
Het is de zorginstelling niet duidelijk wat wordt bedoeld met deze klacht. Uit de klacht blijkt niet waarom en op welk moment in de visie van de patiënte onzorgvuldig zou zijn gehandeld.
4. Het niet erkennen van de fouten:
Op grond van zorgvuldig onderzoek door MediRisk is komen vast te staan dat er geen sprake is van fouten, zodat er derhalve geen aanleiding bestond om de fouten te erkennen.

Behandeling ter zitting

Ter zitting heeft de dochter van de patiënte verklaard dat haar moeder het enorm lastig vond om een klacht in te dienen tegen de behandelende arts omdat deze zo zijn best had gedaan voor haar. Nadat ze erg veel ellende had ondervonden heeft ze uiteindelijk haar moed bijeengeraapt en heeft het ziekenhuis formeel aansprakelijk gesteld. Pas na zes maanden kreeg zij een afwijzende reactie van MediRisk. Die reactie heeft haar enorm uit het veld geslagen, temeer omdat in deze brief geen enkele reactie werd gegeven op alle problemen die zij had ervaren als gevolg van de behandeling. De brief liet verder ook geen enkele reactie toe. Sindsdien zijn de problemen alleen maar verergerd. De patiënte heeft chronische sinusitis en er is inmiddels vastgesteld dat er zoveel mis is gegaan dat het volledige behandeltraject opnieuw uitgevoerd zal moeten worden. Met het oog daarop heeft er controle door de kaakchirurg plaatsgevonden die haar eerst naar de psycholoog heeft doorverwezen vanwege dermate grote psychische problemen die aan behandeling in de weg staan. Die psychische problemen speelden ook al kort na de operatie, maar de patiënte heeft die steeds weten te verdringen. Ze kwamen echter aan het licht toen zij volledig in paniek raakte toen bleek dat zij opnieuw geopereerd zal moeten worden. Zij heeft zoveel pijn geleden bij het inbrengen van de implantaten dat ze onder volledige narcose behandeld had moeten worden. Dat heeft de kaakchirurg achterwege gelaten en valt hem te verwijten. De patiënte heeft al in 2011 een aantal gesprekken met de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis gevoerd. Die adviseerde haar om het ziekenhuis aansprakelijk te stellen. Ook heeft zij een gesprek gevoerd met de intensivist naar aanleiding van het voorval op de IC.

De zorginstelling betreurt het zeer dat het allemaal zo is gelopen. Er is navraag gedaan bij de klachtenfunctionaris, maar die kon zich de inhoud van de gesprekken in 2011 niet goed meer herinneren. Zij kon zich wel herinneren dat de partijen na het gesprek met de intensivist goed uit elkaar waren gegaan. De brief van de patiënte is als een formele aansprakelijkheidstelling opgevat en is daarom direct doorgeleid naar de verzekeraar zonder een reactie te geven op de inhoudelijke klachten. Het is spijtig om nu te vernemen dat dit niet goed is overgekomen. Dit alles neemt echter niet weg dat er een periode van ruim vijf jaar is verstreken en dat het bijzonder lastig is relevante informatie boven water te halen. Zo is de kaakchirurg inmiddels met pensioen en is de intensivist vertrokken naar een ander ziekenhuis.
Voor wat betreft de PTSS verschijnselen van de patiënte erkent de zorginstelling dat dit mogelijk een nieuw aspect is. Zij heeft er echter op gewezen dat uit de overgelegde brief d.d. 29 september 2016 van de psycholoog die de patiënte heeft gezien blijkt dat de PTSS verschijnselen bij de patiënte niet uitsluitend verband houden met de kaakoperatie uit 2008.

Beoordeling van het geschil

In de onderhavige procedure dient de commissie allereerst vast te stellen of de patiënte in haar klacht kan worden ontvangen. De commissie is van oordeel dat de patiënte gelet op het over en weer gestelde niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar klacht. Zij overweegt daarbij als volgt.

Namens de zorginstelling heeft MediRisk in haar brieven van 27 juli 2016 en 19 oktober 2016 een beroep op rechtsverwerking dan wel verjaring van de vorderingen van de patiënte gedaan, welk beroep ter zitting is bevestigd door de zorginstelling.

De commissie neemt als vaststaand aan dat de patiënte de zorginstelling bij brief van 2 mei 2011 aansprakelijk heeft gesteld. Bij brief van 14 november 2011 heeft MediRisk namens de zorginstelling de aansprakelijkheid van de hand gewezen. Op deze brief is niet gereageerd door de patiënte. Ruim vijf jaar na de aansprakelijkstelling op 22 juni 2016 heeft de patiënte de zorginstelling opnieuw aansprakelijk gesteld.
Ten aanzien van de klachten inzake de operaties in 2008 en 2009 (klachtenonderdelen 1 tot en met 3 van de vijf genoemde onderwerpen die de klachten betreffen) is de commissie van oordeel dat, nu de patiënte zowel met de schade als met de aansprakelijke rechtspersoon bekend was, hetgeen volgt uit haar brief van 2 mei 2011, en meer dan vijf jaar verstreken zijn, het beroep op verjaring in zoverre gehonoreerd dient te worden; de patiënte is dan ook niet ontvankelijk in deze onderdelen van haar klacht. Ten aanzien van de PTSS-klachten is voor de beoordeling van belang dat ter zitting namens de patiënte verklaard is dat de psychische klachten al sinds de traumatiserende behandelingen speelden, maar dat zij die heeft weggestopt. Vorenstaande betekent dat de patiënte niet binnen vijf jaar nadat de schade haar bekend is geworden heeft geklaagd bij de zorgaanbieder. Dat onderdeel van de vordering is, nu sinds 2008/2009 meer dan vijf jaar verstreken zijn, dan ook verjaard. Daar komt bij dat uit de brief van de psycholoog die de patiënte heeft overgelegd blijkt dat de PTSS verschijnselen bij de patiënte niet uitsluitend verband houden met de kaakoperatie uit 2008. Alles bijeen kan de commissie niet anders dan concluderen dat de patiënte ook inzake dit klachtonderdeel niet ontvankelijk moet verklaren. 
   
Vorenstaande betekent dat de commissie niet toekomt aan de inhoudelijke behandeling van de klacht.

Gelet hierop wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de patiënte niet ontvankelijk in haar klachten.

Aldus beslist op 17 maart 2017 door de Geschillencommissie Zorginstellingen.