Commissie: Wrakingscommissie
Categorie: Wraking
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
-
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De volledige uitspraak
in het verzoek van:
[verzoeker],
welk verzoek strekt tot wraking van:
[…], voorzitter van de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals (hierna te noemen: de voorzitter)
Het wrakingsverzoek en de reactie van de commissie
Het verzoek van 10 november 2025 strekt tot wraking van de voorzitter, [naam voorzitter], in [zaaknummer] tussen verzoeker en de [naam tegenpartij]. Voor het standpunt van verzoeker verwijst de wrakingscommissie naar het wrakingsverzoek, het aanvullend verzoek van 17 november 2025 en de repliek van 25 november 2025.
Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag: gegronde vrees voor partijdigheid als bedoeld in artikel 3 reglement Tuchtcommissie en artikel 8:15 Awb, waarmee verzoeker kennelijk bedoelt artikel 21 lid 1 van het reglement Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals dat handelt over het bestaan van gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van een lid van de commissie. Het beroep op de Awb laat de commissie buiten beschouwing, nu bepalingen uit deze wet zien op interacties waarbij de overheid als besluitvormer optreedt en de rechten en plichten van burgers of bedrijven in dat kader.
Verzoeker verzoekt de wrakingscommissie om zijn verzoek gegrond te verklaren en, samengevat weergegeven, om herbehandeling van de zaak met een nieuwe, onpartijdige en onbevooroordeelde voorzitter.
De voorzitter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd. Zij verzoekt de commissie het wrakingsverzoek af te wijzen en de aanvulling op het wrakingsverzoek buiten behandeling te laten.
De beoordeling
Bevoegdheid en ontvankelijkheid
Op grond van artikel 2 van het reglement van de wrakingscommissie heeft de wrakingscommissie tot taak te beslissen op een wrakingsverzoek van een van de partijen in een geschil dat door een geschillencommissie in behandeling is genomen.
De wrakingscommissie stelt vast dat verzoeker een wrakingsverzoek heeft gedaan naar aanleiding van de behandeling van een geschil bij de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals (hierna: de commissie) op de zitting van 6 november 2025. Verzoeker doet daarmee een beroep op artikel 21 lid 1 van het reglement van de commissie, waarin de mogelijkheid tot wraking van leden van de commissie is vastgelegd.
Conform artikel 21 lid 1 van het reglement van de wrakingscommissie dient een wrakingsverzoek gedaan te worden binnen uiterlijk één week na de zitting waarop het geschil is behandeld. De wrakingscommissie stelt vast dat het wrakingsverzoek, ingediend op 10 november 2025, tijdig is gedaan. Verzoeker zal dan ook worden ontvangen in zijn wrakingsverzoek, voor zover deze ziet op de behandeling van zijn klacht door de wrakingscommissie.
Het standpunt van de voorzitter dat het aanvullend bericht van 17 november 2025 van verzoeker buiten de termijn valt en derhalve buiten de behandeling moet worden gehouden, deelt de wrakingscommissie niet. De aanvulling betreft enkel de constatering dat de voorzitter een ervaren rechter-plaatsvervanger is, gespecialiseerd in het vastgoed- en het tuchtrecht, en dat om die reden op haar een verhoogde zorgplicht rust, alsmede het verzoek om de wraking openbaar te behandelen. De constatering dat de voorzitter een ervaren rechter-plaatsvervanger is, is bekend en betreft geen nieuw feit. Het verzoek om deze zaak in openbaarheid te behandelen, wordt door de commissie afgewezen nu de wrakingsprocedure een onderdeel is van een procedure van De Geschillencommissie waarvan de zittingen een vertrouwelijk karakter hebben.
Beoordeling wrakingsgronden
De wrakingscommissie ziet aanleiding om de wrakingsgronden die een soortgelijke strekking hebben gezamenlijk te behandelen in de hierna te bespreken gronden. De beoordeling van het wrakingsverzoek ziet, samengevat, op de volgende wrakingsgronden.
1. De door de voorzitter gestelde openingsvraag aan verzoeker, gebaseerd op een leugen geciteerd uit een e-mail van 18 maart 2025, duidt op vooringenomenheid, temeer daar de voorzitter de weerlegging van verzoeker negeert.
2. De voorzitter maakt zich schuldig aan ongelijke behandeling van partijen en schendt het beginsel van hoor en wederhoor, waarbij verzoeker tevens wordt beperkt in de mogelijkheid om te reageren.
Beoordelingskader
De wrakingscommissie zal deze wrakingsgronden aan de hand van het volgende beoordelingskader behandelen.
De wrakingscommissie dient ingevolge artikel 2 lid 2 van het reglement van de wrakingscommissie te onderzoeken of er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid wiens wraking is verzocht. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid is wel van belang, maar niet doorslaggevend. De vrees van partijdigheid of niet-onafhankelijkheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
1. Openingsvraag voorzitter duidt op vooringenomenheid – wrakingsgrond 1
Verzoeker stelt dat de voorzitter aan het begin van de zitting een openingsvraag aan hem heeft gesteld, waaruit verzoeker is gebleken dat de voorzitter uitgaat van een onbewezen leugen die alleen voorkomt in een e-mail van 18 maart 2025, welke leugen door verzoeker is weerlegd in zijn verweerschrift dat onderdeel vormt van het dossier.
De voorzitter voert op dit punt aan dat de door haar gestelde vraag geen betrekking heeft op het ter beoordeling voorgelegde geschil, maar de verhouding tussen partijen betreft. De voorzitter ziet niet in dat zij zich door het stellen van de vraag partijdig, vooringenomen of onvoldoende onafhankelijk heeft opgesteld. Daarnaast, zo stelt zij, staat het een voorzitter vrij om over een twistpunt tussen partijen vragen te stellen, ook al vinden partijen dat het punt voldoende uit de stukken blijkt.
De wrakingscommissie is van oordeel dat de voorzitter door het stellen van de vraag “Waarom wilde u niet dat mevrouw Vijfhuizen naar een makelaar ging?” niet heeft blijk gegeven van enige vooringenomenheid. Het is gebruikelijk dat een voorzitter een partij kritisch bevraagt door deze partij bijvoorbeeld het verweer, dan wel enige andere stelling, van de wederpartij voor te houden, zodat deze partij de mogelijkheid heeft om dit te weerleggen. Ook is het niet ongebruikelijk om tijdens de zitting een vraag te stellen over iets wat ook in het dossier staat, zulks om daarover nadere informatie te krijgen of een uit de stukken verkregen indruk te verifiëren en op die manier het gesprek over dat punt te kunnen voeren. Uit het enkele feit dat de weerlegging door verzoeker in zijn destijds ingediende reactie op het verweerschrift was opgenomen, kan niet worden afgeleid dat de voorzitter de stukken niet goed heeft gelezen of dat zij niet onpartijdig en onafhankelijk was. Dit betekent evenmin dat de voorzitter zich daarmee vooringenomen heeft gedragen. Gesteld noch gebleken is immers dat de voorzitter met deze vraag aan verzoeker argumenten heeft opgeworpen die nog niet eerder naar voren waren gebracht. Naar het oordeel van de wrakingscommissie ontbreken dan ook concrete aanknopingspunten dat er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 1 faalt derhalve.
2. Ongelijke behandeling van partijen, schending van het beginsel van hoor en wederhoor door de voorzitter en het beperken van verzoeker in zijn reactiemogelijkheden – wrakingsgrond 2
Verzoeker stelt dat hem vijf suggestieve vragen door de voorzitter zijn gesteld, terwijl aan de andere partij geen vragen zijn gesteld. Tegen het protocol in heeft een collega van de beklaagde partij ruim spreektijd gekregen van de voorzitter, greep de voorzitter niet in toen beklaagde onwaarheden verkondigde en werd verzoeker ter zitting overrompeld door de vraag van de voorzitter te reageren op hetgeen de collega van beklaagde ter zitting naar voren bracht. Verzoeker is hierdoor benadeeld, omdat hij op stel en sprong moest reageren, terwijl hij daar niet op voorbereid was. Ook daaruit blijkt volgens verzoeker partijdigheid van de voorzitter, waarbij komt dat verwijzing door hem naar een relevant kort-geding vonnis als niet ter zake doende terzijde is gesteld door de voorzitter.
De voorzitter stelt dat zij, na het betoog van verzoeker, aan beide partijen vragen heeft gesteld, aan beklaagde in de eerste plaats, waarna ze vervolgens verzoeker heeft gevraagd te reageren op de onder wrakingsgrond 1 gestelde vraag. De voorzitter betwist dat zij suggestieve vragen aan verzoeker heeft gesteld. Het aantal vragen weet de voorzitter niet precies, maar ze waren niet suggestief. Het stellen van, voor een partij onwelgevallige vragen, betekent nog niet dat het suggestieve vragen zijn, aldus de voorzitter. De beklaagde heeft uitvoerig op de door de voorzitter gestelde vragen geantwoord, vervolgens is de collega van beklaagde in de gelegenheid gesteld het woord te voeren, omdat deze bij de onderhavige kwestie betrokken is geweest. Om die reden heeft de collega in het kader van hoor en wederhoor verweer mogen voeren. Dat verzoeker hierop geen voorbereide reactie kon geven, begrijpt de voorzitter niet, nu verzoeker zowel aan het begin als aan het einde van de zitting de gelegenheid heeft gekregen zijn standpunt nader duidelijk te maken. Voor wat betreft het terzijde stellen van een kort-geding vonnis heeft de voorzitter aangegeven dat zij ter zitting heeft gezegd dat de commissie van dit vonnis kennis heeft genomen.
In verband met de aanvulling op het wrakingsverzoek merkt de voorzitter op dat voor elke rechter geldt dat die onpartijdig en onafhankelijk dient te zijn, ongeacht zijn of haar ervaring.
De wrakingscommissie stelt voorop dat een voorzitter zelf de gang van zaken tijdens de zitting mag bepalen en niet is gebonden aan een standaard inrichting van de zitting. Het is daarbij gebruikelijk dat de voorzitter bij aanvang van de zitting de procesorde bepaalt. Dat de voorzitter in afwijking van de eerder door haar bepaalde procesorde zonder verdere motivering een collega van beklaagde het woord heeft gegeven, is niet handig, maar levert geen wrakingsgrond op, temeer daar de begeleider van verzoeker ter zitting eveneens het woord heeft mogen voeren.
Wat betreft de gestelde vragen, die door verzoeker worden gekwalificeerd als “suggestieve vragen,” heeft verzoeker desgevraagd aan de wrakingscommissie niet duidelijk gemaakt welke vragen aan hem zijn gesteld. Nu ook de voorzitter de vragen niet heeft kunnen reproduceren, kan niet worden vastgesteld welke vragen destijds ter zitting zijn gesteld en of deze al dan niet de toets der kritiek kunnen doorstaan. De wrakingscommissie onderschrijft in zoverre wel hierin het standpunt van de voorzitter dat de commissie kritische vragen mag stellen, ook wanneer deze partijen niet welgevallig zijn, teneinde tot een weloverwogen oordeel te kunnen komen.
Voorts heeft verzoeker aangegeven zich overrompeld te hebben gevoeld door het verzoek van de voorzitter te reageren op hetgeen de collega van beklaagde ter zitting naar voren heeft gebracht. Indien verzoeker het wenselijk achtte dat hij hiervoor een onderbreking van de zitting nodig had, dan had het op zijn weg gelegen om de voorzitter hierop te wijzen. Hij heeft dat niet gedaan. Het betoog van verzoeker dat hij is benadeeld door de voorzitter omdat hij niet wist hoe inhoudelijk te reageren, slaagt daarom niet.
Daarnaast heeft verzoeker zich beperkt gevoeld in zijn mogelijkheid te reageren, doordat hij niet mocht inzoomen op een volgens hem voor de zaak relevant kort-geding vonnis, waar mogelijk op dat moment voor de commissie niet de focus op lag. Verzoeker voelde zich hierdoor door de voorzitter tekort gedaan. De voorzitter heeft dit anders ervaren en heeft in haar verweer en ter zitting aangegeven dat zij partijen destijds heeft medegedeeld dat zij kennis van het betreffende vonnis heeft genomen. Wat hier verder ook van zij, naar het oordeel van de wrakingscommissie strekt het te ver om uit het handelen door de voorzitter op dit punt de conclusie te trekken dat er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan haar onpartijdigheid of onafhankelijkheid. De wrakingscommissie beoordeelt of een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Dat daarvan in deze zaak sprake zou zijn, is niet onderbouwd en dit is naar het oordeel van de wrakingscommissie ook niet gebleken. Wrakingsgrond 2 faalt dan ook.
Conclusie
De conclusie is dat er naar het oordeel van de wrakingscommissie geen gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. De wrakingscommissie zal het wrakingsverzoek dan ook afwijzen.
De beslissing
De wrakingscommissie wijst het wrakingsverzoek af.