Tekortgeschoten bij diagnose knieletsel. Verdere verloop zou niet anders zijn geweest

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1655/11438

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Cliënt heeft knieletsel opgelopen. Cliënt verwijt de zorgaanbieder een fors band- en zenuw letsel over het hoofd te hebben gezien, waardoor hij nu ernstige functiebeperkingen heeft. De zorgaanbieder stelt dat er op het moment van presenteren op de Spoedeisende Hulp geen reden was te vermoeden dat er ernstig onderliggend letsel aanwezig zou zijn. Wel was het beter geweest cliënt een week later te laten terugkomen, maar de klachten zouden daarmee niet zijn voorkomen. De commissie is van oordeel dat de behandelend arts met betrekking tot het stellen van de diagnose van onderliggende aandoeningen tekort is geschoten. Er had (een week later) een gespecialiseerde arts naar de knie moeten kijken. Maar met een andere behandeling zou het verdere verloop van de klachten naar het oordeel van de commissie niet wezenlijk anders zijn geweest, zodat er geen schadevergoeding wordt toegekend.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen:
[Cliënt], wonende te [plaats] en Admiraal De Ruyter Ziekenhuis, gevestigd te Goes (hierna te noemen: zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken. De behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2019 te Den Haag. Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De cliënt werd ter zitting bijgestaan door de heer [naam], bewindvoerder. Ter zitting werd zorgaanbieder vertegenwoordigd door mevrouw [naam], mevrouw [naam], SEH-arts, en mevrouw [naam], stafmedewerkster bestuursbureau.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt is op 18 september 2018 gevallen en heeft daarbij een knieletsel opgelopen. Een arts (ANIOS) op de spoedeisende hulp (SEH) heeft de wond behandeld en gehecht zonder nader onderzoek te verrichten. Maanden later is bij aanvullend orthopedisch onderzoek vastgesteld dat een fors band- en zenuw letsel over het hoofd is gezien. Hierdoor heeft cliënt ernstige functiebeperkingen aan het letsel overgehouden, waaronder een klapvoet. Op grond van het geldende protocol knieletsel had cliënt na een week op controle moeten komen. Door de dienstdoende arts is geen vervolgafspraak in het ziekenhuis gemaakt waardoor veel te lang is gewacht alvorens de definitieve diagnose is gesteld. Cliënt heeft een klacht ingediend bij klachtenfunctionaris, hetgeen heeft geleid tot een advies van de patiëntenveiligheidscommissie (PVC).
De PVC heeft geconcludeerd dat de kwaliteit van de zorg in het geding is geweest: het knieletsel is te licht beoordeeld waardoor passend protocol knieletsel niet is gevolgd. De cliënt eist een schadevergoeding van € 25.000, subsidiair een in redelijkheid door de commissie vast te stellen bedrag, vanwege ernstige functiebeperkingen als gevolg van deze fout. Cliënt kan niet of nauwelijks (althans niet zonder hulpmiddel) meer lopen waardoor zijn mobiliteit ernstig is beperkt.

Ter zitting heeft cliënt zijn standpunt nader toegelicht. Als hij na een week op het traumaspreekuur was gekomen en door een orthopeed was gezien, had hij geopereerd kunnen worden en was de kans groter geweest dat hij geen mobiliteitsproblemen zou hebben overgehouden aan het letsel. Op de SEH heeft geen volledig onderzoek plaatsgevonden. Het was verdoven, hechten en wegwezen.

Standpunt van zorgaanbieder
Voor het standpunt van zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Bij cliënt was op het moment van presenteren op de SEH geen reden te vermoeden dat ernstig onderliggend letsel aanwezig zou zijn. De anamnese gaf dit niet aan en ook de röntgenfoto liet geen aanwijzingen van mogelijk ernstig letsel zien. De strekfunctie is beoordeeld en het strekapparaat was intact. De wond is gehecht en de hechtingen dienden door de huisarts na 10 dagen te worden verwijderd. De SEH arts heeft wel de gewoonte om een patiënt na een week terug te laten komen op het traumaspreekuur. Niet meer valt te achterhalen waarom dit bij deze cliënt niet is gebeurd. Achteraf was het beter geweest als cliënt na een week op het traumaspreekuur was gezien. Het ziekenhuis betwist het verband tussen het niet geven van een controleafspraak – los van de mogelijke verwijtbaarheid hiervan – en de mobiliteitsproblemen die cliënt thans ervaart. Ook met een behandeling van een brace of gips na een week door de orthopeed zou het eindresultaat van een beschadigde knie en pijnklachten niet anders zijn geweest, gelet op de bestaande pijn- en gewrichtsproblemen die cliënt reeds voor de val ondervond. Het ziekenhuis verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren en de vordering af te wijzen.

Ter zitting heeft het ziekenhuis aangegeven dat inmiddels het protocol is bijgesteld en dat thans dergelijke knieblessures altijd na een week worden herbeoordeeld. Ook het elektronische patiëntendossier is aangepast met een zogenaamd vinkje waarmee de vervolgafspraak wordt bevestigd.

Beoordeling van het geschil
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval het ziekenhuis) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven.
Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt. Het ziekenhuis heeft erkend dat het protocol dat geldt voor een knieletsel niet is gevolgd en ter zitting melding gemaakt van verbeteringen die naar aanleiding van de klacht van cliënt zijn doorgevoerd.

Ter zitting heeft de SEH-arts, die die dag de supervisie had, gesteld dat niet meer is te achterhalen waarom er bij deze cliënt geen vervolgafspraak is gemaakt. Normaal gesproken zou deze afspraak wel degelijk zijn gemaakt. De commissie stelt vast dat de verslaglegging in het patiëntendossier onvoldoende is geweest.

Ten aanzien van de behandeling van de knie op de SEH overweegt de commissie als volgt.
De commissie is van oordeel dat de behandelend arts met betrekking tot het stellen van de diagnose van onderliggende aandoeningen tekort is geschoten. De enkele omstandigheid dat cliënt zijn been kon strekken betekent nog niet dat daarmee een neurologisch probleem kon worden uitgesloten. Gezien het letsel had het in de rede gelegen om hetzij op 18 september 2018 hetzij in de week daarna een gespecialiseerde arts naar de knie te laten kijken. Dit is niet gebeurd. De commissie is gezien het vorenstaande van oordeel dat de arts op de spoedeisende hulp niet die zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. In zoverre is de klacht gegrond.

Cliënt heeft ter zitting opgemerkt dat hem een kans op herstel van zijn mobiliteit is ontnomen door de niet tijdige diagnose van het zenuwletsel. Cliënt vordert van het ziekenhuis een schadevergoeding van € 25.000,–.

Voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis is vereist dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis is tekortgeschoten in de uitvoering van de medische behandeling. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden. Zoals de commissie heeft overwogen is het ziekenhuis tekort geschoten in de behandeling van cliënt. Naar het oordeel van de commissie heeft het ziekenhuis verwijtbaar gehandeld. De vraag is dan of de schade, de verminderde mobiliteit als gevolg van een klapvoet, voorkomen had kunnen worden bij een tijdige diagnose van dit zenuwletsel. De commissie heeft uit het overgelegde medisch dossier vastgesteld dat in de knie de nervus peroneus is beschadigd. Ambtshalve is haar bekend dat de kans op herstel van een beschadigde nervus peroneus door middel van een medische ingreep vrijwel nihil is. Ook indien dit zenuwletsel tijdens de eerste diagnose dan wel een week later op de traumapoli zou zijn geconstateerd en de cliënt een andere behandeling zou hebben gekregen, zou het verdere verloop van de klachten naar het oordeel van de commissie niet wezenlijk anders zijn geweest. De klapvoet die cliënt aan dit letsel heeft overgehouden had naar alle waarschijnlijkheid ook met een medische ingreep niet voorkomen kunnen worden. Nu er geen causaal verband kan worden gelegd tussen de medische behandeling en de verminderde mobiliteit van cliënt, is er geen grond voor toekenning van een schadevergoeding aan cliënt. De commissie wijst deze vordering dan ook af.

Klachtengeld/behandelingskosten
Nu de klacht van cliënt gegrond wordt verklaard, ziet de commissie aanleiding het ziekenhuis te veroordelen tot vergoeding aan cliënt van het door hem betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 105,37.
Het ziekenhuis zal tevens worden veroordeeld in de behandelingskosten van dit geschil.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft naar het oordeel van de commissie geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht gegrond maar wijst de vordering om schadevergoeding af.

De zorgaanbieder dient, overeenkomstig het reglement van de commissie, een bedrag van € 105,37 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer prof. dr. B.J. van Royen, orthopeed, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 16 december 2019.