Taxatie zonder toestemming leidt tot berisping voor taxateur

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Uitspraak   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 735879/938107

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze zaak gaat over een klacht van een vrouw tegen een taxateur die in opdracht van haar ex-man een taxatie heeft uitgevoerd van hun gezamenlijke woning, zonder haar toestemming of medeweten. De taxateur had haar naam als mede-opdrachtgever op het taxatieformulier gezet, terwijl zij daar geen akkoord voor had gegeven. De handtekening van de vrouw was elektronisch vervalst en alle communicatie verliep via het e-mailadres van haar ex-man. Ondanks meerdere verzoeken van de vrouw om haar naam te verwijderen uit de opdracht, reageerde de taxateur niet persoonlijk en weigerde hij dit te doen. Pas na de zitting heeft hij contact opgenomen met de ex-man en de opdracht aangepast. De commissie vindt dat de taxateur onzorgvuldig heeft gehandeld en de regels van de beroepscode heeft overtreden. Hij had de vrouw moeten informeren en haar toestemming moeten vragen, zeker gezien de gevoelige situatie van een echtscheiding. De klacht is daarom gegrond. De taxateur krijgt een berisping en moet het klachtengeld van €99,99 aan de vrouw terugbetalen. Ook moet hij bijdragen aan de kosten van de behandeling van de klacht. Het verzoek van de vrouw om excuses af te dwingen wordt afgewezen, omdat de commissie daar niet over mag oordelen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De klager heeft de klacht voorgelegd aan beklaagde.

Het geschil betreft de gang van zaken bij het uitvoeren van een taxatie door beklaagde.

Standpunt van de klaagster

Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Beklaagde heeft in opdracht van de ex-echtgenoot van klaagster (hierna te noemen: de man) zonder medeweten/goedkeuring van klaagster een taxatie uitgevoerd van de woning waarvan klaagster en de man gezamenlijk eigenaar waren. De taxatie heeft plaatsgevonden in het kader van de echtscheiding van klaagster en de man. De man is een goede zakelijke kennis van de eigenaar van het kantoor waarbij beklaagde werkzaam is. Beklaagde heeft klaagster als mede-opdrachtgever in de taxatieopdracht gezet, maar heeft verzuimd haar te benaderen. De taxatie-opdracht is elektronisch ondertekend, maar zeker niet door klaagster. De man heeft de handtekening van klaagster blijkbaar elektronisch vervalst. Bij telefonische navraag hiernaar bij het kantoor van beklaagde deelde de secretaresse klaagster mede dat deze opdracht uitsluitend naar het e-mailadres van de man is verstuurd. Dit terwijl de man en klaagster twee jaar geleden samen bij het kantoor de woning hadden aangekocht en beklaagde daarom beschikte over de gegevens van klaagster. Beklaagde heeft geen enkele poging gedaan om klaagster op de hoogte te stellen van het feit dat er een taxatie was aangevraagd. Omdat klaagster van niets wist, is zij niet bij de taxatie aanwezig geweest.

Beklaagde heeft de herhaaldelijke verzoeken van klaagster om haar naam als opdrachtgever uit de opdracht te halen, afgewezen. De man wil nu dat klaagster de helft van de taxatiekosten aan hem vergoedt, terwijl zij geen opdracht voor de taxatie heeft gegeven.

Klaagster verlangt dat beklaagde haar naam als opdrachtgever uit de opdracht verwijdert en haar excuses aanbiedt.

Standpunt van beklaagde

Voor het standpunt van beklaagde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Beklaagde heeft geprobeerd het taxatierapport te laten ontkoppelen door het NWWI (Nederlands Woning Waarde Instituut) om zo klaagster als opdrachtgever te verwijderen uit de opdrachtvoorwaarden. Echter, het rapport is ouder dan zes maanden en is reeds gearchiveerd. Het rapport kan daarom niet worden ontkoppeld. Daardoor kunnen de opdrachtvoorwaarden niet worden aangepast. Beklaagde heeft telefonisch contact opgenomen met de man. Hij heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de verwijdering van klaagster als tweede opdrachtgever. Dit is ook via de e-mail bevestigd. Beklaagde heeft de overeenkomst inmiddels in die zin aangepast.

Beklaagde biedt klaagster haar oprechte excuses aan voor de gang van zaken.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader

De commissie heeft tot taak het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van makelaars ten tijde van de periode van de aansluiting (op welke wijze dan ook) bij één van de aangesloten organisaties, dat mogelijk in strijd is met:
• het bepaalde in de statuten van de aangesloten organisaties, reglementen, besluiten van zijn organisatie of relevante wet- en regelgeving en/of
• het vertrouwen in de stand van de sector, waarin de makelaar actief is of was, kan ondermijnen en/of
• in strijd is met de eer van die stand, respectievelijk de erecode dan wel gedragscode van zijn organisatie en/of
• in strijd is met bepalingen in de faciliteitenovereenkomst, voor zover van toepassing.

De commissie doet dat door een uitspraak over de klacht te doen. De commissie kan – indien zij komt tot een gegrondverklaring van de klacht – een sanctie opleggen, zoals genoemd in artikel 13 lid 2 van het reglement.

De commissie dient de vraag te beantwoorden of beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens klaagster. De maatstaf die in de rechtspraak wordt aangehouden voor de beoordeling van deze vraag is of de beroepsbeoefenaar heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.

Beklaagde is lid van de Nederlandse Coöperatieve Vereniging van Makelaars en Taxateurs in onroerende goederen NVM U.A. (NVM). Als zodanig is op haar (onder meer) de Erecode NVM van toepassing.

De klacht

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat de man bij (het kantoor van) beklaagde op 22 mei 2024 een taxatie heeft aangevraagd van de woning, waarvan hij en klaagster gezamenlijk eigenaar waren. Klaagster is opgetreden als taxateur. Zij heeft op de ‘Overeenkomst voor taxatie van een woning’ van 23 mei 2024 klaagster als tweede opdrachtgever en medeondertekenaar van de opdracht vermeld. Klaagster is het daar niet mee eens.

Vast is komen te staan dat klaagster niet op de hoogte was van de aanvraag van de man en dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de taxatie. Beklaagde heeft geen contact met klaagster opgenomen om te vragen of zij akkoord ging met de opdracht en de daaraan verbonden voorwaarden. Dit had naar het oordeel van de commissie wel op haar weg gelegen, zeker nu beklaagde wist dat sprake was van een echtscheidingssituatie. Daardoor was extra voorzichtigheid geboden. Dat beklaagde klaagster – zoals zij ter zitting heeft verklaard – in de overeenkomst heeft opgenomen om ook haar inzicht te kunnen geven in het taxatierapport, neemt niet weg dat zij dit niet zonder toestemming van klaagster had mogen doen. De commissie stelt voorts vast dat klaagster beklaagde in augustus en september 2024 diverse e-mails heeft gestuurd, waarin zij zich erover heeft beklaagd dat zij in de overeenkomst als tweede opdrachtgever is vermeld, zonder dat zij toestemming heeft gegeven voor de taxatie. Daarbij heeft zij beklaagde verzocht haar naam uit de overeenkomst te verwijderen. Ook naar aanleiding van deze e-mails heeft beklaagde geen persoonlijk contact opgenomen met klaagster. Zij heeft simpelweg geweigerd aan het verzoek van klaagster te voldoen, waarbij zij volledig is voorbijgegaan aan de inhoudelijke bezwaren van klaagster. Klaagster heeft vervolgens op 5 november 2024 een klacht ingediend bij de commissie. Ook toen heeft beklaagde geen actie ondernomen, ook niet nadat zij – zoals zij ter zitting heeft erkend – op 10 maart 2025 de door klaagster ingediende stukken had gedownload. Pas na de zitting van 3 juni 2025 is beklaagde gaan handelen; zij heeft telefonisch contact opgenomen met de man en vervolgens – met zijn instemming -alsnog de overeenkomst aangepast en klaagster verwijderd als tweede opdrachtgever.

Dat het vóór 3 juni 2025 kennelijk op geen enkel moment in het proces bij de beklaagde is opgekomen om persoonlijk contact op te nemen met klaagster, acht de commissie onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Door haar handelwijze heeft beklaagde – de artikelen 2 tot en met 4, en 9 en 10 van – de Erecode NVM geschonden.

Conclusie en maatregel

De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht van klaagster gegrond is. Omdat de klacht gegrond is, kan de commissie beklaagde een maatregel opleggen. Zij zal beklaagde onder verwijzing naar artikel 13 lid 2 sub b van haar reglement een berisping opleggen.

Klachtengeld en behandelingskosten

Nu de klacht van klaagster gegrond is, zal beklaagde – overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van het reglement van de commissie – aan klaagster het klachtengeld dat zij aan de commissie heeft betaald voor de behandeling van dit geschil, moeten vergoeden. Dit is een bedrag van € 99,99. Bovendien is beklaagde op grond van artikel 15 lid 1 van dat reglement aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten verschuldigd. De commissie is niet bevoegd te oordelen over het verzoek van klaagster beklaagde te veroordelen tot het maken van excuses. De commissie zal zich ter zake van dit verzoek dan ook niet bevoegd verklaren.

Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van klaagster gegrond;
– verklaart zich niet bevoegd ter zake het verzoek van klaagster beklaagde te veroordelen tot het maken van excuses;
– legt beklaagde een berisping op;
– veroordeelt beklaagde tot vergoeding aan klaagster van het klachtengeld, ten bedrage van € 99,99. Betaling dient binnen één maand na verzending van dit bindend advies plaats te vinden;
– bepaalt dat beklaagde behandelingskosten aan de commissie moet voldoen;
– wijst het meer af anders verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer P.C.A. van Ingen, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 1 juli 2025.

Opslaan als PDF