Zorgaanbieder gaat via lidmaatschap brancheorganisatie akkoord met behandeling door commissie

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: (On)bevoegdheid    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bevoegdverklaring   Uitkomst: bevoegd   Referentiecode: 130736/134436

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klaagster heeft dezelfde klacht twee keer voorgelegd aan de commissie. De klaagster stelt dat de zorgaanbieder haar niet prettig heeft behandeld en dat de zorgaanbieder geweigerd heeft haar klacht in behandeling te nemen. De zorgaanbieder stelt dat de commissie niet over de klacht kan oordelen omdat zij niet aangesloten was bij de commissie toen de klacht werd ingediend. Volgens de klaagster was de zorgaanbieder via de brancheorganisatie wel aangesloten en verwees de zorgaanbieder op de website ook naar de commissie. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder lid is van de brancheorganisatie die is aangesloten bij de commissie. Dit betekent dat de zorgaanbieder met het lidmaatschap van de brancheorganisatie akkoord is gegaan met de behandeling van het geschil door de commissie. De zorgaanbieder heeft dit bevestigd door op de website naar de commissie te verwijzen. Volgens het regelement van de commissie is de commissie bevoegd om over dit geschil te oordelen.

Volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Klaagster], in haar hoedanigheid van nabestaande van [cliënt], wonende te [woonplaats],

en

Stichting Interzorg Groep, gevestigd te Ferwert,
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Klaagster heeft bij de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (hierna te noemen: de commissie) op 10 januari 2021 door middel van het daartoe bestemde vragenformulier een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder.

De zorgaanbieder heeft op 28 mei 2021 schriftelijk verweer gevoerd tegen die klacht en primair gesteld dat de commissie niet bevoegd is het geschil in behandeling te nemen.

Klaagster heeft op 28 juni 2021 op het verweer van de zorgaanbieder gereageerd.

Vervolgens is de verdere behandeling van de op 10 januari 2021 ingediende klacht – destijds bij de commissie geregistreerd onder [zaaknummer]– beëindigd.

Op 24 september 2021 heeft klaagster bij de commissie door middel van het eerder genoemde vragenformulier opnieuw een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder, welke klacht identiek is aan de op 10 januari 2021 ingediende klacht. De klacht van 24 september 2021 is bij de commissie geregistreerd onder 130736/134436. De door partijen in de zaak met [zaaknummer] overgelegde stukken zijn gevoegd in de zaak met zaaknummer 130736/134436.

De commissie heeft besloten eerst te oordelen over het bevoegdheidsverweer en – indien zij zich bevoegd acht –pas in tweede instantie en op een later tijdstip over de inhoud van het geschil.

De commissie heeft de vraag of zij al dan niet bevoegd is op 14 januari 2022 buiten aanwezigheid van partijen behandeld. Bij de behandeling was het commissielid mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker door middel van een videoverbinding aanwezig.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft op grond van de overgelegde stukken het volgende overwogen.

In de kern beklaagt klaagster zich over de wijze waarop de zorgaanbieder cliënt heeft bejegend en over het feit dat de zorgaanbieder heeft geweigerd de klacht van klaagster in behandeling te nemen. Voor de verdere inhoud van de klacht verwijst de commissie naar de door klaagster overgelegde stukken, dit in verband met de aard van deze beslissing, waarin niet de inhoud van de klacht aan de orde is, maar slechts de voorvraag of de commissie al dan niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

De zorgaanbieder baseert zijn bevoegdheidsverweer op het volgende. Artikel 4 van het reglement van de commissie bepaalt dat de commissie bevoegd is een aanhangig gemaakt geschil te behandelen, indien partijen zijn overeengekomen zich aan het bindend advies van de commissie te onderwerpen. Aan deze voorwaarde is volgens de zorgaanbieder niet voldaan, omdat hij ten tijde van het aanhangig maken van het geschil – namelijk op 10 januari 2021 – niet was aangesloten bij de commissie.

Klaagster heeft op het bevoegdheidsverweer van de zorgaanbieder als volgt gereageerd. Via het lidmaatschap van de brancheorganisatie [naam brancheorganisatie] (hierna te noemen: [brancheorganisatie]) was de zorgaanbieder wel aangesloten bij de commissie. Bovendien verwees de zorgaanbieder op zijn website naar de commissie, zoals blijkt uit het overgelegde screenshot van 25 maart 2021. Op deze reactie van klaagster is de zorgaanbieder niet meer ingegaan.

De commissie overweegt als volgt.

Cliënt en de zorgaanbieder hebben met elkaar twee (afzonderlijke) overeenkomsten gesloten, te weten een “Zorgovereenkomst Wijkverpleging” en een “Huurovereenkomst Langdurig Verblijf Woonzorgcentrum [naam woonzorgcentrum]”.

De zorgaanbieder heeft de klacht van klaagster voorgelegd aan [brancheorganisatie], die de zorgaanbieder heeft laten weten dat de klacht niet is aan te merken als een klacht in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

De commissie onderschrijft het standpunt van [brancheorganisatie] niet. De reikwijdte van genoemde wet strekt zich uit over de gehele gezondheidszorg met als doel de veiligheid en kwaliteit van de zorg te verbeteren. De wet geldt voor alle zorgaanbieders, waaronder zorginstellingen. In de wet is vastgelegd wat goede zorg precies inhoudt en wat er moet gebeuren als mensen een klacht hebben over de zorg.

Uit de gevoerde correspondentie tussen de zorgaanbieder en cliënt en/of klaagster voorafgaand aan het indienen van de klacht bij de commissie leidt de commissie af dat de klacht in hoofdzaak betrekking heeft op het zorgbeleid van dan wel de zorguitvoering door de zorgaanbieder. Zonder uitputtend te zijn, verwijst de commissie daarvoor naar de volgende stukken, waarin aspecten voorkomen die op de zorg betrekking hebben: de eerste klachtbrief van 28 mei 2020, de tweede klachtbrief van 4 juni 2020, de derde klachtbrief van 11 juni 2020, de brieven van de zorgaanbieder van 19 juni 2020, 30 oktober 2020 en 20 november 2020 en de brief van de advocaat van de zorgaanbieder van 20 november 2020. Op grond van deze stukken is de commissie van oordeel dat de klacht van klaagster is aan te merken als een klacht in de zin van eerder genoemde wet.

Artikel 3, eerste lid, van het reglement van de commissie bepaalt dat de commissie tot taak heeft alle geschillen tussen cliënt en zorgaanbieder te beslechten. Artikel 1 van dat reglement definieert het begrip “zorgaanbieder” als het lid van de vereniging voor zorgondernemers [brancheorganisatie] (…) die zich bij de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken voor de behandeling van geschillen door de commissie heeft laten registreren. Artikel 4 van dat reglement bepaalt dat de commissie bevoegd is een aanhangig gemaakt geschil te behandelen, indien partijen zijn overeengekomen zich aan het bindend advies van de commissie te onderwerpen.

De commissie heeft geconstateerd dat de brancheorganisatie [naam brancheorganisatie] is aangesloten bij de hiervoor genoemde stichting. Verder heeft de commissie aan de hand van de website van [brancheorganisatie] geconstateerd dat de zorgaanbieder lid is van [brancheorganisatie].

Uit het feit dat de zorgaanbieder (via [brancheorganisatie]) bij de commissie is aangesloten, volgt dat hij op voorhand ermee akkoord is gegaan dat dit geschil door de commissie wordt beslecht. De zorgaanbieder heeft aan deze akkoordverklaring ook uiting gegeven, zoals blijkt uit het door klaagster overgelegd screenshot van 25 maart 2021 met informatie over de klachtenprocedure bij de zorgaanbieder. Die informatie bevat onder meer de mededeling – zakelijk weergegeven – dat een klacht die niet naar tevredenheid is afgehandeld, voorgelegd kan worden aan de landelijke geschillencommissie (www.degeschillencommissiezorg.nl). Ook de informatiebrochure “Wonen en verblijven Woonzorgcentrum [naam woonzorgcentrum]”, versie augustus [versienummer], gepubliceerd op de website van de zorgaanbieder (inmiddels vervangen door een versie van januari 2022), vermeldde dat een klacht aanhangig gemaakt kon worden bij de landelijke geschillencommissie (www.degeschillencommissie.nl). In het vragenformulier dat klaagster op 24 september 2021 heeft ingediend en daarmee de klacht bij de commissie aanhangig heeft gemaakt, heeft zij verklaard zich te onderwerpen aan de bepalingen van het reglement van de commissie en de uitspraak van de commissie als bindend te aanvaarden. Op grond van een en ander stelt de commissie vast dat beide partijen zich ermee akkoord hebben verklaard – en dus met elkaar door aanbod en aanvaarding daarvan zijn overeengekomen – dat dit geschil door de commissie wordt behandeld. De commissie acht zich bevoegd het geschil te behandelen.

Beslissing
De commissie:

– verklaart zich bevoegd van het geschil kennis te nemen;

– stelt partijen in de gelegenheid binnen veertien dagen na verzending van deze beslissing aan de
commissie kenbaar maken of zij bij de inhoudelijke behandeling van dit geschil mondeling gehoord
wensen te worden of dat de commissie het geschil verder kan behandelen op grond van de
overgelegde stukken.

Aldus beslist op 14 januari 2022 door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.