SPUTOVAMO-melding (onderdeel van meldcode kindermishandeling) in medisch dossier was onterecht, zorgaanbieder moet melding verwijderen en cliënte immateriële schade vergoeden

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 108656-1

De uitspraak:

In het geschil tussen

Klaagster en Stichting Het Van Weel-Bethesda Ziekenhuis, gevestigd te Middelharnis (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 10 mei 2017 te Rotterdam.

Klaagster is verschenen en heeft ter zitting haar standpunt nader toegelicht. Zij was vergezeld van [naam].

Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [kinderarts], [manager], en [jurist]. 

Onderwerp van het geschil

Het onderwerp van het geschil heeft betrekking op de bejegening van klaagster door de zorgaanbieder en het onterecht opnemen van een SPUTOVAMO-melding in het medisch dossier van klaagster.
 
Standpunt van klaagster

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door klaagster overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van klaagster op het volgende neer.

Op 23 maart 2016 is klaagster in het ziekenhuis bevallen van haar tweede kind. Tijdens haar opname in het ziekenhuis verbleef de vader van klaagster bij haar tweejarig zoontje [naam]. De avond ervoor was [zoon klaagster] van de derde trede van de trap gevallen na een mislukte poging om op de trap om te draaien om terug naar boven te lopen. Aanvankelijk leek het letsel mee te vallen, maar de volgende dag weigerde [zoon klaagster] zijn schoenen aan te doen vanwege pijnklachten. Opa is met [zoon klaagster] naar het ziekenhuis gegaan om klaagster, haar moeder en haar pasgeboren dochtertje op te halen. Klaagster is vervolgens met [zoon klaagster] naar de kinderafdeling gegaan om hulp te krijgen, maar zij werd naar de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) verwezen. Aldaar werd pas hulp aan [zoon klaagster] verleend na een telefonische verwijzing van de huisarts. In de hal van de SEH werd meermalen gevraagd naar de vader van [zoon klaagster]. Klaagster is echter bewust alleenstaand moeder, zodat zij telkens moest aangeven dat er geen vader is. Zij heeft het gevoel dat haar leefwijze en de keuzes die zij heeft gemaakt, er mede toe hebben bijgedragen dat zij door het ziekenhuis onheus bejegend en zelfs gediscrimineerd werd.

De dienstdoende SEH-arts constateerde aan de hand van gemaakte foto’s van het been van [zoon klaagster] een spiraalbreuk. Een dergelijke breuk is niet veel voorkomend bij kinderen die van de trap vallen. De SEH-arts vertelde dat mogelijk sprake was van een botafwijking die door de kinderarts bekeken moest worden. Klaagster schrok hevig van dit bericht, temeer omdat een botafwijking ook bij haar pasgeboren dochtertje aan de orde kon zijn. Zij heeft enige tijd in onzekerheid moeten verkeren over de gezondheid van haar kinderen en mede hierdoor heeft zij de kraamperiode als uiterst onplezierig ervaren.

Korte tijd later ontving klaagster een brief van het ziekenhuis waarin melding werd gemaakt van het inzetten van de procedure rondom kindermishandeling. Voor klaagster was dit geheel onbegrijpelijk, temeer nu zij op het moment van de val van [zoon klaagster] in het ziekenhuis verbleef om te bevallen van haar dochtertje. Op 19 april 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden met de kinderarts met aandachtsgebied kindermishandeling en de medisch maatschappelijk werker/coördinator kindermishandeling en huiselijk geweld. Tijdens dit gesprek werd al snel duidelijk gemaakt dat de conclusie was getrokken dat er van mishandeling geen sprake kon zijn. De registratie van de onterechte melding zou echter wel in het elektronisch patiëntendossier van [zoon klaagster] blijven staan. Aangezien klaagster werkzaam is in de jeugdhulpverlening, kan deze registratie gevolgen hebben voor haar verdere carrière. Klaagster heeft dan ook verzocht dat het ‘rode vinkje’, dat automatisch verschijnt na een gedane SPUTOVAMO-melding, uit het patiëntendossier wordt verwijderd. Klaagster is van mening dat dit onnodig stigmatiserend en bovendien onterecht is. Voorts is klaagster van mening dat de door de SEH-arts genoemde botafwijking misleidend was en uitsluitend bedoeld om te bewerkstelligen dat een gesprek met een kinderarts zou plaatsvinden.

De huisarts van klaagster is op de hoogte gesteld van het gesprek dat op 19 april 2016 heeft plaatsgevonden. Deze informatie is zonder toestemming van klaagster verschaft, hetgeen klaagster als een schending van haar privacy heeft ervaren. Immers, niet alleen de huisarts, maar ook anderen die daar werkzaam zijn, kunnen deze informatie, alsmede gegevens met betrekking tot het door klaagster gevolgde KID-traject, inzien.

Klaagster heeft haar klacht voorgelegd aan de klachtencommissie van het ziekenhuis. De klachtencommissie heeft de klacht op 24 augustus 2016 gegrond verklaard en aangegeven dat de SPUTOVAMO-melding uit het dossier moet worden verwijderd.

Op 16 september 2016 heeft de Raad van Bestuur van het ziekenhuis echter laten weten dat de door de klachtencommissie gedane aanbeveling niet zal worden overgenomen en dat de SPUTOVAMO-melding niet zal worden verwijderd.

Klaagster verzoekt de commissie haar klacht jegens de zorgaanbieder gegrond te verklaren en haar ten laste van de zorgaanbieder een vergoeding van € 5.000,– aan immateriële schade toe te kennen voor doorgemaakt psychisch lijden en het veroorzaken van langdurige emotionele belasting voor haarzelf, haar zoontje en haar ouders. De gang van zaken heeft nog steeds een grote invloed op hun leven. Klaagster is een onbezorgde kraamperiode afgenomen, de SPUTOVAMO-registratie zorgt voor blijvende stigmatisering en de ontwikkelingsvrijheid van [zoon klaagster] wordt beperkt, omdat klaagster het leren fietsen, rennen en klimmen van [zoon klaagster] ontmoedigt om te voorkomen dat opnieuw een bezoek aan de SEH moet worden afgelegd.

Ter zitting heeft klaagster verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Klaagster benadrukt dat er een stigmatiserende werking uitgaat van het rode vinkje in het patiëntendossier. Zij staat in principe achter de procedure van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, maar deze moet wel op de juiste wijze worden toegepast, waar in haar geval geen sprake van is. In het ziekenhuis is de uitkomst van het aanvullende onderzoek naar het letsel van [zoon klaagster] voor slechts twee personen inzichtelijk. Anderen zien uitsluitend het rode vinkje. De kans dat bij een volgend bezoek aan de SEH wederom een rood vinkje wordt gezet, neemt hierdoor alleen maar toe. Het gevolg hiervan is dat klaagster zorg zal mijden. Zij wil zich vrij voelen om – indien nodig – met haar kinderen naar de SEH te gaan.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van de zorgaanbieder op het volgende neer.

De zorgaanbieder kan zich niet vinden in hetgeen klaagster heeft aangevoerd.
Zij is van mening dat ten aanzien van de leefwijze van klaagster geen sprake is van discriminatie. In het ziekenhuis wordt bij de behandeling van kinderen gevraagd naar de gezinssituatie, aangezien een kind in het algemeen twee ouders heeft. Het vragen naar de vader van [zoon klaagster] was op geen enkele wijze aanvallend, dan wel discriminerend, bedoeld. De zorgaanbieder betreurt ten zeerste dat klaagster de vraagstelling naar de vader van [zoon klaagster] als negatief heeft ervaren en heeft hiervoor haar welgemeende excuses aangeboden.

Voorts is volgens de zorgaanbieder geen sprake van het verzinnen van een aandoening (de botafwijking) om te bewerkstelligen dat een afspraak bij de kinderarts zou plaatsvinden. De SEH-arts heeft toegegeven niet duidelijk te zijn geweest over de reden van het gesprek en het positieve SPUTOVAMO-formulier. De reden van het bezoek werd volgens de zorgaanbieder algemeen gehouden, namelijk om andere oorzaken van de fractuur uit te sluiten, waarbij een botafwijking als voorbeeld werd genoemd. De zorgaanbieder heeft inmiddels verbeteringen doorgevoerd over de wijze van communiceren en het informeren van ouders/verzorgers over een positief SPUTOVAMO-formulier.

Het SPUTOVAMO-formulier is volgens de zorgaanbieder in dit geval conform het geldende protocol, en dus op de juiste wijze, ingevuld. De SEH-arts had twijfels over het al dan niet positief invullen van het formulier, waarna hij telefonisch overleg heeft gepleegd met de dienstdoende kinderarts. Omdat de bij [zoon klaagster] geconstateerde fractuur minder vaak voorkomt bij een dergelijke val van de trap en [zoon klaagster] al vaker op de SEH werd gezien, werd besloten het SPUTOVAMO-formulier positief in te vullen. De kinderarts en medisch maatschappelijk werker dienden een nadere analyse uit te voeren naar de oorzaak van het letsel. Er is geconcludeerd dat het letsel verklaard kan worden door de draai die [zoon klaagster] heeft gemaakt tijdens zijn val. Omdat hulpverleners verplicht zijn om vermoedens van kindermishandeling te documenteren, ook als later blijkt dat de vermoedens niet juist waren, kan een positief SPUTOVAMO-formulier volgens de zorgaanbieder echter niet uit het dossier worden verwijderd.
De zorgaanbieder geeft aan dat het elektronisch patiëntendossier zodanig is ingericht, dat bij een positief SPUTOVAMO-formulier een vakje rood wordt gekleurd, maar dat dit niet weergeeft of in dat geval sprake is van (een gerechtvaardigd vermoeden van) kindermishandeling. Het rode vakje heeft een signalerende werking voor hulpverleners en wordt om die reden niet op verzoek van ouders/verzorgers van een kind verwijderd. De zorgaanbieder geeft voorts aan dat uitsluitend hulpverleners die geautoriseerd zijn om signaleringsformulieren in te vullen, toegang hebben tot het afgescheiden deel van het dossier en dat deze hulpverleners zich ervan bewust zijn dat een positief SPUTOVAMO-formulier niet automatisch betekent dat sprake is van kindermishandeling.

Volgens de zorgaanbieder wordt bij het versturen van zogenoemde specialistenbrieven naar de verwijzer of huisarts van de patiënt uitgegaan van veronderstelde toestemming van de patiënt, omdat de huisarts rechtstreeks betrokken is bij de behandeling. De kinderarts heeft bovendien in het gespreksverslag dat naar de huisarts van [zoon klaagster] is gezonden, geschreven dat er verder geen aanwijzingen zijn voor onderliggende medische noodzaak dan wel toegebracht letsel.

Ten aanzien van het niet opvolgen van de aanbevelingen van de klachtencommissie door het rode vinkje in het dossier van [zoon klaagster] niet te verwijderen, verwijst de zorgaanbieder naar de landelijke Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling alsmede naar de richtlijn van de KNMG ‘Omgaan met medische gegevens’. Op grond hiervan is de zorgaanbieder van mening dat de melding niet verwijderd kan worden.

Over de beweerde starheid van het ziekenhuis waardoor een oplossing wordt belemmerd, wijst de zorgaanbieder op het feit dat klaagster is uitgenodigd voor een gesprek, maar dat zij hiervan zelf heeft afgezien.

De zorgaanbieder stelt zich ten slotte op het standpunt dat er geen grondslag is voor het toekennen van de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 5.000,–, omdat geen sprake is van een onrechtmatige daad, lichamelijk opgelopen letsel, aantasting in eer of goede naam, dan wel aantasting in de persoon.

De zorgaanbieder verzoekt dan ook de klacht van klaagster ongegrond te verklaren, dan wel gegrond te verklaren zonder toekenning van de gevorderde schadevergoeding.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Er is gehandeld conform de procedure Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Er hoeft slechts één van de eerste vier vragen van het SPUTOVAMO-formulier met ‘nee’ te worden beantwoord om een positieve uitslag te krijgen. Omdat een spiraalbreuk niet vaak voorkomt bij jonge kinderen, het letsel niet paste bij het incident en [zoon klaagster] al eerder op de SEH was gezien, is het SPUTOVAMO-formulier positief ingevuld. In dit geval speelde tevens een rol dat er sprake was van delay tussen het trauma en het bezoek aan de SEH. Er is wel bij vermeld dat er een plausibele verklaring voor was. Op het spreekuur kindermishandeling vindt aanvullend onderzoek naar de oorzaak van het letsel plaats, daarvoor is de SEH minder geschikt.
De SEH-arts heeft onjuist en onvolledig gecommuniceerd over de reden van het bezoek aan de kinderarts; daarvoor heeft hij ook zijn excuses aangeboden. Waar in het overleg van 19 april 2016 is gesproken over een misverstand, is bedoeld dit misverstand in de communicatie ten aanzien van de reden van de verwijzing.

De richtlijn van de KNMG ‘Omgaan met medische gegevens’ is leidend. Deze maakt onderdeel uit van de professionele standaard die artsen moeten volgen en het tuchtcollege verwijst er ook naar. Een arts kan er gemotiveerd van afwijken indien dit in het belang van het kind is. In dit geval heeft de zorgaanbieder het rode vinkje niet verwijderd, omdat zij het van belang acht dat het dossier compleet is en blijft.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De SEH-arts heeft [zoon klaagster] op 23 maart 2016 op de SEH gezien nadat [zoon klaagster] van de trap was gevallen en hierbij letsel had opgelopen. Op 25 maart 2016 heeft de SEH-arts in de anamnese vastgelegd dat [zoon klaagster] op de avond van 22 maart 2016 de laatste drie treden van de trap heeft gemist bij het draaien en hierdoor een pijnlijke rechter enkel en onderbeen heeft opgelopen. Voorts is vastgelegd dat [zoon klaagster] die nacht goed heeft kunnen slapen, maar dat het rechterbeen bij het opstaan te pijnlijk was om sokken aan te doen. De SEH-arts concludeert dat sprake is van een spiraalfractuur.
Na het bezoek van [zoon klaagster] aan de SEH heeft de SEH-arts een kinderarts geraadpleegd over de vraag of het SPUTOVAMO-formulier al dan niet positief moest worden ingevuld. Deze arts adviseerde om bij twijfel het formulier positief in te vullen. Als redenen hiervoor werden genoemd dat een spiraalbreuk niet vaak voorkomt bij jonge kinderen die van de trap zijn gevallen, er enige tijd was verstreken voordat [zoon klaagster] naar de SEH werd gebracht en [zoon klaagster] al eerder op de SEH was gezien.

De commissie merkt allereerst op dat de manier waarop het formulier is opgesteld, namelijk door het na de eerste vier vragen vermelden van de zinsnede: “Bij beantwoording van bovenstaande vragen met NEE is SPUTOVAMO positief”, impliceert dat alle vragen met ‘nee’ moeten worden beantwoord voordat sprake kan zijn van een positieve uitslag. Uit de ter zitting gegeven toelichting door de kinderarts blijkt echter dat beantwoording van slechts één vraag met ‘nee’ voldoende is om tot een positieve uitslag te komen. In het elektronisch patiëntendossier wordt een positieve melding vervolgens zichtbaar door middel van een roodgekleurd vakje. Doet deze situatie zich voor, dan is aanvullend onderzoek nodig om de werkelijke oorzaak van het letsel te kunnen vaststellen. Het vakje in het dossier blijft roodgekleurd, zelfs indien uit het aanvullend onderzoek blijkt dat van toegebracht letsel geen sprake was.

De commissie is van oordeel dat het SPUTOVAMO-formulier in dit geval ten onrechte positief is ingevuld, aangezien er geen aanleiding was voor een vermoeden van toegebracht letsel. In de anamnese d.d. 25 maart 2016 ligt immers de oorzaak van de spiraalbreuk, te weten een val van de trap in combinatie met een draaiende beweging, al besloten. Voorts is in dit stuk de reden van het zogenoemde delay tussen het trauma en het bezoek aan de SEH terug te vinden. Op de avond van de val heeft [zoon klaagster] geen dermate hevige pijnklachten geuit die noopten tot een onmiddellijk bezoek aan de SEH. Niets wijst erop dat de SEH-arts tijdens het bezoek van [zoon klaagster] aan de SEH op 23 maart 2016 een vermoeden van toegebracht letsel had. Dit wordt door hem bevestigd in zijn brief d.d. 28 juli 2016 aan de voorzitter van de klachtencommissie waarin hij heeft opgemerkt dat het verhaal van de opa van [zoon klaagster] hem consequent leek en dat hij geen hoog vermoeden van toegebracht letsel had.

In navolging van de klachtencommissie is de commissie dan ook van oordeel dat de positieve SPUTOVAMO-melding uit het elektronisch patiëntendossier moet worden verwijderd. Dat de richtlijn van de KNMG ‘Omgaan met medische gegevens’ anders voorschrijft, doet aan dit oordeel niet af, nu de richtlijn geen wettelijke status heeft en er, zoals de zorgaanbieder ter zitting ook heeft aangegeven, gemotiveerd van kan worden afgeweken. De feiten en omstandigheden in dit concrete geval, te weten de mogelijk stigmatiserende werking van het rode vakje, het feit dat klaagster huiverig is voor eventuele volgende bezoeken aan de SEH, alsmede de mogelijk nadelige gevolgen ervan voor de carrière van klaagster, maken dat van deze mogelijkheid om van de richtlijn af te wijken, gebruik moet worden gemaakt, in die zin dat de positieve SPUTOVAMO-melding uit het dossier moet worden verwijderd.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 5.000,– geldt het volgende. Het toekennen van een vergoeding is mogelijk indien er geestelijk letsel is dat kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. De commissie acht voldoende aannemelijk dat klaagster gedurende langere tijd onder de hiervoor geschetste gang van zaken emotioneel en psychisch heeft geleden. Aldus ligt een vergoeding van immateriële schade in de rede. De commissie acht evenwel niet het gehele gevorderde bedrag van € 5.000,– voor toewijzing vatbaar, maar zal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het bedrag vaststellen op € 1.000,–.

Nu de klacht van klaagster gegrond wordt verklaard, ziet de commissie voorts aanleiding de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding aan klaagster van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 77,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht van klaagster gegrond;

bepaalt dat de zorgaanbieder aan klaagster een bedrag van € 1.000,– aan immateriële schadevergoeding dient te betalen, en dat die betaling binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies plaatsvindt;

bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie aan klaagster het klachtengeld ten bedrage van € 77,50 dient te vergoeden;

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus beslist op 10 mei 2017 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.