Vast staat enkel dat beide partijen de situatie bij de spoedeisende hulp als onaangenaam hebben ervaren en dat klaagster daarna naar de spoedtandarts is vertrokken. De commissie kan niet vaststellen wat er precies is gebeurd en of er verwijtbaar is gehandeld

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Bewijs    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 113986

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Klaagster], wonende te [plaats] en Universitair Medisch Centrum Utrecht, gevestigd te Utrecht.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 11 januari 2018 te Utrecht. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. Klaagster werd vergezeld van haar vader en een vriendin, [naam]. Namens het ziekenhuis zijn verschenen [naam juriste], [naam jurist] en [naam medisch hoofd eerste hulp].

Onderwerp van het geschil

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting staat tussen partijen als erkend, dan wel als niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

Klaagster heeft op 4 juni 2017 de eerste hulp van het ziekenhuis bezocht nadat zij op straat ter val was gekomen.

Standpunt van klaagster

Het standpunt van klaagster luidt samengevat als volgt.

Klaagster is op zondagavond 4 juni 2017 ongelukkig ten val gekomen op straat. Zij is op haar gezicht terecht gekomen: haar gezicht was kapot, twee tanden waren uit haar mond en alles zat onder het bloed. Onder begeleiding van twee vriendinnen (onder wie een medisch specialist) is klaagster naar de eerste hulp van het ziekenhuis gegaan. Aldaar werd in het geheel niet naar klaagster omgekeken.

Door de twee medewerksters achter de balie werd slechts gevraagd of klaagster buiten bewustzijn was geweest. Dat was niet het geval. Daarop is klaagster te kennen gegeven dat het ziekenhuis niets voor haar kon betekenen. De triagezuster is niet dichter bij klaagster geweest dan op een afstand van drie of vier meter. Zij heeft geen goede inschatting kunnen maken van het aangezichtsletsel. Er is klaagster geen tetanusinjectie aangeboden. Er is niet vastgesteld of klaagster hersensletsel of een hersenschudding had. Er is niets met de mond of tanden van klaagster gedaan. Klaagster kreeg niet eens een doekje om het bloed weg te vegen. Uiteindelijk is klaagster naar de dienstdoende tandarts in Bilthoven gegaan. De volgende ochtend is klaagster naar haar eigen huisarts en haar eigen ziekenhuis gegaan. Daar ontving klaagster wel de zorg die zij nodig had en verwachtte, inclusief een tetanusinjectie en wat vriendelijke woorden.

Klaagster heeft de gang van zaken als schokkend, bijna traumatisch ervaren. Klaagster was kwetsbaar, geschrokken en afhankelijk van anderen. Als klaagster hechtingen nodig had gehad, wat zeer waarschijnlijk het geval is, heeft klaagster die door toedoen van het ziekenhuis niet tijdig gekregen. Als haar tanden nog te redden waren geweest, is klaagster deze door toedoen van het ziekenhuis nu kwijt. Klaagster wordt nu geconfronteerd met een langdurig traject om implantaten te plaatsen, terwijl dat mogelijk voorkomen had kunnen worden.

De door het ziekenhuis beschreven gang van zaken is volkomen onjuist  Het lijkt er op dat men zijn straatje schoon probeert te vegen.  Er is klaagster of haar vriendinnen niet aangeboden om een basisarts of een kaakchirurg te zien. De vriendin die orthopedisch chirurg is, heeft klaagster niet onderzocht en dat ook niet gezegd. Zij heeft ook niet gezegd dat er alleen behandeling voor de tanden nodig was. Dat kon zij in de gegeven omstandigheden ook niet bepalen.
Indien gewenst, kunnen de vriendinnen die bij klaagster waren die avond, enkele vragen beantwoorden of een verklaring afleggen.

Ten aanzien van het beroep op niet-ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht bij de commissie merkt klaagster op dat zij op haar klachtbrief van 4 juli 2017 een reactie van het ziekenhuis heeft ontvangen. Uit niets bleek dat op een later moment nog een beoordeling zou volgen.
Bij brief van 13 september 2017 heeft klaagster aangekondigd dat zij de kwestie aan de commissie voor zou gaan leggen, hetgeen zij op 3 november 2017 heeft gedaan.

Ter zitting heeft klaagster verder nog – samengevat – het volgende aangevoerd.

Klaagster had door de val behoorlijke verwoningen aan haar gezicht. Er zaten onder andere tanden los. Ook had klaagster een steentje in haar lip, deze is pas een dag later op de eerste hulp van een ander ziekenhuis verwijderd. Er is niet aangeboden een arts te zien. De sfeer was zeer onaangenaam, ze werd op straat gezet. Klaagster is geschokt om te horen dat zij en haar vriendinnen door het ziekenhuis als een soort hooligans worden weggezet.

Klaagster verlangt excuses voor de gang van zaken en voor het feit dat het ziekenhuis deze  ontkent. Daarnaast verlangt klaagster een schadevergoeding van € 14.800,–, bestaande uit € 4.800,– voor paradonthologische kosten en € 10.000,– als smartengeld voor een blijvend litteken in het gezicht van klaagster, te weten de plek tussen bovenlip en neus waar de kiezel haar heeft verwond.

Standpunt van het ziekenhuis

Het standpunt van de ziekenhuis luidt in hoofdzaak als volgt.

Primair stelt het ziekenhuis dat de klacht zich nog in het bemiddelingstraject bevond en dat door het ziekenhuis nog geen oordeel is gegeven – en gevraagd – op de klacht.

Klaagster is dan ook niet-ontvankelijk in haar klacht.

Subsidiair stelt het ziekenhuis dat de brief van 17 juli 2017 die in het kader van de klachtenbemiddeling door [naam traumachirurg] en [naam teamleider eerste hulp] is opgesteld geen oordeel is van het ziekenhuis maar een reactie van betrokkenen op de klacht van klaagster. Toen klaagster bij brief van 4 juli 2017 kenbaar maakte dat er onvrede was over de wijze waarop klaagster is gezien en geholpen, is aangeboden daarover met elkaar in gesprek te gaan. Klaagster wilde hier echter niet op ingaan.

Het ziekenhuis betreurt het dat klaagster ontevreden is over het bezoek aan de spoedeisende hulp. Klaagster was na het gebruik van alcohol gevallen. Wanneer iemand met tandletsel op de spoedeisende hulp komt, geldt samengevat het volgende. Geïsoleerde tandletsels, zoals afgebroken tanden of lossen tanden, dienen door een (spoeddienst)tandarts behandeld te worden in de 1e lijn. Met de verschillende tandartsspoeddiensten van omliggende tandartskringen bestaan daar afspraken over. Buiten diensttijden is aan het ziekenhuis geen tandarts verbonden. Bij uitgeslagen tanden of bij tandletsels, waarbij tevens sprake is van een breuk van het kaakbot of bij wekedelenletsel van de huid in het gezicht is een behandeling in het gezicht geïndiceerd.
Op basis van inschatting (triage) door een eerstehulpverpleegkundige en arts wordt bezien of het nodig is een MKA-chirurg te consulteren of dat het beter is een dienstdoende tandarts te bezoeken. Een MKA-chirurg is in de nacht niet fysiek aanwezig en heeft (derhalve) een aanrijtijd.
Bij klaagster was sprake van een tand die uit de tandkas was geraakt. Het was dus beter om door een tandarts gezien en behandeld te worden. Op verzoek van klaagster is uiteindelijk de MKA-chirurg (i.o.) gebeld. Die onderschreef dat het beschreven letsel het beste door een tandarts behandeld kon worden, ook gelet op het feit dat de spoeddienst tandarts klaagster sneller kon zien dan een MKA-chirurg (met aanrijtijd). De MKA-chirurg i.o. gaf te kennen te allen tijde geconsulteerd te kunnen worden indien daar behoefte aan zou zijn, of indien behandeling in de eerste lijn toch niet mogelijk zou zijn.

Getracht is klaagster op zo efficiënt mogelijke wijze te helpen. Gelet op het feit dat het beter was om door een tandarts gezien te worden en omdat inschrijving in het ziekenhuis voor een patiënt kosten meebrengt, is in overleg met de MKA-chirurg i.o. en klaagster zelf gekozen om de MKA-chirurg niet in huis te laten komen. Na het gesprek is aangeboden de tandartsenspoedlijn te bellen, is een taxi besteld en is verzorging aangeboden, zodat klaagster zich op kon frissen.

Ter zitting heeft de ziekenhuis verder nog – samengevat – het volgende aangevoerd.

Er is met de medewerksters die die nacht aanwezig waren gesproken en hun verhaal is geheel anders dan dat van klaagster. Er was sprake van een dreigende houding ten opzichte van de verpleging. Er is aangeboden om klaagster in te schrijven en te onderzoeken, maar dat was allemaal niet nodig. De vriendin heeft gezegd dat ze klaagster heeft onderzocht en dat een tetanusinjectie niet nodig was, dat er niets aan de hand was en dat klaagster alleen maar haar tand terug wilde. Verwezen wordt tevens naar het verslag over de gang van zaken zoals opgenomen in de brief van 17 juli 2017.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het
volgende.

Alvorens over de inhoud van de klacht te oordelen, zal de commissie eerst oordelen over het beroep van het ziekenhuis op de niet-ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht.

Klaagster heeft in haar brief van 4 juli 2017 aan het ziekenhuis medegedeeld dat zij een klacht indiende en vervolgens haar klacht uiteengezet. Zij heeft op 17 juli 2017 een reactie van het ziekenhuis op haar klachtbrief ontvangen. Bij brief van 13 september 2017 heeft klaagster aangekondigd een klacht bij de Geschillencommissie in te zullen dienen, hetgeen zij op 3 november 2017 heeft gedaan. Eerst op 12 december 2017 geeft het ziekenhuis te kennen dat nog een bemiddelingsgesprek had kunnen plaatsvinden. Uit de schriftelijke stukken blijkt niet dat klaagster in de periode na het indienen van de klacht tot de reactie op 12 december 2017 op de interne klachtenprocedure is gewezen. Gelet op deze gang van zaken is de commissie van oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht.

De visies van klaagster en het ziekenhuis over wat er zich heeft afgespeeld op 4 juni 2017 op de eerste hulp van het ziekenhuis staan lijnrecht tegenover elkaar.  Vast staat enkel dat  beide partijen de situatie bij de spoedeisende hulp als onaangenaam hebben ervaren en dat klaagster daarna naar de spoedtandarts is vertrokken, waar vervolgens tandheelkundige hulp is verleend. De commissie kan derhalve niet vaststellen wat er precies is gebeurd en of er verwijtbaar is gehandeld. De enkele stellingen van klaagster bieden, bij gebrek aan onderbouwing, onvoldoende grondslag om haar klacht gegrond te verklaren. Aan de behandeling van het verzoek om schadevergoeding komt de geschillencommissie reeds om die reden niet toe.

Uit het voorgaande volgt dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van klaagster ongegrond;

– wijst af de door klaagster verlangde schadevergoeding.

Aldus beslist op 11 januari 2018 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.