Uroloog handelt juist door verkalking in nier niet te verwijderen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 491/24569

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Er is een geringe verkalking in de nier van de cliënt zichtbaar. De cliënt heeft meerdere malen verzocht om dit te laten verwijderen, maar de uroloog weigert hier mee in te stemmen. De cliënt is van mening dat het niet behandelen ernstige nierfunctiestoornissen zal veroorzaken. Volgens de uroloog is er geen reden voor een behandeling, aangezien dit onverstandig en erg risicovol is. De behandeling kan namelijk schade toebrengen. De zorgaanbieder vindt dat er is gehandeld zoals van een goed hulpverlener verwacht mag worden. De commissie vindt dat de uroloog professioneel en juist heeft gehandeld door de verkalking niet te verwijderen. De cliënte heeft geen klachten die passen bij niersteenlijden. Het verwijderen van de verkalking is niet zinvol en kan complicaties bij de cliënt veroorzaken.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Stichting Maasstad Ziekenhuis, gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. De behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 14 mei 2020.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
De uroloog weigert ondanks dringend verzoek van cliënt nierstenen te verwijderen.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De uroloog weigert zijn “symptomatische” nierste(e)n(en) te verwijderen zonder adequate objectiveerbare onderbouwing. Cliënt heeft sinds medio 2018 meermalen verzocht om deze medische behandeling uit te voeren maar tot op heden weigert de uroloog dit stelselmatig. Cliënt is van mening dat niet behandelen ernstige nierfunctiestoornissen zal genereren.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.
In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Bij cliënt is na CT-onderzoek een kleine verkalking in de linker nier zichtbaar met een diameter van ongeveer 2 mm. De afwijking van 2 mm heeft op deze locatie geen indicatie om behandeld te worden. De behandeling is niet verstandig en bovendien risicovol omdat er een grote kans is dat het bewuste concrement onder het slijmvlies (in het “vlees” van de nier) is gelegen. Cliënt is geadviseerd zo nodig weer contact op te nemen met de huisarts. Een vervolgafspraak in het ziekenhuis is niet nodig.

Naar het oordeel van het zorgaanbieder zijn de afwegingen van de arts duidelijk. De ingreep zou mogelijk schade kunnen toebrengen, terwijl de verkalking nu geen problemen veroorzaakt. Het beroep van medisch specialist brengt met zich mee dat deze is opgeleid om binnen de grenzen van de wetgeving zelfstandig de norm voor een goed medisch handelen te bepalen. Nu de specialist, alles afwegende tot de conclusie is gekomen dat niet behandelen in het geval van cliënt beter is dan wel behandelen, heeft zij gehandeld zoals van een goed hulpverlener, conform art. 453 WGBO, verwacht mag worden.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt als volgt.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De commissie dient te beoordelen of de behandelend specialist heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend specialist in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld.

Cliënt stelt dat verwijdering van de verkalking noodzakelijk is om toekomstige en onomkeerbare schade aan zijn nieren te voorkomen en acht de verklaring die de behandelend specialist geeft om niet tot behandeling over te gaan onvoldoende onderbouwd. Daarbij heeft cliënt aangegeven in zijn brieven aan de behandelend specialist dat de verkalking op de echo veel groter is dan 2mm en bovendien dubbelzijdig.

De commissie merkt in de eerste plaats op dat op een echo een verkalking/niersteen kan worden waargenomen maar dat de grootte hiervan uitsluitend via een CT-scan nauwkeurig kan worden vastgesteld.

De commissie heeft uit het medisch dossier vastgesteld dat bij cliënt door middel van een CT-onderzoek een kleine verkalking in de linker nier zichtbaar is met een diameter van ongeveer 2 mm. Cliënt heeft geen klachten die passen bij symptomatisch niersteenlijden en over de tijd is de nierfunctie niet verslechterd en het urinesediment steeds schoon gebleken.

De commissie deelt de conclusie van de behandelend specialist en van de uroloog, die voor een second opinion in een ander ziekenhuis is geraadpleegd, dat de verkalking geen indicatie heeft om operatief verwijderd te worden. Zoals de commissie uit het medisch rapport heeft vastgesteld is er nog geen sprake van een niersteen maar slechts van een minuscule verkalking die zich naar alle waarschijnlijkheid bevindt in het vlees van de nier. Zodra deze verkalking los zou komen en een niersteen zou worden, zou deze gezien de omvang via de natuurlijke weg verdwijnen.

Naar het oordeel van de commissie heeft de behandelend specialist gehandeld volgens de professionele standaard door de verkalking niet te verwijderen. Daarbij overweegt de commissie tevens dat de cliënt geen klachten heeft die passen bij niersteenlijden. Het verwijderen van de verkalking is medisch gezien niet zinvol en een operatie zou een onnodig risico op complicaties voor cliënt met zich mee kunnen brengen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van cliënt ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. M.T.W.T. Lock, de heer ir. H.J.A.M. Bodelier, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 14 mei 2020.