Psycholoog had niet zonder toestemming van cliënt in oud dossier mogen kijken

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 126334/133876

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt is door twee auto-ongelukken, voor specialistische zorg bij de zorgaanbieder terecht gekomen. Na zijn intake is de cliënt erachter gekomen dat medewerkers van de zorgaanbieder zonder toestemming in zijn oude dossier hebben gekeken. Daarnaast heeft het erg lang geduurd voor de cliënt inzage kreeg in zijn dossier en is de reden hiervoor nooit duidelijk gemaakt. Het duurde ook erg lang voordat de behandeling werd gestart na de intake. De cliënt heeft hier veel last van en eist een schadevergoeding. De zorgaanbieder stelt dat er inderdaad een psycholoog in het oude dossier heeft gekeken omdat het systeem aangaf dat daar recente gegevens in te vinden waren. De wachttijd tussen de intake en de start van de behandeling is te wijten aan het feit dat de cliënt een second opinion afhield, vervolgstappen van de zorgaanbieder blokkeerde en dat er een lange wachtlijst was. De commissie oordeelt dat de psycholoog niet zonder toestemming van de cliënt in het oude dossier had mogen kijken en dat het dossier te laat is overgedragen aan de cliënt. Deze klachtonderdelen zijn gegrond. De vertraging in het opstarten van de behandeling is niet aan de zorgaanbieder te verwijten. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Parnassia Groep BV, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 7 maart 2022 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam jurist] en [naam manager].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft een klacht van de cliënt over privacyschending door onbevoegde inzage in zijn dossier. Daarnaast klaagt de cliënt dat hij niet tijdig een afschrift heeft gekregen van zijn dossier, dat hij de redenen van de vertraging niet kent en dat het opstarten van het behandeltraject te lang heeft geduurd. De cliënt vordert een vergoeding voor geleden schade van € 25.000,–. Daarnaast verzoekt de cliënt om vernietiging van zijn dossier.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt is in verband met klachten na twee auto-ongelukken in 2018 voor specialistische geestelijke gezondheidszorg in 2020 bij de zorgaanbieder terecht gekomen. De cliënt had op dat moment al begeleiding vanuit de zorgaanbieder en is ook eerder in behandeling geweest bij de zorgaanbieder. Na zijn intake is de cliënt erachter gekomen dat meerdere medewerkers van de zorgaanbieder in zijn forensisch dossier uit 2013 konden kijken en dat ook daadwerkelijk hebben gedaan zonder dat hij daarvoor toestemming had gegeven. De zorgaanbieder heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld.

De cliënt klaagt ook over het feit dat het lang duurde voordat hij op verzoek inzage kreeg in zijn dossier.
De reden waarom dit zo lang duurde, is nooit aan hem duidelijk gemaakt.

Daarnaast klaagt de cliënt over het tijdsverloop tussen de intake en het daadwerkelijk opstarten van het behandeltraject. Volgens de cliënt is dit te wijten aan het onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder en heeft hij hierdoor schade geleden.

De cliënt vordert een schadevergoeding van € 25.000,–, waarvan € 18.000,– voor een behandeling in een privékliniek en € 7.000,– aan immateriële schadevergoeding.

Daarnaast verzoekt de cliënt om vernietiging van zijn dossier.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder erkent dat er in het eerdere behandeldossier uit 2013 is gekeken door één behandelend psycholoog. De zorgaanbieder geeft aan dat het zorgvuldiger was geweest om toestemming te vragen aan de cliënt, maar stelt zich op het standpunt dat die inzage niet onrechtmatig was. Het was de psycholoog namelijk niet te doen om de zeer oude gegevens in het dossier, maar om de gegevens uit 2018 die zich volgens het systeem ook in dit dossier zouden bevinden. Deze inzage vond plaats vanuit het oogpunt van goed hulpverlenerschap, mede vanuit veronderstelde toestemming van betrokkene.

De zorgaanbieder heeft niet inhoudelijk gereageerd op de klachten over het afschrift van het dossier. Wel heeft zij aangegeven dat de interne klachtencommissie hierover al heeft beslist.

De zorgaanbieder geeft aan dat het tijdsverloop voor het starten van de behandeling na het sluiten van de behandelovereenkomst meerdere redenen heeft. Allereerst was er geen consensus tussen de cliënt en de zorgaanbieder over de diagnose en werd een second opinion aanbevolen. Echter, de cliënt hield deze second opinion af. Daarnaast was er sprake van een wachtlijst van 5 à 6 maanden, wat volgens de zorgaanbieder geen uitzonderlijke periode is. Daarnaast hield de cliënt verdere stappen van de zorgaanbieder steeds af, omdat hij de uitspraak van de commissie wilde afwachten.

Ten aanzien van de schadevergoeding stelt de zorgaanbieder dat deze onvoldoende is onderbouwd, dat er sprake is van eigen schuld en dat het causaal verband ontbreekt. Het eerder gedane coulanceaanbod van
€ 250,– handhaaft de zorgaanbieder niet.

Ten aanzien van het verzoek van de cliënt om vernietiging van het dossier, is de zorgaanbieder van oordeel dat de commissie niet bevoegd is om hierover te beslissen.

Beoordeling van het geschil
Klachtonderdeel 1: inzage in het dossier uit 2013

De commissie stelt vast dat verschillende medewerkers de mogelijkheid hadden tot inzage van het eerdere behandeldossier van de cliënt. Vast staat dat in elk geval één medewerker ook daadwerkelijk inzage heeft gehad in het dossier. De commissie stelt verder vast dat de zorgaanbieder geen toereikend reglement of protocol had dat zag op inzage in eerdere behandeldossiers. Hoewel de commissie het voorstelbaar acht dat het raadplegen van oude behandelinformatie relevant kan zijn voor de huidige behandeling, ontbrak daarvoor toestemming van de cliënt. Die toestemming was in dit geval wel noodzakelijk. Daartoe acht de commissie van belang dat er hier sprake is van een forensisch dossier met informatie die teruggaat tot de periode van voor 2003 tot in 2013 en dat de hulpvraag van de cliënt in 2020 zag op andere problemen dan waarvoor hij eerder was behandeld.

De commissie is dan ook van oordeel dat van onrechtmatige inzage in een eerder behandeldossier sprake is en dat dit onderdeel van de klacht gegrond is.

Klachtonderdeel 2 en 3: niet tijdig ontvangen afschrift van het dossier en reden voor lange duur van afgifte

De interne klachtencommissie van de zorgaanbieder heeft de klacht over het niet tijdig ontvangen van het afschrift van het dossier gegrond verklaard. De zorgaanbieder heeft bij de interne klachtencommissie aangegeven wat de redenen zijn geweest voor het feit dat het dossier niet binnen de daarvoor geldende intern bepaalde termijn is afgegeven. Nu deze klachtonderdelen zijn toegewezen en de zorgaanbieder niet terugkomt op de eerdere erkenning zal de commissie het oordeel van de klachtencommissie overnemen en deze klachtonderdelen als gegrond toewijzen.

Klachtonderdeel 4: tijdsverloop behandeltraject

De commissie stelt vast dat de behandelovereenkomst op 1 oktober 2021 is gesloten en dat uit het dossier blijkt dat er sinds 3 maart 2021 ontwikkelingen zijn geweest in het dossier. Dat betekent dat de behandeling van de cliënt de eerste 5 maanden na het sluiten van de behandelovereenkomst niet of nauwelijks is opgestart. De zorgaanbieder heeft hiervoor verschillende redenen gegeven, die door de cliënt niet zijn weersproken. Van geen van deze redenen kan worden gezegd dat de zorgaanbieder deze heeft veroorzaakt op een manier die onrechtmatig of onzorgvuldig was of dat de hulpverlener niet de zorg in acht heeft genomen van een goed hulpverlener.

De commissie is dan ook van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

Verzoek vernietiging dossier

Op grond van artikel 7:455 Burgerlijk Wetboek dient een patiënt een verzoek tot vernietiging van een dossier te richten tot de hulpverlener. De cliënt heeft dat verzoek (nog) niet tot de hulpverlener gericht. De Geschillencommissie is dan ook niet bevoegd om op dit verzoek te beslissen.

Schadevergoeding en klachtengeld

De commissie wijst de schadevergoeding af, omdat deze door de cliënt onvoldoende is onderbouwd.
De commissie beslist wel dat de zorgaanbieder het klachtengeld van de cliënt dient terug te betalen gelet op het feit dat het eerste klachtonderdeel gegrond wordt verklaard.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van de cliënt voor wat betreft het eerste, tweede en derde onderdeel gegrond;

– verklaart de klacht van de cliënt voor wat betreft het vierde onderdeel ongegrond;

– verklaart zich onbevoegd het verzoek van de cliënt om vernietiging van het dossier te behandelen;

– wijst de schadevergoeding van de cliënt af;

– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies aan de cliënt een bedrag van € 52,50 dient te betalen ter zake van het door hem betaalde klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit
de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. D.C. Bouman, de heer mr. P. P. van der Neut, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. R. van den Wildenberg, secretaris, op 7 maart 2022.