Wet BPOZ. Alleen de klacht over de kwaliteit van de medische zorg kan behandeld worden

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: consument aan voorwaarden voldaan    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: deels ontvankelijk/deels niet-ontvankelijk   Referentiecode: 5814/14194

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Cliënt is op grond van de Wet BOPZ gedwongen opgenomen in de instelling van de zorgaanbieder. De klachten van de gemachtigde van cliënt die betrekking hebben op de opheffing van de rechterlijke machtiging (RM), het ontslag uit de instelling en de wijziging van de curatele kan de commissie niet behandelen. De commissie kan de klachten over de medische zorg wel behandelen. De gemachtigde hoefde in dit geval niet een definitieve beslissing van de zorgaanbieder op basis van een mogelijk oordeel van de klachtencommissie af te wachten.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt] wonende te [plaats], gemachtigde mevrouw [naam] en Stichting Antes, gevestigd te Rotterdam (verder te noemen de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Op 6 januari 2020 heeft buiten aanwezigheid van partijen de behandeling plaatsgevonden door de commissie. Partijen zijn niet opgeroepen om ter zitting te verschijnen omdat eerst moet worden vastgesteld of cliënt ontvankelijk is in zijn klacht.

Onderwerp van het geschil
De gemachtigde van cliënt beklaagt zich over het niet beantwoorden van haar klachten door de zorgaanbieder en de kwaliteit van de (medische) zorgverlening.

Standpunt van cliënt
Voor het standpunt van de gemachtigde van cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken in het bijzonder het vragenformulier dat de commissie op 2 augustus 2019 heeft ontvangen. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt, de zoon van gemachtigde, is psychisch en verstandelijk beperkt. Eind 2017 heeft gemachtigde aan de zorgaanbieder om opheldering gevraagd over een mogelijke verkrachting van cliënt terwijl hij in een separeerruimte was opgesloten. Zij heeft ondanks herhaald verzoek nimmer antwoord gekregen op haar vragen. De gemachtigde verzoekt om opheldering over hetgeen destijds is gebeurd. Voorts stelt gemachtigde dat cliënt niet de zorg krijgt die hij behoort te krijgen. Cliënt wordt volgestopt met (onjuiste) pillen waardoor hij steeds verwarder wordt en ook de overige zorg is onvoldoende. Het eten is slecht, zijn bed wordt niet schoongemaakt, de verwarming staat uit en de medische zorg laat te wensen over. In het medisch dossier staat niet vermeld dat cliënt lijdt aan COPD en dat hij allergisch is voor penicilline en de medicijnlijst wordt niet zorgvuldig bijgehouden. De zorgaanbieder heeft niet adequaat gehandeld met betrekking tot het lage gewicht van cliënt, het vitamine D tekort en de verwijzing naar de internist. Ook de klachten die zij hierover heeft ingediend zijn door de zorgaanbieder onbeantwoord gebleven. De gemachtigde van cliënt eist dat de zorgaanbieder die zorg gaat leveren die cliënt behoort te krijgen.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de brief van 3 december 2019. In de kern komt het standpunt van de zorgaanbieder op het volgende neer.

De zorgaanbieder is van mening dat de gemachtigde van cliënt niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klachten. Klacht 1: zedendelict in separeer: De gemachtigde heeft, aldus haar mededeling op het vragenformulier, deze klacht eind 2017 aan de zorgaanbieder voorgelegd. Sindsdien zijn meer dan 12 maanden verstreken alvorens zij de klacht, die niet nader is onderbouwd, aan de commissie heeft voorgelegd. De zorgaanbieder stelt dat de gemachtigde niet ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 6 lid 1 van het reglement van de commissie.

1. Klacht 2: (I) geen reactie op ontslagverzoek: Artikel 49 lid 3 BOPZ bepaalt dat een afwijzende of ontbrekende reactie op een ontslagverzoek in BOPZ-zaken ter beoordeling van de rechtbank staat en dus niet van de Geschillencommissie. (II) De aanvraag om curatele door Antes is al bij de rechtbank ingediend. Ook heeft de gemachtigde deze klacht niet eerder bij de zorgaanbieder ingediend. Om beide redenen dient gemachtigde niet ontvankelijk te worden verklaard.

2. Klachten die de gemachtigde heeft voorgelegd bij de klachtencommissie bij brief van 8 november 2019 en bij brief van 11 november 2019 aan de behandelaar. De zorgaanbieder stelt dat gemachtigde ook ten aanzien van deze klachten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 2 onder b van het reglement nu de klachten bij de klachtencommissie nog in behandeling zijn. Voorts heeft gemachtigde geen belang bij een uitspraak van de commissie nu de klachtencommissie de klacht beoordeelt. Overigens heeft gemachtigde de klacht niet volgens de wet eerst bij de zorgaanbieder ingediend. Zij heeft de uitspraak en de mogelijkheid van een oplossing van de klacht niet afgewacht.

Voorts heeft de zorgaanbieder ten aanzien van de inhoud van voornoemde klachten het volgende aangevoerd. De zorgaanbieder betwist dat er sprake is van onzorgvuldig handelen in de medische begeleiding van cliënt. Zijn gehele gezondheidstoestand wordt gemonitord. Naar aanleiding van de klacht van gemachtigde van 30 mei 2019 bij de klachtenfunctionaris van Antes inzake de gestelde inadequate handelwijze van Antes ten aanzien van de diverse gezondheidsproblemen van cliënt, heeft de klachtenfunctionaris informatie ingewonnen bij de behandelaren en de zorgdirectie en gemachtigde meermalen telefonisch gesproken. In haar laatste gesprek heeft de klachtenfunctionaris de gemachtigde meegedeeld dat de zienswijzen van de zorgaanbieder en gemachtigde te ver uit elkaar liggen om tot een oplossing te komen. De suggestie van de klachtenfunctionaris om de klachten aan de klachtencommissie voor te leggen wees gemachtigde van de hand. Zij gaf er de voorkeur aan om haar klachten aan de geschillencommissie voor te leggen. Daarop heeft de klachtenfunctionaris het dossier gesloten. De zorgaanbieder betwist de stelling van de gemachtigde dat zij niets meer van de klachtenfunctionaris heeft gehoord.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klachten niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling ten aanzien van de ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 6 lid 1 sub b van het reglement verklaart de commissie op verzoek van de zorgaanbieder de cliënt in zijn klacht niet ontvankelijk indien hij zijn geschil niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de cliënt de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt. Ingevolge artikel 5 sub b van het reglement verklaart de commissie de cliënt in zijn geschil ambtshalve niet ontvankelijk indien het een geschil betreft waarover de cliënt of de zorgaanbieder reeds bij de rechter een procedure aanhangig heeft gemaakt of waarin de rechter reeds een uitspraak over de inhoud heeft gedaan. De commissie heeft op basis van de door de partijen overgelegde stukken het volgende vastgesteld.

Cliënt is op grond van de Wet BOPZ gedwongen opgenomen in de instelling van de zorgaanbieder. Met ingang van 1 januari 2020 is de Wet BOPZ vervangen door de Wet verplichte ggz en de Wet zorg en dwang. Nu cliënt op het moment van de zitting gedwongen was opgenomen op grond van de Wet BOPZ gaat de commissie er vanuit dat de ontslagregelingen van de Wet BOPZ nog op cliënt van toepassing zijn gelet op het geldende overgangsrecht. Ontslag kan in dat geval worden verzocht aan de geneesheer-directeur van de instelling (BOPZ-arts). Indien de BOPZ-arts dit verzoek afwijst, of niet tijdig op het verzoek reageert, kan degene die het ontslag verzoekt een verzoek naar de officier van justitie sturen. De officier van justitie verzoekt in beginsel vervolgens een beslissing van de rechter op het verzoek. Voor zover de klachten van de gemachtigde zien op de opheffing van de rechterlijke machtiging (RM) en daarmee het ontslag uit de instelling, alsook de wijziging van de curatele is de commissie niet bevoegd hierover een oordeel te geven. Op grond van het bepaalde in de wet BOPZ is uitsluitend de rechtbank bevoegd hierover te oordelen. De commissie verklaart de gemachtigde niet ontvankelijk in haar klachten die betrekking hebben op de RM, het ontslag en de curatele.

De commissie verklaart de klacht van gemachtigde over een zedendelict in de separeerruimte op grond van artikel 6 lid 1 sub b van het reglement eveneens niet ontvankelijk daar zij deze klacht niet binnen 12 maanden, na de datum waarop zij de klacht bij de zorgaanbieder heeft ingediend, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt. De klacht van gemachtigde die zij op 30 mei 2019 bij de zorgaanbieder heeft ingediend betreft de kwaliteit van de medische zorg. De zorgaanbieder heeft gesteld dat de gemachtigde ten aanzien van die klacht niet ontvankelijk moet worden verklaard nu deze klacht nog in behandeling is bij de klachtencommissie en de gemachtigde de uitspraak van de klachtencommissie niet heeft afgewacht. Ingevolge artikel 6 lid 2 van het reglement kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet naleving van het bepaalde in artikel 6 lid 1 naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van de commissie voldoende vast komen te staan dat de klachtenfunctionaris aan de gemachtigde heeft meegedeeld dat de zorgaanbieder gezien de uiteenlopende zienswijzen van de gemachtigde en de behandelaars niet tot een oplossing kan komen. Daarop is het dossier door de klachtenfunctionaris gesloten. Gezien de zienswijze van de zorgaanbieder dat een oplossing niet in de rede ligt en sluiting van het klachtdossier, is de commissie van oordeel dat de gemachtigde in redelijkheid niet kan worden verweten dat zij een definitieve beslissing van de zorgaanbieder op basis van een mogelijk oordeel van de klachtencommissie niet heeft afgewacht. De commissie verklaart gemachtigde ontvankelijk in haar klacht zoals zij die op 30 mei 2019 bij de zorgaanbieder heeft ingediend.

Partijen zullen worden opgeroepen voor een nadere inhoudelijke behandeling van dit geschil.

Beslissing
De commissie verklaart de gemachtigde van cliënt ontvankelijk in haar klacht zoals zij die op 30 mei 2019 bij de zorgaanbieder heeft ingediend en die ziet op handelwijze van Antes ten aanzien van de diverse gezondheidsproblemen van cliënt. De commissie verklaart de gemachtigde van cliënt niet ontvankelijk in haar klachten voor zover deze zien op seksueel misbruik van cliënt in de separeerruimte, het verzochte ontslag uit de instelling en de wijziging van de curatele.

Aldus beslist op 6 januari 2020 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mevrouw M. Berkelouw en de heer mr. R.P. Gerzon, leden, waarbij mevrouw mr. W. Hartong van Ark als plaatsvervangend secretaris fungeerde.