Uitleg behandeltraject na eerste operatie ontoereikend. Bejegening cliënt door gipskamer en dokter had beter gekund.

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On) zorgvuldigheid / communicatie en bejegening (onvoldoende)    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 208982/225558

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De commissie wijst een klacht af over de, volgens cliënt, onnodig lang aanhoudende, niet serieus genomen, pijnklachten na twee operaties aan haar enkel in verband met een gecompliceerde enkelbreuk, maar wijst de klacht over gebrekkige communicatie en de wijze van bejegening ten dele toe. De commissie wijst de vordering tot betaling van schadevergoeding af wegens een gebrek aan causaal verband.

Volledige uitspraak

Samenvatting

De commissie wijst een klacht af over de, volgens cliënt, onnodig lang aanhoudende, niet serieus genomen, pijnklachten na twee operaties aan haar enkel in verband met een gecompliceerde enkelbreuk, maar wijst de klacht over gebrekkige communicatie en de wijze van bejegening ten dele toe. De commissie wijst de vordering tot betaling van schadevergoeding af wegens een gebrek aan causaal verband.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door de heer dr. [naam chirurg] (chirurg) en mevrouw mr. drs. [naam] (bedrijfsjurist).

De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2023 te Zwolle.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling

Het standpunt van de cliënt

Cliënt is op 22 oktober 2020 na een val van de trap door dr. [naam] geopereerd aan een trimalleolaire enkelfractuur rechts. Aan de binnenkant van de enkel zijn twee schroeven gezet en is het aldaar gescheurde stukje bot (waaraan de enkelbanden waren verbonden) aan het scheenbeen vastgezet. Na ontslag uit het ziekenhuis bleef cliënt veel pijn houden. In verband met die pijn is cliënt vaak terug geweest in het ziekenhuis. Er hebben twee gipswissels plaatsgevonden en op 2 december 2020 is het gips definitief verwijderd. Volgens cliënt is haar niet uitgelegd hoe het revalidatietraject eruit zou zien. Dokter [naam]  heeft nadat het gips was verwijderd slechts aan haar medegedeeld dat ze de enkel 100% kon belasten bij de fysiotherapeut. Na het verwijderen van het gips zijn er diverse contactmomenten met het ziekenhuis geweest en is aan cliënt zware pijnstilling, zoals diclofenac® en tramadol®, voorgeschreven. Er zijn röntgenfoto’s en CT-scans gemaakt en aan cliënt is een afneembare anti-spitsbrace aangemeten. De fysiotherapie die cliënt in de tussentijd heeft gehad, was er volgens cliënt op gericht om haar enkel wat ‘losser’ te krijgen, maar cliënt kon naar eigen zeggen nauwelijks op haar rechterbeen staan. Volgens de fysiotherapeut was sprake van dystrofie, maar daar heeft het ziekenhuis volgens cliënt niets mee gedaan.

In verband met pensionering van dokter [naam] heeft dokter [naam chirurg] de behandeling van cliënt overgenomen. Op 5 maart 2021 heeft dokter [naam chirurg] cliënt voor het eerst gezien op de polikliniek. Dokter [naam chirurg] heeft daarbij een losliggend botfragment geconstateerd en heeft voorgesteld om opnieuw te opereren, hetgeen op 29 maart 2021 is gebeurd. Volgens cliënt heeft dokter [naam chirurg] haar wel goed uitgelegd hoe het revalidatietraject zou verlopen. Dokter [naam chirurg] heeft haar echter niet verteld dat het losliggend botfragment tijdens de (tweede) operatie is gespleten. Dit is cliënt eerst voorafgaand aan een derde operatie in de [naam andere zorgkliniek] in Nijmegen gebleken. Volgens cliënt heeft dokter [naam chirurg] na de tweede operatie aan haar medegedeeld dat het botje via de enkelband waar het botje aan vastzat, aan een schroef was vastgemaakt. Volgens cliënt is niet aan haar verteld dat het botje is gespleten en dat daardoor de bevestiging aan de schroef niet mogelijk was.

Na de tweede operatie is cliënt bij de fysiotherapeut begonnen met de revalidatie. Cliënt heeft bij de fysiotherapeut geoefend met lopen. In die periode is cliënt nog een keer gevallen, waardoor de revalidatie even is gestagneerd, maar cliënt heeft de revalidatie al snel weer fanatiek voortgezet, omdat ze weer mobiel wilde worden en zelfstandig wilde kunnen functioneren. Dat ging volgens cliënt echter helemaal mis. Er was doorlopend sprake van vochtophoping in de voet en cliënt kon naar eigen zeggen niets meer.

Volgens cliënt is achteraf gebleken dat het losse botfragment bij de eerste operatie niet is gefixeerd. Daardoor schuurde volgens cliënt de schroef tegen de pees met als gevolg dystrofie en in augustus 2021 een ‘shin-splint’. Dokter [naam chirurg] heeft haar verwezen naar de revalidatie- en pijnpolikliniek. Naar aanleiding daarvan heeft op 21 september 2021 een telefonisch consult bij dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] (anesthesioloog-pijnspecialist in het ziekenhuis van zorgaanbieder) plaatsgevonden. Cliënt heeft ondertussen om verwijzing naar de [naam andere zorgkliniek] verzocht en daar heeft dokter [naam chirurg] aan meegewerkt. Volgens cliënt heeft dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] haar op uiterst arrogante wijze te woord gestaan. Volgens dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] had cliënt last van het ‘wind up syndroom’ en was cliënt, omdat ze inmiddels was verwezen naar de [naam andere zorgkliniek], ‘in twee vijvers aan het vissen’, aldus cliënt. Volgens cliënt probeerde dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] haar pijnklachten als psychisch weg te zetten en weigerde hij haar te behandelen. Op dat moment werd in de [naam andere zorgkliniek] een test bij cliënt gedaan met echogeleide injecties in het enkelgewricht, maar cliënt wist nog niet of de [naam andere zorgkliniek]  haar (verder) kon behandelen. Voor behandeling van de pijnklachten was cliënt door dokter [naam chirurg] verwezen naar dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist].

Ook in de [naam andere zorgkliniek] was volgens cliënt de eerste reactie dat haar pijnklachten niet het gevolg konden zijn van een los botfragment in de enkel. Cliënt is op 10 maart 2022 geopereerd in de [naam andere zorgkliniek]. Tijdens de tweede operatie was een botanker aangebracht in de enkel en volgens cliënt was het bij de derde operatie in de [naam andere zorgkliniek] niet de bedoeling om het botanker eruit te halen. Dat is echter wel gebeurd, omdat het botanker los in het bot zat. Volgens cliënt is tijdens de operatie in Nijmegen gebleken dat er sprake was van een los botje en van een hechtingsknoopje op een zenuw. Het botje en het hechtingsknoopje zijn tijdens de operatie verwijderd. Volgens cliënt heeft net boven de enkelknobbel het hechtingsknoopje gezeten. Als ze op die plek drukte, deed dat veel pijn. Volgens cliënt is in Nijmegen vastgesteld dat dokter [naam chirurg] bij de tweede operatie gebruik heeft gemaakt van ongeschikt hechtingsmateriaal waardoor het hechtingsknoopje niet is opgelost. De pijn werd veroorzaakt door een zware ontsteking van het enkelgewricht bij het losliggend botje en bij het botanker dat geen functie had. De andere pijnplek betrof het niet opgeloste hechtingsknoopje dat op de voetzenuw drukte. Cliënt heeft verklaard dat ze in de [naam andere zorgkliniek] een beenblock heeft gekregen en een morfinepompje voor drie dagen om mee naar huis te nemen. Cliënt heeft verklaard geen pijn meer te hebben gehad. Op 21 juni 2022 heeft de eindcontrole door de behandelaar van de [naam andere zorgkliniek] plaatsgevonden. Een jaar na de revalidatie kon cliënt weer lopen, fietsen en autorijden.

Volgens cliënt heeft dokter [naam] haar pijnklachten onvoldoende serieus genomen. Dokter [naam chirurg] is overal wel op ingesprongen maar geen van de artsen heeft naar aanleiding van de door haar gestelde pijnklachten ooit aan haar enkel gevoeld.  Volgens cliënt werden ook in de gipskamer haar pijnklachten vaak niet serieus genomen. Er werd vaak lacherig gereageerd als cliënt zich weer meldde voor een gipswissel in verband met die pijn.  Volgens cliënt was in het ziekenhuis van de zorgaanbieder sprake van tunnelvisie, waardoor ze veel te lang voortdurend hevige pijn heeft ervaren.

Cliënt heeft verzocht om aan haar schadevergoeding toe te kennen van in totaal € 25.000,–. Het gaat daarbij om € 8.000,– voor materiële schade, zoals de kosten van taxivervoer naar en van de fysiotherapeut, het eigen risico van de zorgverzekering voor twee jaar en de kosten van thuiszorg. Daarnaast verzoekt cliënt € 17.000,– aan immateriële schadevergoeding aan haar toe te kennen voor emotionele schade als gevolg van het gedurende 18 maanden volledig afhankelijk zijn van derden en het lijden aan hevige pijnen. Cliënt stelt hierdoor psychische klachten te hebben gekregen.

Het standpunt van de zorgaanbieder

Volgens dokter [naam chirurg] vindt na een operatie, zoals cliënt die heeft ondergaan, eerst gipsbehandeling plaats en wordt een patiënt vervolgens verwezen naar een fysiotherapeut. Vanaf het moment dat cliënt bij dokter [naam chirurg] op de polikliniek op consult kwam, heeft hij eerst gekeken naar mogelijke oorzaken van de pijn. Er zijn MRI-scans en foto’s gemaakt. Op basis van een op 5 maart 2021 gemaakte CT-scan werd duidelijk dat aan de binnenzijde van de rechterenkel sprake was van een losliggend botfragment. Dit botfragment werd niet ‘gepakt’ door de schroef die was gebruikt om het gescheurde stukje bot aan het scheenbeen vast te zetten. De schroef zat volgens dokter [naam chirurg] niet op de juiste plek. Dokter [naam chirurg] heeft de schroef er bij de operatie op 29 maart 2021 uitgehaald en heeft de binnenste enkelband vastgezet aan het scheenbeen met een botanker. De hechtingen zijn aangebracht door de enkelband. Het ‘losse’ botfragment zat in de enkelband. Volgens dokter [naam chirurg] vertelt hij een patiënt doorgaans hetzelfde als wat hij in het operatieverslag schrijft en in het operatieverslag heeft dokter [naam chirurg] vermeld dat het niet is gelukt om het botfragment met een staaldraad aan het scheenbeen vast te zetten. Na de tweede operatie is cliënt wederom gedurende circa zes weken van gips voorzien, waarna de behandeling door de fysiotherapeut is voortgezet. Op 11 mei 2021 was de pijnstilling afgebouwd naar paracetamol. Op 2 juli 2021 heeft dokter [naam chirurg] bericht van de fysiotherapeut ontvangen dat het herstel goed was verlopen totdat cliënt door een misstap opnieuw veel pijn had. Op 8 juli 2021 is cliënt door dokter [naam chirurg] opnieuw onderzocht op de polikliniek. Daarna zijn nog diverse consulten in verband met hevige pijnklachten bij dokter [naam chirurg] gevolgd. Er heeft röntgenonderzoek plaatsgevonden en er zijn MRI-scans en CT-scans gemaakt.  Op die aanvullende beeldvorming zag dokter [naam chirurg] dat het botanker was verzonken in het bot en dat  geen fractuur of ontsteking te zien was. Op 26 augustus 2021 heeft dokter [naam chirurg] dan ook aan cliënt medegedeeld dat hij chirurgisch op dat moment geen behandeloptie zag. Dokter [naam chirurg] heeft cliënt verwezen naar de pijnpolikliniek en de revalidatiearts. Op verzoek van cliënt is ondertussen verwijzing voor een second opinion naar de [naam andere zorgkliniek] in gang gezet.

Dokter [naam chirurg] heeft verklaard dat hij bij de door hem uitgevoerde (tweede) operatie niet oplosbare hechtingen heeft gebruikt om de enkelbanden aan de binnenzijde van de enkel te fixeren aan het scheenbeen. Alle andere hechtingen die bij de tweede operatie zijn gebruikt, waren oplosbare hechtingen.

Dokter [naam chirurg] heeft verklaard in augustus 2021 niet te hebben overwogen zelf nog een keer te opereren, omdat de tweede operatie recent had plaatsgevonden. Dokter [naam chirurg] wilde wachten tot littekenvorming had plaatsgevonden. Er zou bij een derde operatie in dit stadium nog niets kunnen worden verwijderd, omdat het materieel er pas kan worden uitgehaald als de breuk of banden zijn geheeld.

Vóór de misstap was er volgens dokter [naam chirurg] sprake van duidelijke verbetering. Dokter [naam chirurg] ging ervan uit dat het revalidatieproces door de misstap wat langer ging duren. Dokter [naam chirurg] heeft erop gewezen dat de operatie in de [naam andere zorgkliniek] ook eerst een jaar na de tweede operatie heeft plaatsgevonden. Wellicht was, indien er geen verwijzing naar de [naam andere zorgkliniek] had plaatsgevonden, in een later stadium uit aanvullende beeldvorming ook de ontsteking vastgesteld. Volgens dokter [naam chirurg] is het maximale gedaan. Er is op elke melding van cliënt over pijn geacteerd. Er is geen zorg onthouden. Het hersteltraject in het geval van een dergelijke gecompliceerde breuk duurt lang en soms blijven patiënten klachten houden.

Wat betreft het onthouden van zorg door dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] heeft de zorgaanbieder het volgende aangevoerd. Dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] was op de hoogte van de verwijzing voor een second opinion naar de [naam andere zorgkliniek] en wilde het traject bij de [naam andere zorgkliniek] niet doorkruisen. Het leek hem het meest aangewezen dat de pijnbehandeling ook in de [naam andere zorgkliniek] zou plaatsvinden. Dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] heeft ook geen verzoek om pijnbehandeling van de [naam andere zorgkliniek] ontvangen. Later is gebleken dat de [naam andere zorgkliniek] op 29 november 2021 een mededeling aan dokter [naam chirurg] en de huisarts van cliënt heeft gestuurd waarin ten onrechte is vermeld dat cliënt op de pijnpoli van het ziekenhuis van de zorgaanbieder in Apeldoorn zou deelnemen aan een pijnbehandelingstraject. Die mededeling was onjuist en heeft dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] ook nooit bereikt. Er is dus sprake geweest van een misverstand en niet van een weigering om cliënt op dat vlak zorg te bieden. Het is juist dat dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] tijdens het telefoongesprek aan cliënt heeft uitgelegd dat hij de aanwezigheid van een wind up syndroom bij cliënt opportuun achtte, maar daarmee heeft hij niet bedoeld te zeggen dat de pijnklachten van cliënt een psychische oorzaak hadden.

Volgens de zorgaanbieder hebben de zorgverleners gehandeld, zoals van redelijk handelende en redelijk bekwame vakgenoten onder gelijke omstandigheden verwacht mag worden. De zorgaanbieder verzoekt de vordering van cliënt tot vergoeding van schade af te wijzen, nu er geen rechtsgrond bestaat om tot schadevergoeding over te gaan.

De commissie overweegt als volgt.

De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst die tussen cliënt en de zorgaanbieder is gesloten. Bij de uitvoering van de overeenkomst moet de hulpverlener de zorgplicht in acht nemen. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting.

De commissie zal de klacht onderverdeeld in de volgende klachtonderdelen behandelen:

  1. De operaties zijn niet naar behoren uitgevoerd;
  2. de pijnklachten van cliënt zijn onvoldoende serieus zijn genomen, waardoor de nabehandelingen niet passend waren en cliënt onnodig lang pijn heeft geleden;
  3. De uitleg over de operaties en over de nabehandelingen was ontoereikend;
  4. De bejegening door de gipskamer en dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] was onheus en een pijnbehandelingstraject werd door dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] geweigerd.

Uit de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting maakt de commissie het volgende op. De enkel van cliënt was op drie plaatsen gebroken, aan de buitenkant, de binnenkant en aan de achterkant. De enkel was daardoor instabiel en moest worden geopereerd. De buiten- en de binnenkant van de enkel zijn tijdens de eerste operatie gefixeerd. Aan de binnenkant van de enkel zijn twee schroeven gezet. Aan de buitenzijde werd de breuk in het kuitbeen met een plaat en schroeven verzorgd. Bij de eerste operatie is geprobeerd het gescheurde stukje bot, waaraan de mediale enkelbanden zijn verbonden, met een schroef aan het scheenbeen vast te zetten. Nadat cliënt in verband met hevige pijnklachten verschillende keren is teruggeweest in het ziekenhuis en er diverse foto’s en scans van de enkel zijn gemaakt, is gebleken dat een botfragmentje aan de binnenkant niet meer aangeschroefd zat. Er is besloten om opnieuw te opereren. Tijdens de tweede operatie heeft dokter [naam chirurg] geprobeerd op het botfragmentje aan te boren en het met een staaldraad aan te ‘spiesen’. Het was de bedoeling om het botfragmentje op die manier vast te zetten aan het scheenbeen, maar dat is niet gelukt, omdat het botje is gespleten. Dokter [naam chirurg] heeft de binnenste enkelbanden vervolgens met twee onoplosbare hechtingen door de enkelbanden aan het botanker (corkscrew) in het scheenbeen vastgezet. Het botfragment bleef vastzitten aan de enkelband. Het is de bedoeling dat de hechtingen ‘verlittekenen’.

De commissie is van oordeel dat wat betreft de operaties geen sprake is van tekortschieten door de zorgaanbieder. De operaties zijn lege artis uitgevoerd. Het is aannemelijk dat het botfragment na de eerste operatie uit de schroef is ‘geschoten’, nu op postoperatieve foto’s, het losse botfragment nog niet was te zien. Wat betreft de tweede operatie overweegt de commissie dat het feit dat het botfragmentje is gespleten en de enkelbanden vervolgens via twee (onoplosbare) hechtingen rechtstreeks aan een corkscrew in het scheenbeen zijn vastgezet, niet leidt tot de conclusie dat sprake is van tekortkomingen tijdens de operatie. Dat geldt ook voor het op deze manier vastzetten van de enkelbanden aan het scheenbeen. Het botfragment kan achterblijven in de enkelband en hoeft niet te worden verwijderd. Ook werd het osteosynthese materiaal dat mogelijk prikkeling van een pees veroorzaakte verwijderd. Wat betreft het hechtingsknoopje is niet aannemelijk geworden dat het over een zenuw heeft gelopen. Het moet dan gaan om een hechting die bij de tweede operatie is aangebracht, nu bij de eerste operatie slechts oplosbare hechtingen zijn gebruikt. Er lopen echter niet veel zenuwen in het gebied waar het hechtingsknoopje zich heeft bevonden. Voorts zit op de plek waar cliënt hevige pijn voelde als ze erop drukte niet de hechting, maar het botanker. Uit onderzoek door de [naam andere zorgkliniek] bleek dat het botanker niet meer goed zat; het botanker zat los, maar de enkelbanden waren wel vastgegroeid aan het scheenbeen. Naar het oordeel van de commissie was het botanker op de juiste wijze aangebracht en is geschikt hechtingsmateriaal gebruikt. Het is mogelijk dat cliënt het ingebrachte materiaal niet goed heeft verdragen waardoor het niet voldoende is vergroeid met het bot. Dat kan de zorgaanbieder echter niet worden aangerekend. De commissie is van oordeel dat klachtonderdeel A ongegrond is.

Wat betreft de behandelingen na de operaties concludeert de commissie dat die conform richtlijnen en protocollen hebben plaatsgevonden. In het geval van een gecompliceerde breuk, zoals die bij cliënt is vastgesteld, dient er na een operatie eerst zes weken met gips te worden nabehandeld. Dat is na beide operaties gebeurd. Vervolgens wordt de behandeling voortgezet met begeleiding door een fysiotherapeut, welke behandeling in het geval van cliënt ook beide keren heeft plaatsgevonden. De commissie is van oordeel dat de pijnklachten van cliënt serieus zijn genomen, gelet op de vele consulten na beide operaties op de polikliniek naar aanleiding van de aanhoudende pijnklachten van cliënt en het veelvuldig aanvragen van aanvullende beeldvorming, zoals scans en foto’s door beide artsen. Ook het feit dat een aantal gipswissels heeft plaatsgevonden om de pijnklachten van cliënt te verlichten, heeft de commissie tot dit oordeel doen komen. De commissie concludeert bovendien dat de behandelingen door de fysiotherapeut na poliklinische controles bij dokter [naam] en dokter [naam chirurg] een aantal keren zijn aangepast. De commissie is van oordeel dat de nabehandeling na beide operaties op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Wat betreft de tijd die tussen de eerste (22 oktober 2020) en de tweede (29 maart 2021) operatie is verstreken, is de commissie van oordeel dat die periode niet te lang heeft geduurd, nu het bot tijd nodig heeft om te helen en het ingebrachte materiaal – voor zover van toepassing – gelegenheid moet hebben om te vergroeien met het bot en/of de banden. De commissie concludeert dat die overwegingen ook ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing van dokter [naam chirurg] om na de tweede operatie (op 29 maart 2021), in augustus 2021 niet (al) opnieuw te opereren. Die beslissing heeft dokter [naam chirurg] op goede gronden genomen, ook omdat uit de beeldvorming in augustus 2021 geen afwijkingen zichtbaar waren die opnieuw opereren rechtvaardigden. De commissie wordt in haar oordeel bevestigd door het feit dat ook de [naam andere zorgkliniek] geruime tijd heeft gewacht met opereren. Cliënt is immers eerst in maart 2022, een jaar na de tweede operatie in het ziekenhuis van de zorgaanbieder, in het Sint Maartensziekenhuis geopereerd. De commissie is van oordeel dat wat betreft de behandelingen na de operaties zorgvuldig is gehandeld door de zorgaanbieder en dat niet aan de zorgaanbieder kan worden verweten dat cliënt langdurig pijn heeft geleden. De commissie is van oordeel dat klachtonderdeel B ongegrond is.

Ten aanzien van de informatieverstrekking over de behandeling na de operaties is de commissie van oordeel dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de informatieverstrekking na de eerste en na de tweede operatie. De commissie acht aannemelijk dat de uitleg over het behandeltraject na de eerste operatie ontoereikend is geweest. Er is niet gebleken dat is uitgelegd dat na de gipsbehandeling een behandeltraject bij de fysiotherapeut zou volgen en hoe dit traject er uit zou zien. De commissie acht aannemelijk, hetgeen ook door cliënt is bevestigd, dat die uitleg er rondom de tweede operatie wel is geweest. Wat betreft de tweede operatie acht de commissie echter onvoldoende gebleken dat na de operatie aan cliënt is verteld dat het niet is gelukt het botfragment aan het scheenbeen vast te zetten, omdat het is gespleten. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder op het gebied van de communicatie op onderdelen is tekortgeschoten. Klachtonderdeel C is dus wat betreft de informatievoorziening over de nabehandeling na de eerste operatie en de informatievoorziening over de gang van zaken tijdens de tweede operatie gegrond. Klachtonderdeel C is voor het overige ongegrond.

Klachtonderdeel D vloeit voort uit het feit dat cliënt zich niet serieus genomen voelde wat betreft haar pijnklachten, in die zin dat ze werden toegeschreven aan psychische problematiek (‘het zat tussen de oren’). Dit is naar het oordeel van de commissie niet aannemelijk geworden, maar de bejegening van cliënt door de gipskamer en door dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] had beter gekund. Wat betreft de bejegening door de gipskamer is de commissie van oordeel dat dit onderwerp voldoende aan de orde is gekomen in de klachtenprocedure bij de zorgaanbieder en dat, nu excuses voor onbedoeld kwetsende grappen en grollen zijn gemaakt, de klacht als afgedaan kan worden beschouwd. Wat betreft het consult bij dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] is de commissie van oordeel dat, gelet op de ernstige langdurige pijnklachten van cliënt, niet volstaan had mogen worden met een telefonisch consult, zoals in casu is gebeurd. Een wind up syndroom is bijvoorbeeld niet vast te stellen zonder een patiënt te zien. Tijdens een fysiek consult had dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] cliënt naar alle waarschijnlijkheid ook beter kunnen uitleggen dat een wind up syndroom een fysieke en geen psychische oorzaak kent. Dat er vervolgens een misverstand is ontstaan doordat de [naam andere zorgkliniek] in plaats van dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] te verzoeken een pijnbehandelingstraject te starten, dokter [naam chirurg] heeft aangeschreven met de mededeling dat pijnbehandeling zou starten op de polikliniek van het ziekenhuis van de zorgaanbieder, kan dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] niet worden aangerekend. Vorenstaande maakt naar het oordeel van de commissie niet dat dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] aan cliënt zorg heeft onthouden. Ook in het geval van een fysiek consult is het overigens maar de vraag of er een pijnbehandelingstraject bij de zorgaanbieder zou zijn gestart, omdat dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] de behandeling bij de [naam andere zorgkliniek] niet wilde doorkruisen. Klachtonderdeel D is wat betreft de bejegening door dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] in de zin van dat hij het consult fysiek in plaats van telefonisch had moeten laten plaatsvinden, gegrond. Het klachtonderdeel is voor het overige ongegrond.

Wat betreft de vordering tot schadevergoeding overweegt de commissie het volgende. Voor een aanspraak op schadevergoeding is ten minste vereist dat de schuldenaar (de zorgaanbieder) in enig opzicht is tekortgeschoten en dat dit tekortschieten hem moet kunnen worden toegerekend. Vervolgens moet er sprake zijn van voldoende causaal verband tussen de schade en de toerekenbare tekortkoming. De commissie constateert dat de zorgaanbieder in de communicatie en bejegening op onderdelen is tekortgeschoten en is van oordeel dat deze tekortkoming aan de zorgaanbieder kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de commissie ontbreekt echter het causaal verband tussen de gestelde schade (gemaakte kosten en emotionele schade door langdurig pijnlijden) en de tekortkoming in communicatie en bejegening. De gestelde schade is immers gebaseerd op tekortkomingen tijdens de operaties en de nabehandeling en van tekortkomingen daarin is de commissie niet gebleken.

De commissie zal de vordering tot vergoeding van schade afwijzen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

  • verklaart klachtonderdelen A en B ongegrond;
  • verklaart klachtonderdeel C wat betreft de informatievoorziening over de nabehandeling na de eerste operatie en de informatievoorziening over de gang van zaken tijdens de tweede operatie gegrond en verklaart klachtonderdeel C voor het overige ongegrond;
  • verklaart klachtonderdeel D wat betreft de bejegening door dokter [naam anesthesioloog-pijnspecialist] in de zin van dat hij het consult fysiek in plaats van telefonisch had moeten laten plaatsvinden, gegrond en verklaart klachtonderdeel D voor het overige ongegrond;
  • wijst de vordering tot toekenning van schadevergoeding af;
  • bepaalt dat de zorgaanbieder, nu de klacht ten dele gegrond is, overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
  • bepaalt dat betaling van het klachtengeld binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies dient plaats te vinden.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. W.P. Zuidema, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 19 oktober 2023.