Ziekenhuis handelde zorgvuldig bij complexe aandoeningen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1309083/1314839

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt verwijt de zorgaanbieder onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend handelen met betrekking tot de behandeling van de aandoening Hidradenitis Suppurativa door de afdeling Dermatologie. Naast deze aandoening heeft de cliënt ook de ziekte van Crohn. De cliënt verwijt de zorgaanbieder niet meteen te hebben geopereerd maar eerst diverse onderzoeken af te hebben gewacht totdat duidelijk was of een zogenoemde ‘deroofing’ operatie mogelijk was. De zorgaanbieder stelt daartegenover dat nader onderzoek – in de vorm van een MRI, een X-thorax en bloedonderzoek – nodig was om vast te stellen welke behandeling diende te worden toegepast en dat een derde zogenoemde deroofing operatie vooralsnog niet mogelijk was. De commissie oordeelt dat er reden was voor MRI-, X-thorax- en bloedonderzoek en dat het ziekenhuis heeft gehandeld zoals een goed hulpverlener mag doen en verklaart daarom alle klachten ongegrond.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC), gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder zorgvuldig en voldoende voortvarend heeft gehandeld in de behandeling van de cliënt.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt heeft de aandoening Hidradenitis Suppurativa (hierna te noemen: HS) en daarnaast de ziekte van Crohn. In 2017 en 2018 is de cliënt tweemaal geopereerd – door middel van een zogenoemde deroofing operatie – in het kader van de behandeling van HS. In augustus 2023 is de cliënt opnieuw door de huisarts doorverwezen voor de behandeling van HS.

Op 20 november 2023 vond het eerste consult bij [naam] (supervisor) en [naam] (anios) plaats, waarbij de huidafwijkingen zijn beoordeeld en foto’s zijn gemaakt. Op die dag werd ook een screening gepland voor een MRI en het maken van een thoraxfoto en bloedprikken. Tevens vond overleg met de MDL-arts in het [gasthuis] plaats. De cliënt wenste echter onmiddellijk een derde deroofing operatie omdat deze operatie de enige succesvolle ingreep is om haar aandoening langdurig met succes te bestrijden. De behandelend arts wilde echter eerst de MRI-screening afwachten. Omdat de cliënt niet begreep waarom een MRI en bloedprikken noodzakelijk waren, is zij deze afspraak niet nagekomen.
Op 27 december 2023 ondergaat de cliënt alsnog een MRI en laat zij ook de thoraxfoto realiseren.
Op basis van de uitslag van de MRI wordt geadviseerd dat de cliënt Humira/Remicade moet nemen, zonder dat een MDO-overleg plaatsvindt. De cliënt wijst er dan op dat zij dat niet wil omdat zij ernstig allergisch reageert op het gebruik van Humira/adalimumab. In het verleden heeft de cliënt een behandeling met Humira ondergaan in het [ziekenhuis] en zij is toen daarvan ernstig ziek geworden.
Op 15 januari 2024 is door de behandelend arts telefonisch aan de cliënt naar aanleiding van de uitslag van de MRI meegedeeld dat een deroofing operatie niet mogelijk was. Op 12 februari 2024 vond er een volgend consult plaats en heeft de cliënt meegedeeld dat zij in het verleden veel bijwerkingen heeft gehad van het middel Humira en zij daarom behandeling met infliximab niet zag zitten. Op 18 maart 2024 heeft de cliënt telefonisch te horen gekregen dat zij binnen zes weken een oproep voor de poli MDL in het [gasthuis] zou ontvangen.
Op 7 april 2024 heeft de cliënt een consult bij de MDL-arts van het [ziekenhuis]. De cliënt is dan doodziek. Deze arts verwijst de cliënt meteen naar een rectaal chirurg en bloedprikken. Op 15 april 2024 vindt nogmaals een MRI plaats en op 16 april 2024 wordt de cliënt met spoed geopereerd. Daarna is een duidelijke verbetering bij de cliënt opgetreden,
Pas vijf maanden later, op 9 september 2024, ontvangt de cliënt een afspraak om te verschijnen bij de zorgaanbieder op het HS spreekuur.
De cliënt heeft – kort samengevat – de volgende vijf klachten:

Klacht 1: screening zonder toestemming
De cliënt wenste een nieuwe deroofing operatie maar het ziekenhuis plande in plaats daarvan een MRI-scan en bloedprikafspraak. Ook is aan de cliënt geen informatie verstrekt over de noodzaak en risico’s van de screening.
Klacht 2: er is een telefoongesprek genoteerd in het medisch dossier dat nooit heeft plaatsgevonden
In het verweerschrift wordt gesteld dat de cliënt op 4 december 2023 telefonisch zou zijn benaderd met het verwijt dat zij de afspraak had gemist. Dat is onjuist, de betreffende afspraak stond gepland voor
7 december 2023.

Klacht 3: de behandelend arts heeft de verkeerde poli benaderd over het gebruik van Humira
De behandelend arts heeft op 20 november 2023 zonder toestemming van de cliënt contact opgenomen met de polikliniek MDL van de zorgaanbieder, maar de behandeling met Humira vond destijds plaats in het [ziekenhuis].

Klacht 4: er is foutieve informatie gedeeld over de allergieën van de cliënt
De cliënt begrijpt niet dat er geen informatie over de allergie voor Humira in haar medisch dossier is vermeld.

Klacht 5: er is sprake van een ernstige verwijtbare vertraging in de behandeling
In het medisch dossier is voor een interne afspraak een vervolgtermijn van twee weken vermeld. In de brief aan de huisarts van 22 november 2023 is echter vermeld dat het beleid is drie maanden te wachten.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Bij het bezoek aan de zorgaanbieder in november 2023 is met de cliënt besproken dat een MRI-scan moest worden gemaakt om te kunnen beoordelen of de fistels mogelijk ook de kringspier of de darm zouden raken. Op 20 november 2023 is uitgebreid met de cliënt gesproken en is ook aan de orde geweest dat contact zou worden opgenomen met de MDL-arts in het [ziekenhuis] omdat de cliënt aangaf hevig te reageren op de medicatie die voor HS wordt voorgeschreven. In het medisch dossier is op 20 november 2023 vermeld ‘TC nav overleg met mdl’. In dit telefoongesprek is behalve over het overleg met de MDL-arts, gesproken over de klachten die de cliënt van Humira zou krijgen, dat een huisarts zou hebben gezegd dat ze deze medicatie niet meer mocht krijgen en dat zij open stond voor infliximab.
Er was twee keer een screening nodig: een maal voor beoordeling of behandeling met infliximab mogelijk was. Daarvoor diende de cliënt een TBC-vragenlijst in te vullen, was een X-thorax en bloedonderzoek nodig. En eenmaal voor beoordeling of een chirurgische deroofing mogelijk was. Daarvoor diende de cliënt een MRI-scan te ondergaan. Op 27 december 2023 is de MRI-scan gepland. Er wordt met de cliënt afgesproken dat zij dan ook gelijk de X-thorax kan laten maken en bloed laten prikken voor de screening van infliximab.

Op 4 december 2023 is er telefonisch contact geweest met de cliënt naar aanleiding van de screening. De cliënt is niet naar de radiologie gegaan en heeft geen bloed laten prikken. Er wordt uitgelegd dat zij contact kan opnemen met radiologie voor een afspraak en dat zij diezelfde dag ook gelijk bloed kan laten prikken in het ziekenhuis. Op 11 december 2023 neemt de anios telefonisch contact op met de cliënt omdat zij op
7 december 2023 niet is verschenen voor haar X-thorax. Er is nogmaals uitgelegd dat de X-thorax nodig is voor de screening voor infliximab.

Uit de MRI-scan van 27 december 2023 bleek dat het mogelijk ging om Crohn tunnels en dat deze ook de kringspier raakten. Chirurgische deroofing was daarom op dat moment technisch niet mogelijk. De cliënt is vervolgens verwezen naar de anorectaal chirurg om te laten beoordelen wat die chirurgisch voor de cliënt zou kunnen betekenen.
Omdat de cliënt had aangegeven slecht te reageren op adalimumab, is met de cliënt besproken dat infliximab, een middel dat op adalimumab lijkt maar net anders is, de cliënt mogelijk wel zou kunnen helpen. Om dit middel te starten moest echter wel o.a. tuberculose worden uitgesloten. Daarom waren een longfoto en bloedonderzoek nodig.

Nadat de cliënt op 27 december 2023 een MRI-scan en een X-thorax foto heeft laten maken heeft de anios op 15 januari 2024 telefonisch contact met de cliënt opgenomen en de uitslag van de MRI-scan en de thoraxfoto besproken. Uitgelegd wordt dat er tunnels rondom de anus lopen dat dit besproken moet worden met de supervisor om het beleid te bepalen. Er kan niet gestart worden met infliximab omdat de cliënt nog geen bloed heeft laten prikken. Met de cliënt wordt afgesproken dat zij op 12 februari, als zij een poliklinische afspraak heeft, alsnog bloed laat prikken.
Op 12 februari 2024 heeft de cliënt een afspraak met [naam] waarbij zij aangeeft in het verleden veel bijwerkingen te hebben gehad van Humira (Adalimumab) en daarom behandeling met infliximab niet ziet zitten en chirurgische behandeling wil. Er wordt besproken dat er geen andere medicamenteuze behandeloptie voor de HS is en dat een deroofing operatie pas mogelijk is na behandeling voor de fisteltunnels bij de anus door een anorectaal chirurg. Daarnaast wordt besproken dat contact zal worden opgenomen met de MDL-arts in het [ziekenhuis] om de behandeling van de ziekte van Crohn te optimaliseren.

Na pogingen tot contact op 4 en 11 maart 2024 koppelt [naam] op 18 maart 2024 aan de cliënt terug dat zij door de MDL-arts in het [ziekenhuis] zal worden opgeroepen en over vier maanden voor controle op de poli dermatologie van de zorgaanbieder wordt uitgenodigd. Deze afspraak op 9 september 2024 zegt de cliënt echter af en daarna is zij niet meer gezien.

Samenvattend was het in 2023 en 2024 niet mogelijk de huidafwijkingen van de cliënt chirurgisch te verwijderen omdat de vrees bestond dat de fistels die zich hadden gevormd in het gebied rond de anus, de kringspier of de darm hadden aangetast. Er was dus verder onderzoek en eventueel behandeling nodig voordat tot deroofing kon worden overgegaan. Daarom is de cliënt verwezen naar de MDL-arts in het [ziekenhuis] die op zijn beurt weer heeft doorverwezen naar de chirurg in het [ziekenhuis].

Beoordeling

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze overeenkomst dient de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en te handelen overeenkomstig de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Dit betekent dat de commissie beoordeelt of de zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden mocht worden verwacht. Daarbij geldt dat de commissie beoordeelt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van het handelen en niet met de kennis van achteraf.

Klachtonderdeel 1: screening zonder toestemming
De cliënt stelt dat zij MRI-screening heeft ondergaan zonder dat zij daarvoor toestemming heeft gegeven.
De commissie overweegt dat het doel van screening in belangrijke mate samenhangt met de aard van de klachten en de klinische bevindingen. Een MRI-scan is met name aangewezen wanneer er aanleiding is om weke delen en zenuwstructuren nader te beoordelen, bijvoorbeeld bij (progressieve) neurologische uitval of pijn door compressie van zenuwweefsel.
Uit het verweer van de zorgaanbieder blijkt dat de ernstige aandoening HS en de ziekte van Crohn bij de cliënt beide zorgen voor tunnel/fistel vorming rond de anus, billen en liezen welke op het oog niet van elkaar te onderscheiden zijn. HS is zeer moeilijk te behandelen en de behandelmogelijkheden zijn beperkt. Behandeling bestaat meestal uit ontstekingsremmende medicijnen zoals adalimumab en infliximab.
HS-tunnels die niet reageren op deze medicatie worden meestal weg geopereerd door middel van deroofing. Fisteling door de ziekte van Crohn gaat echter dieper en gaat door belangrijke structuren heen zoals de kringspier bij de anus en kan ook de darm raken. Crohn tunnels kunnen daarom niet worden behandeld door middel van deroofing.
Bij het bezoek aan de zorgaanbieder in november 2023 is daarom met de cliënt besproken dat een MRI-scan moest worden gemaakt om te kunnen beoordelen of de fistels mogelijk ook de kringspier of de darm zouden raken. Uit de MRI-scan bleek dat het mogelijk ging om Crohn tunnels en dat deze ook de kringspier raakten. Chirurgische deroofing was daarom op dat moment technisch niet mogelijk. De cliënt is vervolgens verwezen naar de anorectaal chirurg om te laten beoordelen wat die chirurgisch voor de cliënt zou kunnen betekenen
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat het noodzakelijk was een MRI-scan te vervaardigen. Cliënt heeft op 27 december 2023 de MRI-scan ook laten maken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2: er is een telefoongesprek genoteerd in het medisch dossier dat nooit heeft plaatsgevonden
De commissie overweegt dat uit het verweer volgt dat de screening van 4 december 2023 het maken van de MRI-scan betrof en niet de X-thorax. Op 7 december 2023 had de cliënt een afspraak voor de X-thorax. Ook op deze afspraak is de cliënt overigens niet verschenen.
Dit klachtonderdeel ontbeert feitelijke grondslag en is daarom ongegrond.

Klachtonderdelen 3 en 4: de behandelend arts heeft de verkeerde poli benaderd over het gebruik van Humira en er is foutieve informatie gedeeld over de allergieën van de cliënt
Uit het verweer van de zorgaanbieder blijkt dat contact is opgenomen met de MDL-arts van het [ziekenhuis].
Ook blijkt uit het verweer dat de bijwerkingen die de cliënt heeft van het gebruik met Humira met de arts(en) zijn besproken.
Deze klachtonderdelen zijn ook ongegrond.

Klachtonderdeel 5: er is sprake van een ernstige verwijtbare vertraging in de behandeling
Ter zitting van 30 maart 2026 heeft [supervisor] verklaard dat bij de cliënt sprake is van twee ernstige ziekten die volledig op elkaar lijken en daarom ook multidisciplinair behandeld moeten worden. Omdat de cliënt al een MDL-arts in het [ziekenhuis] had, is door de zorgaanbieder juist geprobeerd om dat zo te houden. De commissie overweegt dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan. Onderzoek was noodzakelijk om te beoordelen of de medicatie die de cliënt nodig had wel gegeven kon worden. Gelet op de omstandigheid dat de cliënt zowel bij de MDL-arts van het [ziekenhuis] als bij de dermatologen van de zorgaanbieder onder behandeling was, was goede onderlinge afstemming nodig. Gezien de uitslag van de MRI waaruit aanwijzingen voor fistelvorming bleek, moest een proctumchirurg worden ingeschakeld, hetgeen tijd nodig had in verband met een wachtlijst.
De commissie kan niet anders vaststellen dan dat de zorgaanbieder voldoende voortvarend te werk is gegaan, zeker gezien de complicaties die de cliënt had.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsuitoefening.

De klacht wordt in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– Verklaart de klachten van de cliënt ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. E.J.M. van Leent, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Land Smorenburg, secretaris, op 30 maart 2026.

Opslaan als PDF