Wrakingsverzoek afgewezen: geen objectieve twijfel aan onpartijdigheid

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Wrakingscommissie    Categorie: Wraking    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: -

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak vroeg een verzoekster om de voorzitter en een commissielid van de Geschillencommissie Voertuigen te vervangen (te “wraken”). Zij vond dat de commissie tijdens de zitting ondeskundig, onduidelijk of partijdig had gehandeld. De wrakingscommissie keek of er objectieve redenen waren om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de betrokken leden. De verzoekster bracht zeven klachten naar voren, zoals dat de voorzitter een negatieve toon zou hebben gezet, dat er twijfel was aan zijn deskundigheid, dat een commissielid in de wachtruimte een gesprek zou hebben opgevangen, dat een technische uitleg verkeerd werd samengevat, dat een opmerking van haar ‘denigrerend’ werd genoemd, dat de zitting rommelig verliep en dat het leek alsof niet alle stukken waren gelezen. De wrakingscommissie verklaarde dat geen van deze punten laat zien dat de commissieleden partijdig of niet onafhankelijk waren. Sommige zaken waren ongelukkig of berustten op misverstanden, maar hadden geen invloed op de neutraliteit van de commissie. Ook hoeft een commissie niet alles tijdens de zitting te bespreken en kan een onjuiste term of een rommelige zitting niet automatisch leiden tot wraking. Omdat er geen objectieve aanwijzingen waren voor partijdigheid en de argumenten onvoldoende waren onderbouwd, verklaarde de wrakingscommissie het verzoek direct niet‑ontvankelijk. De oorspronkelijke commissie mag de behandeling van de zaak dus gewoon voortzetten.

De volledige uitspraak

in het verzoek van:

[verzoeker],

welk verzoek strekt tot wraking van:

  1. […], voorzitter van de Geschillencommissie Voertuigen (hierna: de voorzitter),
  2. […], commissielid van de Geschillencommissie Voertuigen (hierna: commissielid).

Het wrakingsverzoek en de reactie van de commissie
De wrakingscommissie stelt vast dat het verzoek van [datum] strekt tot wraking van de voorzitter en commissielid van de geschillencommissie Voertuigen (hierna: de commissie), in [zaaknummer] tussen verzoekster en [naam verweerder] (hierna: verweerder). Voor het standpunt van verzoekster verwijst de wrakingscommissie naar het wrakingsverzoek.

Op 11 februari 2024 hebben de voorzitter en commissielid op het wrakingsverzoek gereageerd met de conclusie dat het verzoek kennelijk ongegrond dient te worden verklaard. Voor het standpunt van de voorzitter en commissielid verwijst de wrakingscommissie naar voornoemd bericht.

De beoordeling
Bevoegdheid en ontvankelijkheid

Op grond van artikel 2 van het reglement van de wrakingscommissie heeft de wrakingscommissie tot taak te beslissen op een wrakingsverzoek van een van de partijen in een geschil dat door een geschillencommissie in behandeling is genomen.

Verzoekster heeft het wrakingsverzoek gedaan naar aanleiding van de behandeling ter zitting van een geschil door de commissie op [datum]. Zij doet daarmee een beroep op artikel 25 van het reglement van de commissie, waarin de mogelijkheid tot wraking van leden van de commissie is vastgelegd. Conform artikel 25 lid 1 van het reglement van de commissie dient een wrakingsverzoek gedaan te worden binnen uiterlijk één week na de zitting waarop het geschil is behandeld. De wrakingscommissie stelt vast dat het wrakingsverzoek tijdig is gedaan.

Beoordeling wrakingsgronden
Verzoekster heeft (samengevat weergegeven) de volgende 7 wrakingsgronden naar voren gebracht.

  • De voorzitter heeft bij aanvang van de zitting de nadruk gelegd op het feit dat de motor van het voertuig niet meer aanwezig is,
  • De twijfel aan de deskundigheid van de voorzitter,
  • commissielid heeft de inhoud van het gesprek tussen verzoekster en de verweerder opgevangen tijdens het wachten in dezelfde ruimte voorafgaand aan de zitting,
  • commissielid heeft de stelling van de deskundige over het verschil tussen 0W20 of 0W30 uit zijn verband getrokken,
  • commissielid merkte tijdens de zitting op dat de opmerking van verzoekster over de motorolie ‘denigrerend’ was,
  • De zitting verliep rommelig,
  • De indruk dat de door verzoekster overgelegde stukken niet gelezen zijn door de commissie.

Beoordelingskader
De wrakingscommissie zal deze wrakingsgronden aan de hand van het volgende beoordelingskader behandelen.

De wrakingscommissie dient ingevolge artikel 7 lid 5 van het reglement van de wrakingscommissie en artikel 24 lid 1 van het reglement van de commissie te onderzoeken of er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid, wiens wraking is verzocht. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid is wel van belang, maar niet doorslaggevend. De vrees van partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

Wrakingsgrond 1
Verzoekster stelt dat de voorzitter de zitting begon met de nadruk te leggen op het feit dat de motor van het voertuig niet meer aanwezig is, terwijl uit de verklaringen van de deskundigen over de toedracht blijkt dat dit geen probleem is. Volgens verzoekster heeft de voorzitter hierdoor een negatieve toon gezet bij de aanvang van de zitting. De voorzitter en het commissielid hebben in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat de vermelding ter zitting dat de motor niet meer voor nader onderzoek beschikbaar is geweest voor de geraadpleegde deskundigen, slechts een feitelijke vaststelling is die niet als negatieve toonzetting kan worden gekarakteriseerd.

De wrakingscommissie is van oordeel dat het slechts vermelden van het feit dat de motor niet aanwezig was voor nader onderzoek, zonder dat daaraan enig oordeel is verbonden, niet tot de conclusie kan leiden dat er objectief gerechtvaardigde vrees of twijfel kan zijn aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Dat het noemen van dit feit ter zitting door verzoekster is ervaren als een negatieve toonzetting is in dit geval dus niet doorslaggevend. Wrakingsgrond 1 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 2
Verzoekster stelt dat de voorzitter de olie 0W20 noemde in plaats van 0W30. Als gevolg hiervan verzoekster twijfelt aan de deskundigheid van de voorzitter en vraagt zich af of hij realiseert wat de gevolgen zijn van het toepassen van de verkeerde motorolie. De voorzitter en het commissielid hebben in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat het verschil in motorolie door de commissie is onderkend en uitgebreid aan de orde is gekomen tijdens de zitting.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Het enkele feit dat de voorzitter een vergissing maakt in de benaming van de motorolie rechtvaardigt naar het oordeel van de wrakingscommissie niet dat er twijfel bestaat aan de deskundigheid van de voorzitter. Het strekt te ver om uit deze vergissing de conclusie te trekken dat de voorzitter zich niet realiseert wat de gevolgen kunnen zijn van het toepassen van de verkeerde motorolie. Dit geldt te meer nu verzoekster eenzelfde fout maakt in haar wrakingsverzoek. Voor zover er wel sprake zou zijn van twijfel aan de (inhoudelijke) deskundigheid van de voorzitter betekent dat nog niet dat er ook sprake is van objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter. Wrakingsgrond 2 faalt derhalve.

Wrakingsgrond 3
Verzoekster stelt dat het commissielid de inhoud van het gesprek tussen haar en de verweerder heeft opgevangen tijdens het wachten in dezelfde ruimte voorafgaand aan de zitting. Verzoekster twijfelt hierdoor aan de partijdigheid en onafhankelijkheid van het commissielid. De voorzitter en het commissielid hebben in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat commissielid geen getuige was van enig zaakinhoudelijk gesprek toen hij even in dezelfde wachtruimte zat als partijen en dat – ook al zou dat wel het geval zijn geweest – dit zijn neutraliteit niet had kunnen beïnvloeden.

De wrakingscommissie is van oordeel dat de aanwezigheid van het commissielid in dezelfde wachtruimte als partijen ongelukkig is. Hij had die ruimte moeten verlaten of zich als commissielid in de zaak kenbaar moeten maken. Uit deze ongelukkige situatie valt echter niet af te leiden dat hierdoor de objectief gerechtvaardigde twijfel is ontstaan aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het commissielid tijdens de behandeling van het geschil ter zitting. Gesteld noch gebleken is immers dat hiervoor concrete aanknopingspunten waren tijdens de zitting. Wrakingsgrond 3 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 4
Verzoekster stelt dat commissielid de verklaring van de deskundige van verzoekster over het verschil tussen 0W20 of 0W30 uit de context heeft gehaald, omdat de deskundige ook het samenspel met de temperatuur heeft aangegeven. Het kwam daardoor op verzoekster over dat de commissie, net als verweerder, (onterecht) de olie enkel beoordeelt op viscositeit.

De wrakingscommissie is van oordeel dat de inhoudelijke beoordeling van een geschilpunt is voorbehouden aan de commissie. Het middel van wraking kan niet worden benut om de juistheid van een dergelijke inhoudelijke beoordeling alvast inhoudelijk aan de orde te stellen. Van een objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de commissie is de wrakingscommissie niet gebleken. Wrakingsgrond 4 faalt derhalve.

Wrakingsgrond 5
Verzoekster stelt dat commissielid tijdens de zitting aangaf dat de opmerking van verzoekster “dat je dan net zo goed slaolie of olijfolie toe zou kunnen passen” denigrerend was, terwijl haar opmerking helemaal niet zo bedoeld was. Verzoekster is hierdoor gaan twijfelen of het commissielid partijdig is.

De wrakingscommissie is van oordeel dat de (gevoelsmatige) kwalificatie door commissielid van de opmerking van verzoekster als ‘denigrerend’, niet is aan te merken als een inhoudelijke waardering van (een deel van) het geschil waaruit geobjectiveerde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het commissielid kan zijn ontstaan. De wrakingscommissie ziet het slechts als een poging van commissielid om de discussie tussen partijen betamelijk te houden. Wrakingsgrond 5 faalt dan ook.

Wrakingsgrond 6
Verzoekster stelt dat de zitting zeer rommelig is verlopen, omdat verweerder via Zoom verbinding door de uitleg van de deskundige van verzoekster heen praatte. De voorzitter en het commissielid hebben in reactie op deze wrakingsgrond aangegeven dat de animositeit tussen partijen de oorzaak is van de door verzoekster ervaren rommelige sfeer ter zitting, en dat dit niet komt door de houding van de commissie.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Het is de taak van de voorzitter om te proberen te voorkomen dat partijen door elkaar heen praten. Dat dit soms ter zitting gebeurt is echter niet altijd te voorkomen, nu dit vaak het resultaat is van de emoties van partijen die hoog oplopen en (in dit geval) een zitting die deels online plaatsvindt. Nu uit de toelichting van verzoekster niet is gebleken dat zij door de onderbrekingen van verweerder onvoldoende haar kant van het verhaal heeft kunnen vertellen, kan deze grond niet tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek leiden.

Wrakingsgrond 7
Verzoekster stelt dat het lijkt alsof de door haar overgelegde stukken niet gelezen zijn door de commissie, omdat de volgende twee punten tijdens de zitting niet ter sprake zijn gekomen:

  • De stelling van verzoekster dat de deskundigen van beiden partijen tot dezelfde conclusie zijn gekomen,
  • de uitleg van verzoekster over bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor het bewijzen van het causaal verband.

De voorzitter en het commissielid betwisten dat zij geen kennis hebben genomen van alle ingebrachte stukken.

De wrakingscommissie overweegt als volgt. Dat een stelling van één van partijen niet expliciet ter sprake is gekomen tijdens de zitting betekent niet dat de commissie hiervan geen kennis heeft genomen. De geplande duur van een zitting is echter te kort om alle ingebrachte stukken in detail te bespreken. De commissie zal zich daarom beperken tot het stellen van vragen over de punten waarvoor zij nog een verdere toelichting nodig acht om tot haar oordeel te komen. Het niet aan de orde stellen van alle stellingen van partijen leidt nog niet tot de conclusie dat er sprake is van objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter Ook deze wrakingsgrond faalt dan ook.

Conclusie
De conclusie uit het voorgaande is dat verzoekster, conform artikel 6 sub a van het reglement van de wrakingscommissie, terstond niet ontvankelijk wordt verklaard in haar wrakingverzoek.

Derhalve wordt als volgt beslist.

De Beslissing

De commissie:
– verklaart verzoekster terstond niet ontvankelijk in haar verzoek tot wraking van de voorzitter en het commissielid.

Opslaan als PDF