Ziekenhuis schoot tekort bij beoordeling hartklachten

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1307274/1317304

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt vindt dat het ziekenhuis zijn hartklachten niet goed heeft onderzocht, omdat hij drie dagen na ontslag toch een hartinfarct kreeg. Hij denkt dat de onderzoeken signalen van gevaar hebben gemist en dat hij daardoor onterecht naar huis is gestuurd. Het ziekenhuis zegt dat alle onderzoeken toen normaal waren en dat er geen aanwijzingen waren voor een acuut probleem. De commissie oordeelt dat het ziekenhuis niet het juiste onderzoek heeft gedaan: gezien de hoge calciumscore, klachten en verhoogd troponine had uitgebreider onderzoek zoals een perfusiescan of katheterisatie moeten plaatsvinden. Daarom is de klacht gegrond. De cliënt krijgt € 500 immateriële schadevergoeding en het klachtengeld terug.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

HagaZiekenhuis, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het bij de cliënt uitgevoerde cardiologisch onderzoek.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt is vanwege klachten ten aanzien van zijn hart opgenomen bij de zorgaanbieder, waar diagnostisch onderzoek is verricht. Op basis van de uitslagen van het onderzoek bestond volgens de zorgaanbieder geen reden tot zorg, waarna de cliënt uit het ziekenhuis is ontslagen. Kort daarna kreeg de cliënt een hartinfarct. De zorgaanbieder had aan de uitslagen van het diagnostisch onderzoek kunnen zien dat een hartinfarct aanstaande was, maar de cliënt is alsnog ontslagen uit het ziekenhuis en naar huis gestuurd met maagtabletten.

De cliënt wenst erkenning en een passende schadevergoeding. Bij de cliënt is niet alleen sprake van inkomstenderving, ook heeft de cliënt immateriële schade opgelopen, te weten angst en een gebrek aan vertrouwen in de gezondheidszorg en in zijn eigen gezondheidstoestand.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder betreurt het dat de cliënt zo kort na zijn bezoek aan de spoedeisende hulp een hartinfarct heeft gekregen. De zorgaanbieder is echter van mening dat het ziekenhuis niet is tekortgeschoten in de behandeling van de cliënt.

Nadat de cliënt zich op 11 februari 2025 meldde op de afdeling SEH is hij uitvoerig onderzocht. Alle uitgevoerde onderzoeken wezen daarbij consistent in dezelfde richting: er was geen sprake van een acuut hartinfarct of een dreigende cardiale gebeurtenis die een langere ziekenhuisopname of invasieve behandeling rechtvaardigde.

De cardioloog heeft gehandeld volgens het principe van “primum non nocere” (in de eerste plaats niet schaden). Na de geruststellende uitslag van de CT-scan was het uitvoeren van verder invasief onderzoek, zoals een hartkatheterisatie, medisch niet geïndiceerd. Een dergelijke ingreep brengt een complicatierisico van circa 2% met zich mee. Dit risico is aanzienlijk hoger dan de berekende kans van minder dan 1% dat de cliënt op korte termijn een acuut hartprobleem zou ontwikkelen. Het was derhalve zorgvuldiger en in het belang van de patiënt om van deze ingreep af te zien.

Het ontslag om 15:30 uur was dan ook een logische en medisch verantwoorde beslissing. De cliënt was op dat moment pijnvrij en alle diagnostiek wees op een laagrisicoprofiel voor een hartinfarct/acuut coronair syndroom. De zorg is adequaat afgesloten met een herhaling van leefstijladviezen (stoppen met roken, hervatten cholesterolremmers) en het inplannen van een poliklinische vervolgafspraak om het verdere beleid te bespreken.

Samenvattend kan worden gesteld dat er op 11 februari 2025 zorgvuldig en juist is gehandeld. Er is een uitgebreid en volledig diagnostisch traject doorlopen dat verder ging dan wat op basis van de initiële lage risico-inschatting strikt noodzakelijk was. De resultaten van alle onderzoeken wezen eenduidig uit dat er geen sprake was van een acuut cardiaal probleem. De beslissing om de cliënt te ontslaan met passende adviezen en een vervolgafspraak was dan ook medisch juist en in het belang van de patiënt.

Gezien het voorgaande meent de zorgaanbieder dat zij niet aansprakelijk is voor enige door de cliënt geleden schade, omdat geen sprake is van toerekenbaar tekortschieten.

Beoordeling van het geschil

Wat aan het geschil vooraf is gegaan
Vaststaat dat de cliënt zich in 2022 bij de zorgaanbieder heeft gemeld met klachten van pijn op de borst. In dat kader is destijds een CT-calciumscore verricht, waaruit naar voren is gekomen dat bij de cliënt sprake was van verhoogde calciumscores.

Op 11 februari 2025 heeft de cliënt zich opnieuw bij de zorgaanbieder gemeld met klachten van pijn op de borst. Naar aanleiding daarvan heeft de zorgaanbieder wederom diagnostisch onderzoek verricht in de vorm van een CT-scan. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek heeft de zorgaanbieder geconcludeerd dat geen sprake was van een verhoogd risico op een hartinfarct. De cliënt is vervolgens uit het ziekenhuis ontslagen.

Drie dagen na het ontslag heeft de cliënt een hartinfarct doorgemaakt. De cliënt stelt zich op het standpunt dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht, doordat het verrichte onderzoek onvoldoende zorgvuldig zou zijn geweest en signalen die wezen op een dreigend hartinfarct niet, althans onvoldoende, zijn onderkend.

Soort onderzoek
De zorgaanbieder heeft op 11 februari 2025 besloten opnieuw een CT-scan te verrichten, met als doel de bij de cliënt vastgestelde calciumscores te vergelijken met de uitkomsten van het onderzoek uit 2022.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder aangevoerd dat bij de cliënt in februari 2025 geen sprake was van zorgwekkende calciumscores. De commissie volgt dit standpunt niet. Uit het medisch dossier blijkt immers dat bij de cliënt op 11 februari 2025 een calciumscore van 186 is vastgesteld. Gelet op de persoonsgebonden kenmerken van de cliënt correspondeert deze score met een waarde boven het 90e percentiel.

In dit verband wijst de commissie erop dat uit de FMS-richtlijn Cardiovasculair risicomanagement volgt dat bij een coronaire kalkscore hoger dan 100, dan wel hoger dan het 75e percentiel, herclassificatie naar een hoger cardiovasculair risicoprofiel aangewezen kan zijn. Met een calciumscore van 186, gelegen boven het 90e percentiel, was bij de cliënt derhalve sprake van een sterke aanwijzing voor een hoog vasculair risico. Daarbij komt dat bij de cliënt volgens het medisch dossier sprake was van een (stabiel) verhoogd troponine en dat de cliënt klachten presenteerde die als typisch kunnen worden aangemerkt.

Gelet op deze omstandigheden, te weten de eerder in 2022 vastgestelde afwijkingen, de hoogte van de calciumscores in februari 2025, het verhoogde troponine en het klinische klachtenbeeld, had het op de weg van de zorgaanbieder gelegen om de gezondheidssituatie van de cliënt met verhoogde zorgvuldigheid te beoordelen. Naar het oordeel van de commissie was het (opnieuw) uitvoeren van een CT-scan onder deze omstandigheden niet het meest aangewezen onderzoek. Een perfusiescan had meer inzicht kunnen bieden in eventuele ischemie, vernauwingen dan wel schade aan littekenweefsel.

Desgevraagd heeft de zorgaanbieder ter zitting verklaard dat een perfusiescan op dat moment niet is uitgevoerd wegens het ontbreken van beschikbare capaciteit en de geldende wachttijden. De commissie is van oordeel dat organisatorische of capacitaire beperkingen geen rechtvaardiging kunnen vormen voor het achterwege laten van diagnostisch onderzoek, indien daar vanuit medisch oogpunt wel degelijk aanleiding toe bestaat. Ook het verrichten van een katheterisatie had, gelet op de situatie van de cliënt, meer voor de hand gelegen dan het uitvoeren van een nieuwe CT-scan.

Het betoog van de zorgaanbieder dat extra zorgvuldigheid is betracht door de cliënt een dag langer ter observatie in het ziekenhuis te houden, kan aan het voorgaande niet afdoen. Evenmin volgt de commissie het standpunt dat de HEART-score geen aanleiding gaf tot verder handelen. Een HEART-score betreft immers geen zelfstandig klinisch beslisinstrument en het discriminerend vermogen daarvan is beperkt, zodat hieraan niet de doorslaggevende betekenis kan worden toegekend die de zorgaanbieder daaraan heeft verbonden.

In zoverre is de klacht van de cliënt gegrond. De commissie benadrukt daarbij dat dit oordeel niet inhoudt dat, indien ander of aanvullend diagnostisch onderzoek zou zijn verricht, het optreden van het hartinfarct met zekerheid had kunnen worden voorkomen. Een dergelijk infarct kan zich immers in een zeer kort tijdsbestek ontwikkelen.

Het oordeel van de commissie beperkt zich derhalve tot de vraag of het door de zorgaanbieder op 11 februari 2025 uitgevoerde onderzoek, te weten de CT-scan, in de gegeven omstandigheden als passend en zorgvuldig kan worden aangemerkt.

Schadevergoeding
De cliënt heeft een vergoeding van schade gevorderd, bestaande uit materiële schade wegens inkomstenderving en immateriële schade wegens angstgevoelens en verlies van vertrouwen.

Voor toekenning van schadevergoeding is vereist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de behandelovereenkomst en dat de cliënt als gevolg van die tekortkoming schade heeft geleden. De schade kan zowel materieel als immaterieel van aard zijn. Voor immateriële schadevergoeding geldt op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b BW dat deze slechts toekomt aan degene die lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad, of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de zorgaanbieder toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de behandelovereenkomst.

Ten aanzien van de materiële schade merkt de commissie op dat de cliënt deze vordering in het geheel niet heeft onderbouwd, waardoor deze vordering dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de commissie als volgt. De commissie acht aannemelijk dat de cliënt door het handelen van de zorgaanbieder psychisch leed heeft ondervonden. De cliënt heeft daartoe overtuigend gesteld dat bij hem sprake is van psychisch en emotioneel nadeel, te weten angstgevoelens en een gebrek aan vertrouwen in de gezondheidszorg alsmede een gebrek aan vertrouwen in zijn eigen gezondheidstoestand. Daarbij acht de commissie van belang dat de cliënt uit het ziekenhuis is ontslagen omdat werd aangenomen dat zijn gezondheidstoestand geen aanleiding gaf tot verdere interventie, terwijl hij korte tijd later een hartinfarct heeft doorgemaakt.

Daarmee staat naar het oordeel van de commissie vast dat de cliënt “op andere wijze in zijn persoon is aangetast” als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW. De omvang van de immateriële schade laat zich niet exact begroten. De commissie begroot deze, mede gelet op de aard en duur van de tekortkoming, de ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de gevolgen voor de cliënt, ex aequo et bono op € 500,-.

De commissie acht dit bedrag passend en billijk als compensatie voor het door de cliënt ondervonden immateriële nadeel.

Nu de klacht gegrond is, dient de zorgaanbieder daarnaast conform het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen het door de cliënt betaalde klachtengeld aan hem te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen een maand na verzending van dit bindend advies een immateriële schadevergoeding van € 500, aan de cliënt dient te betalen;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 52,50 aan hem dient te vergoeden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, de heer dr. M.E.W. Hemels, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 6 februari 2026.

Opslaan als PDF