Patiënt onvoldoende voorbereid en gerustgesteld bij katherisatie. Ziekenhuis gaf wel voldoende voorlichting over complicaties en de operatie.

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Immateriële schadevergoeding    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 101441

De uitspraak:

In het geschil tussen

Patiënt en Stichting Franciscus Vlietland Groep, gevestigd te Schiedam (verder te noemen het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de
Geschillencommissie Zorginstellingen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 17 januari 2017 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

Patiënt heeft de zitting bijgewoond.

Het ziekenhuis heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [naam jurist], jurist, [naam chirurg], orthopedisch chirurg en [naam anesthesioloog], anesthesioloog.

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op de gang van zaken bij een ingreep aan een hallux valgus. Deze was niet succesvol waardoor een tweede ingreep noodzakelijk was. Daarbij traden complicaties op als gevolg waarvan patiënt blijvende (personen)schade heeft geleden. 

Standpunt van patiënt

Het standpunt van patiënt luidt als volgt.

Voor het standpunt van patiënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door patiënt overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van patiënt op het volgende neer.

Patiënt is bij het ziekenhuis in behandeling geweest voor een hallux valgus. Op 11 maart 2013 is patiënt hieraan geopereerd. Patiënt kreeg een ruggenprik. Een alternatief werd door het ziekenhuis voor deze ingreep niet aangeboden. Patiënt heeft opgemerkt dat dit vreemd is omdat voor de operatie al bekend was bij het ziekenhuis dat hij problemen had bij het plassen en een algehele verdoving dan toch meer in de rede zou liggen. Daags na de ingreep mocht patiënt naar huis. Hij kreeg een hakschoen voorgeschreven en mocht gaan mobiliseren gedurende zes weken. Daarbij traden hevige pijnklachten op. Wat er precies aan de hand was kon patiënt niet zien omdat zijn voet in het verband zat, maar de pijn nam niet af. Bij de controle op 29 maart 2013 bleek dat de hechtingen gesprongen waren en de operatiewond aan de grote teen ernstig ontstoken was, als gevolg waarvan een langdurige behandeling door een verpleegkundig specialist geboden was. Patiënt is door de orthopedisch chirurg vooraf niet gewezen op de mogelijkheid van complicaties bij de operatie aan de hallux valgus. Patiënt heeft een folder ontvangen met technische informatie over de ingreep, maar daar stond niets in over mogelijke complicaties. Ter zitting heeft patiënt verklaard dat hij met de orthopedisch chirurg heeft besproken dat hij ‘bij’ wilde zijn tijdens de ingreep om deze te kunnen volgen op een beeldscherm.
Patiënt moest opnieuw worden geopereerd. Op 24 juni 2013 is patiënt opgenomen in het ziekenhuis. Patiënt is opnieuw met een ruggenprik geopereerd, hoewel hij liever een algehele narcose had gehad. De prik ging tot drie keer toe mis. Patiënt vroeg de anesthesioloog herhaaldelijk om te stoppen met prikken in zijn rug en hem een algehele narcose te geven. Dit verzoek is niet gehonoreerd. Pas bij de vierde poging ging de prik goed. De orthopedisch chirurg heeft het bot gereinigd, dood materiaal verwijderd en de wond gesloten. Omdat er plasproblemen optraden is patiënt na de ingreep ’s avonds gekatheteriseerd. De verdoving werkte nog, dus was de pijn draaglijk. Daarna kwamen er problemen. ’s Nachts ging het plassen moeilijk en er zat bloed in de urine. De bloeding duurde voort. Op 26 juni 2013 heeft de uroloog de blaas van patiënt gespoeld om te proberen de prostaatbloeding te stelpen, maar zonder resultaat. Er werd met steeds grotere diameters katheter gespoeld en de prostaat werd met een camera geïnspecteerd. Patiënt was het niet duidelijk wat er verder zou gebeuren. Hij heeft zeer veel pijn ondervonden van de katheterisatie, hij heeft liggen kronkelen van de pijn en was verkrampt. Hij kon het op het laatst wel uitschreeuwen. De uroloog en diens assistent hebben patiënt gemaand om zich te ontspannen, maar wisten hem niet te zeggen hoe dan wel. Patiënt heeft dit als weinig empathisch ervaren. Op 27 en 28 juni 2013 bleef de bloeding doorgaan. Op 29 juni 2013 was de kleur van de urine weer normaal, maar was er verhoging opgetreden. Op 30 juni 2013 traden er pijnklachten op in de penis. Patiënt werd koortsig en was het niet eens met het hem aangezegde ontslag uit het ziekenhuis. Een goede beslissing achteraf, aldus patiënt, want naar op 3 juli 2013 bleek was een klebsiella infectie opgetreden in de blaas. Op 4 juli 2013 is patiënt uit de zorginstelling ontslagen.

Als patiënt de balans opmaakt, stemt hem dit verdrietig. De hallux valgus is nog steeds aanwezig en patiënt ervaart een doof gevoel in zijn voet bij het lopen en pijn bij langer doorlopen. Tijdens een afrondend gesprek met de orthopedisch chirurg op 13 augustus 2015 blijkt uit röntgenfoto’s dat zijn rechtervoet en grote teen totaal versleten zijn. De chirurg biedt hem een andere behandeling aan bij een collega, maar biedt hem geen enkel woord van excuus voor de gang van zaken rondom de operatie aan zijn voet. De chirurg heeft patiënt erop gewezen dat deze hem bij een eventuele volgende operatie erop moet wijzen dat hij bloedverdunners gebruikt. Daarop heeft patiënt de chirurg gezegd dat dit in zijn dossier opgetekend staat en de chirurg dit had kunnen weten. Patiënt heeft gezegd eraan te twijfelen op de chirurg zijn dossier wel heeft bestudeerd.

Patiënt is van mening dat hij voor de eerste operatie onvoldoende is voorgelicht over mogelijke complicaties bij de ingreep aan de hallux valgus. 
Patiënt is van mening dat de chirurg zich onvoldoende heeft voorbereid op de operatie. Dan had de chirurg immers geweten dat hij een bloedverdunner gebruikt. Tevens had de chirurg dan geweten van de plasproblemen van patiënt en van diens wens om daarom onder algehele narcose te worden geopereerd in plaats van met een spinaalverdoving.
Tot slot is patiënt van mening dat de uroloog zich onvoldoende heeft voorbereid op de katheterisatie en te grote katheters heeft gebruikt. De ruw uitgevoerde katherisaties hebben in de urineleider van patiënt geleid tot littekenweefsel met als gevolg dat de penis van patiënt blijvend krom staat en patiënt een kegel nodig heeft om te kunnen dilateren. Patiënt ondervindt ongemak hiervan en schaamt zich er ook voor. Als gevolg van de niet zachtzinnig uitgevoerde blaasspoelingen is bekkeninstabiliteit opgetreden, waarvoor hij therapie nodig heeft gehad. Inmiddels behoren deze laatste klachten gelukkig tot het verleden.
Patiënt voelt zich lichamelijk beschadigd en is het vertrouwen in het ziekenhuis kwijt. Patiënt raakt nog altijd geëmotioneerd als hij verhaalt van de gang van zaken, met name die rondom de katheterisatie en de blaasspoelingen.

Patiënt verzoekt de commissie zijn klachten jegens het ziekenhuis gegrond te verklaren en in redelijkheid en billijkheid een vergoeding vast te stellen.

Standpunt van het ziekenhuis

Het standpunt van het ziekenhuis zoals dat uit het de door de commissie ontvangen stukken blijkt luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Op 14 november 2012 is patiënt onderzocht door de orthopedisch chirurg van het ziekenhuis. De conclusie was een hallux valgus rechts met pijnklachten. De indicatie voor een Chevron correctie osteotomie van de teen werd gesteld, een veelvoorkomende ingreep. Tijdens het genoemde consult heeft de behandelend orthopedisch chirurg de operatie-indicatie toegelicht. Een en ander is bevestigd in de brief aan de huisarts van patiënt, een brief die de orthopedisch chirurg wel altijd zelf dicteert. Er staat in dat de chirurg de voor- en nadelen alsook de operatierisico’s en het postoperatieve beleid met patiënt heeft besproken. Dit staat niet in het medisch dossier van patiënt –  en de orthopedisch chirurg heeft er ook geen concrete herinneringen aan -, maar de brief aan de huisarts zit wel in het medisch dossier van patiënt. De orthopedisch chirurg heeft geen reden eraan te twijfelen dat hij, zoals te doen gebruikelijk, ook daadwerkelijk de operatie en de mogelijke complicaties daarbij besproken heeft. Het ziekenhuis wijst de klacht over ontoereikende voorlichting over mogelijke complicaties bij de ingreep aan de hallux valgus van de hand.
Standaard wordt ook een folder overhandigd waar de ingreep in beschreven wordt. De folder wordt regelmatig herzien en herdrukt. Niet duidelijk is welke druk van de folder is uitgereikt aan patiënt en of mogelijke complicaties wel en zo ja, in welke mate deze zijn beschreven in de folder die patiënt heeft ontvangen.

In de preoperatieve documenten van de anesthesiologie werd het gebruik van de bloedverdunner acenocoumarol vermeld. Hoewel deze vijf dagen voor de ingreep werd gestopt (en vervangen door Fraxipine) bestond er een grotere kans op bloedingen, zowel in het operatiegebied als bij de katheterisatie. De opgetreden bloedingen zijn niet het gevolg van onzorgvuldig handelen van de uroloog, maar een niet-verwijtbare complicatie. Het ziekenhuis is van mening dat de klacht over het niet bekend zijn met het feit dat patiënt een bloedverdunner gebruikte ongegrond dient te worden verklaard. Het operatieverslag van de ingreep op 11 maart 2013 beschrijft een zorgvuldig uitgevoerde operatie. Het postoperatieve verloop werd gecompliceerd door een infectie met wijkende wondranden die uiteindelijk tot een tweede operatie hebben geleid. Deze infectie was niet te voorzien en moet ook worden beschouwd als een niet-verwijtbare complicatie.
De indicatie voor de ingreep op 24 juni 2013 werd gesteld op grond van osteomyelitis, een infectie met ontsteking van het bot. Het verslag van de ingreep op 24 juni 2013 beschrijft een zorgvuldig uitgevoerde procedure. Zowel bij de ingreep op 11 maart 2013 als bij de ingreep op 24 juni 2013 werd een preoperatief consult bij de anesthesioloog gedaan. Daarbij werd de vorm van anesthesie en het beleid met betrekking tot het acenocoumarolgebruik genoteerd. Uit de formulieren d.d. 23 januari 2013 en 19 juni 2013 blijkt niet dat patiënt melding heeft gemaakt van problemen met nieren of urinewegen of plasproblemen. In het medisch dossier zijn voorts geen notities gemaakt dat de anesthesie op 11 maart 2013 of 24 juni 2013 afwijkend zou zijn verlopen. Betrokken anesthesist heeft verklaard zich de casus niet meer precies te herinneren – er zijn twee jaren verstreken tussen de ingreep en het gesprek dat hij met patiënt hierover heeft gehad – maar bevestigt dat een afwijkend beloop van de anesthesie zou zijn genoteerd in het medisch dossier. Daarnaast heeft hij aangegeven dat hij, hoewel hij zich deze specifieke behandeling niet kan herinneren, niet doorgaat met prikken wanneer de patiënt in de voorbereidingen op de ingreep duidelijk aangeeft dit niet te willen. Op grond van het bovenstaande is het ziekenhuis van mening dat de klacht over de handelwijze van de orthopedisch chirurg niet gegrond is.

Het ziekenhuis heeft spijt betuigd voor het nare gevoel dat patiënt heeft overgehouden van de katheterisatie na de tweede ingreep. Voor wat betreft de behandeling, de katheterisatie en blaasspoelingen door de uroloog is het ziekenhuis echter van mening dat de handelwijze van de behandelaren zorgvuldig is geweest. Indien sprake is van een bloeding en de blaas moet worden gespoeld om stolsels te verwijderen dient er altijd een katheter met een grote(re) diameter te worden gebruikt. Hierin is geen onzorgvuldigheid in de behandeling van de uroloog vast te stellen. De opgetreden plasbuisvernauwing is een niet verwijtbare complicatie van de noodzakelijke katheterisaties.

Het ziekenhuis is van mening dat door betrokken behandelaren is gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot onder vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden en verzoekt de commissie de klachten van patiënt ongegrond te verklaren en het door patiënt verlangde af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de stukken en van de over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Klacht over onvoldoende voorlichting
Patiënt heeft zich beklaagd dat hij niet (voldoende) is voorgelicht over de mogelijk complicaties bij een operatie aan de hallux valgus. Noch in de voorlichting door de orthopedisch chirurg, noch in de hem uitgereikte folder werd hem informatie verschaft over mogelijke complicaties.
Naar het ziekenhuis heeft verklaard heeft de orthopedisch chirurg patiënt in een consult d.d. 14 november 2012 voorgelicht over de aard van de operatie. Patiënt heeft ter zitting verklaard dat hij daarbij technisch goed door de orthopedisch chirurg is voorgelicht. In een – ongedateerde – brief aan de huisarts, ondertekend door de orthopedisch chirurg die de ingreep ook bij patiënt heeft uitgevoerd, staat vermeld dat de voor- en nadelen als ook de operatierisico’s en het postoperatieve beleid met patiënt zijn besproken. De commissie heeft geen reden gezien om dit te betwijfelen. De commissie verklaart de klacht over de onvoldoende voorlichting over mogelijke complicaties ongegrond.

Klacht over onvoldoende voorbereiding op de operatie aan de zijde van behandelaren
Patiënt heeft zich beklaagd dat de chirurg zich onvoldoende heeft voorbereid op de operatie, niet wist dat hij bloedverdunners gebruikte en vanwege plasproblemen geen spinaalverdoving wilde. Dit laatste laat zich naar het oordeel van de commissie moeilijk rijmen met de door patiënt geuite wens om ‘bij’ te zijn tijdens de ingreep. De anesthesist heeft verklaard geen ruggenprik te zetten als van tevoren bekend is dat patiënt dit niet wil en dat hij bij patiënt, indien deze van tevoren had verklaard geen ruggenprik maar een algehele narcose te willen, hiertoe zou zijn overgegaan. De anesthesist was echter niets bekend over de wens van patiënt om algehele narcose te krijgen noch over plasproblemen. De commissie ziet geen reden hieraan te twijfelen. Daarbij is het de commissie bekend dat ook bij een spinaalverdoving een katheter ingebracht dient te worden.
Naar de commissie is gebleken was het gebruik van een bloedverdunner door patiënt bij het ziekenhuis bekend. Er is preoperatief beleid op gemaakt. Naar het ziekenhuis heeft verklaard en naar de commissie in het medisch dossier heeft teruggezien is vijf dagen vóór de ingreep de acenocoumarol vervangen door Fragmin (Fraxipine) en is daags vóór de operatie geen Fragmin gespoten. Het is de commissie niet gebleken dat het ziekenhuis met betrekking tot de voorbereiding op de ingreep en de wijze van verdoven onzorgvuldig heeft gehandeld. De commissie verklaart de klacht over onvoldoende voorbereiding en de wijze van verdoving ongegrond.  

Klacht over katheterisatie
Patiënt heeft zich beklaagd dat de uroloog zich onvoldoende op de katheterisatie heeft voorbereid en te grote katheters heeft gebruikt als gevolg waarvan hij blijvende schade heeft opgelopen.  
De commissie stelt echter voorop dat voor aansprakelijkheid voor schade van het ziekenhuis vereist is dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis tekort is geschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst, bijvoorbeeld in de vorm van een fout of een nalaten van een noodzakelijke handeling. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten en patiënt dient daarvan nadeel te hebben ondervonden.

Patiënt heeft verklaard zeer veel leed te hebben ondervonden van de blaasspoelingen en bloedingen te hebben gehad als gevolg van de ruw uitgevoerde katheterisaties.
De commissie is uit onderzoek met betrekking tot dit onderwerp het volgende bekend. Bij blaasspoelingen wordt de blaas gevuld en dat kan hinderlijke blaaskrampen geven. Daarbij kan een hevige pijn worden ervaren, maar dat hoeft niet te betekenen dat er op dat moment schade ontstaat.
Patiënt heeft verklaard in de nacht na de eerste ingreep van 11 maart 2013 bloed in zijn urine te hebben gehad en te zijn gekatheteriseerd wegens problemen bij het plassen. Daarbij heeft hij bloedingen gehad. Het katheteriseren van een urethra waar eerder een bloeding is ontstaan, en waar dus ook littekenweefsel zit, kan bij een nieuwe manipulatie opnieuw gaan bloeden. Dat hoeft niet te duiden op een medische fout.
Het is de commissie bekend dat een manipulatie in de urethra een kans geeft op littekenweefselvorming. Het is echter ook mogelijk dat zich spontaan littekenweefsel (strictura) vormt in de urethra. Een kromstand van de penis (M. Peyronie) is uit de klinische ervaring niet bekend als mogelijke complicatie van een katheterisatie. Deze wordt veroorzaakt door het spontaan ontstaan van littekenweefsel aan de buitenkant van het corpus cavernosum. De kromstand van de penis van patiënt is naar alle waarschijnlijkheid niet het gevolg van de bij patiënt uitgevoerde katheterisaties.

Naar patiënt heeft verklaard en niet is tegengesproken door het ziekenhuis, heeft het tijdens de katheterisatie van patiënt op 26 juni 2013 bij de bejegening van patiënt door de behandelaren geschort aan het informeren van patiënt over wat zij aan het doen waren en aan de geruststelling van patiënt. Patiënt raakte verkrampt en heeft hevige pijnen ervaren. De commissie heeft zeer wel begrepen dat hem dit heeft getraumatiseerd. De commissie kent patiënt daarvoor smartengeld toe die zij in redelijkheid bepaalt op na te noemen bedrag.

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht, behoudens hetgeen in de vorige alinea is opgemerkt, ongegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing

De commissie;
– verklaart de klacht over de informatie betreffende de wijze van katheterisatie op 26 juni 2013 gegrond;
– kent patiënt ten laste van het ziekenhuis ter zake de som van € 250, – smartengeld toe;
– wijst de klachten voor het overige af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorginstellingen, op 17 januari 2017.