Verwijt van onzorgvuldige nazorg en gemiste medische inschatting bij ooglidcorrectie

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 568472/63447

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een cliënte onderging in mei 2023 een bovenooglidcorrectie bij Faceland Chirurgie, uitgevoerd door een cosmetisch arts. Kort na de ingreep uitte zij onvrede over het resultaat, waaronder zichtbare asymmetrie en zwellingen in de ooghoeken. De arts erkende aanvankelijk de situatie en gaf aan dat een hersteloperatie mogelijk zou zijn, maar dit werd later zonder fysiek onderzoek afgewezen op basis van foto’s. De cliënte voelde zich hierdoor niet serieus genomen en diende een klacht in. De zorgaanbieder stelde dat de ingreep correct was uitgevoerd en bood alleen excuses aan voor de trage communicatie. De commissie oordeelde echter dat de zwellingen mogelijk duidden op een mediale vetherniatie, waarvoor een plastisch chirurg nodig was, en dat dit eerder onderkend had moeten worden. Door geen fysieke beoordeling te laten plaatsvinden en geen correctieve ingreep aan te bieden, schoot de zorgaanbieder tekort in de zorgplicht. De klacht werd gegrond verklaard. De zorgaanbieder moet €1.000 vergoeden voor een hersteloperatie en €52,50 klachtengeld. De gevraagde emotionele schadevergoeding en overige kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De uitspraak

n het geschil tussen

[naam}, wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Faceland Chirurgie B.V., gevestigd te Capelle aan den IJssel
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
gemachtigde:[naam], [naam]

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025 te Den Haag. Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd [naam], cosmetisch arts, [naam], plastisch chirurg en medisch directeur en bijgestaan door [naam], gemachtigde.

Onderwerp van het geschil

De cliënte heeft een ooglidcorrectie laten uitvoeren in de kliniek van de zorgaanbieder. De cliënte is van mening dat het resultaat van die ingreep niet is zoals verwacht mag worden. De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat ondanks een aanvankelijke erkenning geen hersteloperatie is aangeboden en haar klachten niet serieus zijn genomen.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft in mei 2023 een bovenooglidcorrectie ondergaan door cosmetisch arts E. van de zorgaanbieder. Bij de eerste controle op 18 juli 2023 was al duidelijk dat het resultaat van de ingreep niet was zoals verwacht mocht worden. Dit werd door arts E. erkend en zij gaf aan dat een hersteloperatie mogelijk zou zijn. Vanwege het genezingsproces diende een wachttijd van zes maanden in acht te worden genomen. Na de afgesproken wachttijd heeft de cliënte opnieuw contact opgenomen met de zorgaanbieder maar vanwege de zwangerschap van de arts werd een afspraak uitgesteld. In april 2024 nam de cliënte weer contact op via een videoconsult en werd het probleem opnieuw erkend. De arts vertelde de cliënte dat zij het probleem begreep en de hersteloperatie snel ingepland zou kunnen worden na intern overleg.

Wederom volgde echter uitstel, ditmaal tot begin juli 2024. Tot verbazing en teleurstelling van de cliënte ontving zij een email van de arts waarin zij aangaf dat geen hersteloperatie werd ingepland omdat de operatie in mei 2023 goed zou zijn uitgevoerd. De cliënte was het hier niet mee eens en heeft een klachtbrief geschreven waarna een fysieke afspraak volgde. Daarin gaf de arts aan dat de beslissing genomen was op basis van foto’s waarop de klachten van de cliënte niet goed te zien waren. In diezelfde afspraak bevestigde de arts weer dat een hersteloperatie nodig was en dat die operatie de week daarna nog ingepland zou kunnen worden. Dit moest de arts alleen nog bespreken met een interne commissie. Ondanks herhaald verzoek van de cliënte om gezien te mogen worden door de artsen van die commissie werd de beslissing genomen op basis van foto’s en een hersteloperatie afgewezen, dit hoewel de arts zelf had aangegeven dat de situatie van de cliënte niet goed op basis van de foto’s was te beoordelen. De cliënte begrijpt niet hoe de zorgaanbieder zo laconiek en onzorgvuldig met patiënten om kan gaan.

De cliënte is niet alleen ontevreden met het resultaat van de behandeling, zij voelt zich ook diep gekwetst door de onzorgvuldige en onprofessionele wijze van communiceren van de zorgaanbieder. De cliënte heeft de ingreep ondergaan om haar boven oogleden te laten corrigeren om haar blik ‘uitgeruster’ te maken en de druk op haar ogen te verminderen. Die druk is door de ingreep juist toegenomen. De ogen van de cliënte zien er nu slechter uit dan voor de ingreep: er is duidelijk sprake van asymmetrie tussen de oogleden, er is meer overtollige huid bij het ene ooglid dan bij het andere. Beide oogleden zijn in de ooghoek opgezwollen, zeker in de ochtend. Ook voor mensen in de omgeving van de cliënte is dit duidelijk zichtbaar. Het gevoel van verminking heeft het zelfvertrouwen van de cliënte ernstig aangetast.

De cliënte verlangt een onafhankelijk en deskundig oordeel van de commissie. Een hersteloperatie bij de zorgaanbieder wil zij niet meer; haar vertrouwen in deze zorgaanbieder is totaal verdwenen. Naast een erkenning van haar klachten vraagt de cliënte om een schadevergoeding van de zorgaanbieder. De cliënte verlangt de kosten van de ingreep van € 425,– terug en vraagt een vergoeding van de kosten van een correctieve behandeling die zij schat op € 1000,–. Voorts verlangt de cliënte een vergoeding van € 5000,– voor de emotionele schade die zij door toedoen van de zorgaanbieder heeft geleden. Tot slot is de cliënte van mening dat een vergoeding van € 100,– als vergoeding van reis- en onkosten die de cliënte voor vervolgafspraken heeft moeten maken gepast is. In totaal vraagt de cliënte daarmee een vergoeding van
€ 6.500, — van de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Door arts E. is op 8 mei 2023 een bovenooglidcorrectie uitgevoerd bij de cliënte. De cliënte is op de aard en risico’s van de ingreep gewezen en de cliënte heeft het informed consent formulier ondertekend. De ingreep is lege artis uitgevoerd en zonder complicaties verlopen. De cliënte is echter niet tevreden over het resultaat van de ingreep en heeft naar voren gebracht dat dit door de zorgaanbieder is erkend. Dit wordt door de zorgaanbieder betwist. De arts heeft begrip voor de gevoelens van de cliënte getoond zonder daarmee een erkenning uit te spreken over een onvoldoende resultaat. De zorgaanbieder wijst erop dat het er niet om gaat of de ingreep beter had kunnen worden uitgevoerd maar of de arts is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De revisiecommissie van de zorgaanbieder heeft op 11 juli 2024 geoordeeld dat de ingreep goed is uitgevoerd en het resultaat daarvan is zoals verwacht mag worden. Op 5 augustus 2024 is die beslissing richting de cliënte herhaald. De zorgaanbieder heeft niet onzorgvuldig gehandeld en de nazorg is juist en correct verlopen.

Voor zover sprake is geweest van een gebrekkige, althans vertraagde, niet empathische communicatie biedt de zorgaanbieder daarvoor zijn verontschuldigingen aan. Door een samenloop van omstandigheden heeft de cliënte wel erg lang op het oordeel van de revisie commissie moeten wachten Dit is echter onvoldoende om een schadevergoeding op te baseren. Om de onvrede van de cliënte weg te nemen is de zorgaanbieder bereid de kosten van de ingreep van € 425,– aan haar te restitueren.

Beoordeling van het geschil

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënte en de zorgaanbieder, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of de zorgaanbieder bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder toegelicht dat de kliniek een “getrapt” systeem kent. De huidcorrecties worden uitgevoerd door de cosmetisch artsen en ingrepen waarbij vet wordt weggehaald worden, evenals ingrepen van complexere aard, uitgevoerd door de plastisch chirurgen. Ter zitting heeft de cliënte naar voren gebracht dat zij last had en sinds de ingreep nog steeds heeft, van gezwollen oogleden aan beide zijden in de ooghoek.

De commissie overweegt dat een zwelling in de ooghoeken preoperatief kan duiden op mediale vetherniatie die door een plastisch chirurg dient te worden behandeld. De zorgaanbieder heeft de ingreep van de cliënte aan cosmetisch arts E., een basisarts, toegewezen die de behandeling op 8 mei 2023 heeft uitgevoerd.

Toen de cliënte zich in juli 2023 en nadien bij herhaling in de kliniek presenteerde met klachten van zwellingen in de ooghoek had het voor (de arts van) de zorgaanbieder duidelijk moeten zijn dat in het geval van de cliënte sprake was van een vetherniatie die niet vanzelf zou verdwijnen. De zorgaanbieder heeft dat ter zitting erkend. De beslissing van de revisie commissie is genomen op basis van foto’s waar een fysiek consult met een plastisch chirurg geïndiceerd was die de vetherniatie had kunnen vaststellen. Peroperatief is bij het openen van het ooglid een vetherniatie zichtbaar.

De commissie is dan ook van oordeel dat aan de cliënte een correctieve behandeling door één van de plastisch chirurgen had moeten worden aangeboden. Door de cliënte die correctieve behandeling te weigeren is de zorgaanbieder toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn uit de behandelingsovereenkomst met de cliënte voortvloeiende zorgplicht. De zorgaanbieder heeft zich onvoldoende ingespannen om de cliënte de kwaliteit van zorg te verlenen die verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. De klacht van de cliënte is dan ook gegrond.

De cliënte heeft een vergoeding gevraagd voor de kosten van een herstelingreep van € 1000,–. De commissie acht die vergoeding alleszins redelijk zodat zij dat bedrag zal toewijzen. Voor een restitutie van de kosten van de behandeling van € 425,– ziet de commissie geen aanleiding; met de kosten van de herstelingreep kan het door de cliënte gewenste resultaat worden bereikt in een kliniek van haar keuze.

De emotionele schade en de overige kosten zijn door de cliënte onvoldoende onderbouwd of zijn niet toe te rekenen aan de zorgaanbieder, zodat de commissie die vorderingen zal afwijzen. Omdat de klacht gegrond is, zal de commissie voorts bepalen dat de zorgaanbieder het door de cliënte betaalde klachtengeld van
€ 52,50 aan haar dient te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënte gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 1.000, — aan de cliënte dient te vergoeden;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 52,50 aan de cliënte dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. M-B. Bouman, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 8 januari 2025.

Opslaan als PDF