Zorgaanbieder had behandelbeleid beter duidelijk moeten maken voor klaagster

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 115273/13131

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De echtgenoot van de klaagster, de cliënt, woonde in het verpleegtehuis van de zorgaanbieder. Hier heeft hij niet de juiste zorg gekregen en heeft hij onnodig geleden door een foute diagnose en te laat medisch ingrijpen. Zijn situatie is snel achteruitgegaan en de cliënt heeft veel pijn geleden. De klaagster eist erkenning van de gemaakte fouten. De zorgaanbieder stelt dat de cliënt zorgvuldig en goed is behandeld. De commissie oordeelt dat het medische beleid van de zorgaanbieder zorgvuldig en navolgbaar is. Wel had het voor de zorgaanbieder duidelijk moeten zijn dat het behandelbeleid niet duidelijk was voor de klaagster en dat er beter met haar gecommuniceerd had moeten worden. De klacht is ten dele gegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Klaagster), nabestaande van de [cliënt],

en

Stichting Patyna, gevestigd te Sneek
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 18 januari 2022 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

Ter zitting werd klaagster bijgestaan door [naam]. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door [naam], gemachtigde, [naam], AIOS, en [naam], specialist ouderengeneeskunde.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de medische behandeling van cliënt in het verpleegtehuis.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klaagster stelt dat cliënt, haar echtgenoot, niet de juiste zorg heeft gekregen in zijn laatste levensfase. Hij heeft onnodig geleden door een foute diagnose en te laat ingrijpen door de specialist ouderengeneeskunde. Hierdoor is hij in ongeveer anderhalve maand heel snel achteruitgegaan met dagelijks erg veel pijn.

Ter zitting heeft klaagster haar standpunt nader toegelicht. Cliënt leed aan Alzheimer maar was voordat hij in het verpleegtehuis werd opgenomen nog mobiel en was zelfs nog in staat om auto te rijden. In het verpleegtehuis verslechterde zijn situatie snel. Hij kreeg nek- en rugklachten. Klaagster heeft verschillende keren vergeefs gevraagd of een fysiotherapeut hem kon behandelen, maar de zorgprofessionals ontkenden de klachten. Ook haar verzoek om cliënt in het weekeinde mee naar huis te nemen werd door de zorgaanbieder afgewezen. Vanaf 19 maart 2020 was het voor klaagster niet meer mogelijk om cliënt te bezoeken in verband met het coronaprotocol.
Cliënt kreeg op een gegeven moment ademhalingsklachten en kon niet meer goed lopen. Omdat klaagster cliënt telkens verder achteruit zag gaan, met veel pijn ondanks de pijnmedicatie, heeft klaagster zijn situatie met een geriater en een cardioloog uit Amerika besproken, die haar adviseerden om een echografie van zijn hart te laten maken. De behandelend arts zag klinisch gezien hiertoe geen aanleiding. Cliënt zou alleen maar moe zijn en een verdere medische behandeling voor mensen met Alzheimer was niet meer mogelijk. Later begreep klaagster dat deze arts in opleiding was. Zij heeft de supervisor nooit gezien.
Na heel veel aandringen is er toch ingestemd met een ECG-onderzoek waaruit bleek dat cliënt twee hartinfarcten had gehad. Deze zijn niet (tijdig) door de behandelend artsen onderkend.
Klaagster heeft alles in het werk gezet om de pijn van cliënt te doen verlichten maar kreeg van de zorgaanbieder geen enkele medewerking. De zorgprofessionals verwezen haar naar de behandelend arts die niet reageerde.
Klaagster was de enige contactpersoon van cliënt, maar bij zijn overlijden werd zij niet gebeld om zijn eigendommen op te halen. Deze heeft zij in afvalzakken thuis gekregen. Klaagster stelt dat zij zeer respectloos is behandeld. Naast al haar verdriet vanwege het overlijden van cliënt heeft zij door het handelen van de zorgaanbieder extra psychisch leed ervaren.

Klaagster wenst erkenning voor het feit dat de zorgaanbieder te kort geschoten is in de verzorging van cliënt en dat deze haar fouten toegeeft.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Er is sprake geweest van een progressieve Alzheimerdementie bij cliënt gepaard gaande met een snelle achteruitgang van zijn algehele conditie en mobiliteit. Uiteindelijk leidde een plotseling optredend hartfalen op basis van een myocardinfarct tot een onomkeerbare situatie. Gezien de actieve behandelwens en het reanimeerbeleid volgde een spoedverwijzing voor cardiologische behandeling. Helaas mocht dat niet meer baten voor cliënt, waarna hij overleed. Conform de uitspraak van de onderzoekscommissie is er geen enkele tekortkoming in de kwaliteit van de zorg, en/of het zorgsysteem geconstateerd. Het medisch beleid is steeds navolgbaar geweest en getuigt van handelen volgens de professionele standaarden. De restricties wegens de coronapandemie hebben weliswaar een nadelige invloed gehad op de mogelijkheden van de zorgverlening, maar de zorgaanbieder heeft zich ingespannen om het verblijf voor cliënt en klaagster zo aangenaam mogelijk te maken en heeft cliënt een zo optimaal mogelijke kwaliteit van leven geboden gedurende de opname. Wel neemt de zorgaanbieder de leer- en verbeterpunten van de onderzoekscommissie ter harte en zij zal haar werkwijze en protocol(len) aanvullen waar nodig. Deze zijn inmiddels ook doorgevoerd in de registratie- en communicatiewijze.

De zorgaanbieder verzoekt om klaagster in haar aanvullende klachtgronden in haar brief van 12 januari 2022 niet-ontvankelijk te verklaren daar deze niet eerst aan de zorgaanbieder zijn voorgelegd en om de overige klachten ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De zorgaanbieder heeft een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de aanvullende klachten die klaagster in haar brief van 12 januari 2022 naar voren heeft gebracht.

Op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 1 onder a van het reglement verklaart de commissie op verzoek van de zorgaanbieder – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij zijn klacht niet eerst bij de zorgaanbieder heeft ingediend, tenzij van de cliënt in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht eerst bij het ziekenhuis indient.
Nu klaagster haar nieuwe klachten, geformuleerd in haar brief van 12 januari 2022 aan de commissie, niet eerst aan de zorgaanbieder heeft voorgelegd en er niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, verklaart de commissie onder verwijzing naar vorenstaande bepaling, klaagster ten aanzien deze nieuwe klachten niet-ontvankelijk.

Met betrekking tot de overige klachtonderdelen overweegt de commissie als volgt.
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De commissie vat de klachten van klaagster als volgt samen.
1. Er is sprake geweest van tekortkomingen in de medische behandeling van cliënt;
2. De zorgaanbieder heeft de klachten en verzoeken van klaagster niet serieus genomen.

Klachtonderdeel 1.
De door de zorgaanbieder ingestelde onderzoekscommissie onder leiding van een onafhankelijk arts tevens jurist overweegt dat cliënt in het verpleegtehuis is opgenomen met een progressieve Alzheimer-dementie. Klaagster heeft gesteld dat sprake is geweest van tekortkomingen in de behandeling van cliënt die er uiteindelijk toe hebben geleid dat cliënt in de laatste fase van zijn leven erg heeft geleden.

De onderzoekscommissie heeft in haar calamiteitenrapport van 7 november 2020 de volgende bevindingen vastgelegd:
“Het gedrag van en de omgang met cliënt heeft vanaf de opname veel tijd en aandacht gevraagd van de zorg en de arts. Bij het optreden van klachten betreffende het (slechter) lopen, de rugpijn en de wisselende klachten van de heupen wordt aanvankelijk gedacht aan een relatie met een (recidiverende) urineweginfectie die als zodanig ook twee keer wordt behandeld. Dit verhelpt de klachten niet. Gericht lichamelijk onderzoek locoregionaal levert geen duidelijke verklaring op. Om een (acuut) neurologisch incident uit te sluiten wordt (op 15 mei 2020) een CT scan van de hersenen gemaakt. Hierbij worden geen afwijkingen waargenomen die verklarend kunnen zijn voor de actuele problematiek. De rugpijn, pijn in de linker of rechter heup en een slechte mobiliteit blijven aanwezig. Al het nader onderzoek (lichamelijk onderzoek, ECG, CT hersenen en lab.) geeft geen duidelijke verklaring voor de achteruitgang. Verder onderzoek wordt niet direct proportioneel geacht, mede gezien de gevorderde dementie. Het ECG wordt door de cardioloog als afwijkend beoordeeld met het advies niet te verwijzen. In het kader van beperkte behandelwensen ziet de cardioloog weinig consequenties, tenzij een evaluatie van eventueel achterliggende pathologie zoals longembolie, ischemie of status na corona in de toekomst gewenst is. De blijvende verslechtering van de mobiliteit met rugpijn en heupklachten worden gerelateerd aan klachten van het houdings- en bewegingsapparaat. Verder speelt mogelijk een relatie met de voortschrijdende dementie. Gebruik van rolstoel biedt een oplossing. Het optreden van enkeloedeem (enkele keren genoemd in de rapportage van de zorg) kan verklaard worden vanuit orthostase bij sterke afname van mobiliteit en gebruik van rolstoel. Het komt niet terug in de rapportage van de artsen. De belangrijkste conclusie van de geriater en aanbeveling luidde: een luchtweginfect op basis van het klinisch beeld en het kleine infiltraat op de X-thorax. De behandeling met antibiotica werd gestart. Het medisch beleid was tot dan gericht op de voortschrijdende dementie, de fysieke beperkingen en het luchtweginfect. De verdere verslechtering die op 07 juni 2020 rond 19.20 uur optrad was niet eerder waargenomen en werd door de dienstdoende arts en verpleegkundige geplaatst in het gehele klinisch beeld dat bestond met het luchtweginfect en een verdere verslechtering daarvan. Er was geen verdenking op cardiaal lijden en cliënt werd Midazolam gegeven, om 21.30 uur, om voor de nacht meer in de rust te komen hetgeen goed hielp, de cliënt viel vlot in slaap. In de uren daarna werd om 01.30 uur het beeld van een cardiogene shock manifest op basis van een myocardinfarct (ECG). Overeenkomstig het actieve behandelbeleid werd cliënt in overleg met de cardioloog voor behandeling overgebracht naar het ziekenhuis. Aankomst ambulance 03.15 uur. De ambulanceverpleegkundige overlegde met de cardioloog en deze zag op basis van het klinisch beeld en het ECG geen indicatie voor spoedinterventie en adviseerde om naar het dichtstbijzijnde ([naam ziekenhuis]) ziekenhuis te Sneek gaan voor ondersteuning en behandeling. In het ziekenhuis aanwezig om 04.36 uur, vervolgens is de cliënt om 05.10 uur, na reanimatie poging, in het [naam ziekenhuis] in het bijzijn van zijn echtgenote overleden. (…)
De hoofdconclusie van de commissie ten aanzien van het ziektebeloop gedurende de opname van de cliënt is dat sprake is geweest van een progressieve Alzheimerdementie gepaard gaande met een snelle achteruitgang van de algehele conditie en de mobiliteit. Uiteindelijk leidde een plotseling optredend hartfalen op basis van een myocardinfarct tot een onomkeerbare situatie. Gezien de actieve behandelwens en het reanimeerbeleid volgde een spoedverwijzing voor cardiologische behandeling. Direct na aankomst in het ziekenhuis ontstond een reanimatiesituatie en overleed cliënt. De commissie heeft geen tekortkomingen in de kwaliteit van de zorg geconstateerd. In die zin concludeert de commissie dan ook dat geen sprake is geweest van een ernstig incident of calamiteit volgens de begripsomschrijving daarvan in de Wkkgz. Het medisch beleid is steeds navolgbaar geweest en van een onvoldoende handelen volgens de professionele standaard of tekortkomingen van het zorgsysteem is de commissie niet gebleken. Uit de reconstructie kan geconcludeerd worden dat alle medewerkers datgene hebben gedaan wat binnen hun professionele mogelijkheden lag en dat de handelwijze in overeenstemming was met de op dat moment geldende afspraken, het beleid en de aanwezige protocollen. En dat zij hebben geprobeerd de cliënt een zo optimale mogelijke kwaliteit van leven te bieden gedurende de opname. De restricties wegens de coronapandemie hebben weliswaar een nadelige invloed gehad op de mogelijkheden van de zorgverlening, maar zij hebben zich ingespannen om het verblijf voor de cliënt en de echtgenote zo aangenaam mogelijk te maken.”

De commissie deelt de zienswijze van deze onderzoekscommissie en maakt dit tot de hare. Op basis van de door beide partijen overgelegde stukken en hun standpunten over en weer heeft de commissie niet kunnen vaststellen dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen met betrekking tot de behandeling van de cliënt. In het licht van de totale problematiek, zoals in het calamiteitenrapport geschetst, oordeelt de commissie dat vanuit de behandelaren zorgvuldig is gehandeld ten aanzien van de achteruitgang en de klachten van de cliënt, en dat daaraan serieus aandacht is besteed. Het gehanteerde behandelbeleid is gegeven het klinische beeld, de beschikbare informatie en de context gedurende het verblijf van cliënt op de gegeven momenten steeds begrijpelijk. De commissie acht het gevolgde medisch beleid gedurende de gehele opname navolgbaar en voldoende zorgvuldig. Dit klachtonderdeel acht de commissie dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 2.
Ingevolgde de Wet Geneeskundige behandelingsovereenkomst dient een zorgaanbieder de cliënt te informeren over de medische behandeling en is voor deze medische behandeling toestemming van een cliënt vereist, het zogenaamd informed consent. Nu cliënt vanwege zijn psychische gesteldheid niet zelf in staat was om in te stemmen met de behandeling, lag het naar het oordeel van de commissie in de rede dat de zorgaanbieder, in het kader van informed consent voor de medische behandeling van cliënt, klaagster als eerste contactpersoon informeerde.
Uit het calamiteitenrapport komt naar voren dat de AIOS voornamelijk het contact met klaagster heeft onderhouden. In het rapport wordt hierover het volgende opgemerkt:
“Wat ontbreekt is een gezamenlijk standpunt van arts en echtgenote over zin en uitgebreidheid van specialistisch onderzoek (en eventuele behandeling) tegen de achtergrond van een voortschrijdende dementie. Uit het dossier valt op te maken dat de AIOS als behandelaar op de voorgrond treedt in het contact met de echtgenote. Er is sprake van betrokkenheid van de SO bij deze casus (overleg met AIOS en eigen onderzoek van cliënt), maar dit is niet zichtbaar voor de echtgenote. De SO-opleider heeft geen rol gehad in deze casus. De kern van de klacht van de echtgenote is dat zij heeft gerekend op inzet van alle medische zorg die beschikbaar is en dat de arts heeft ingezet op zorg zoals gebruikelijk bij de doelgroep. Hierover is tussen echtgenote en de arts onderling contact geweest maar geen overeenstemming bereikt. Daarbij waren de communicatiemogelijkheden door de coronarestricties niet optimaal. Dit verschil van inzicht en het ontbreken van overeenstemming heeft bij de echtgenote waarschijnlijk geleid tot het gevoel niet gehoord te zijn en het gevoel niet datgene te hebben kunnen doen voor haar man wat zij belangrijk en waardevol vond.”
De commissie is van oordeel dat voor de zorgaanbieder duidelijk moet zijn geweest dat voor klaagster, ondanks de toelichting door de AIOS, het behandelbeleid niet voldoende inzichtelijk was, temeer daar klaagster regelmatig aangaf dat cliënt de benodigde medische zorg werd onthouden. Hoewel uit het dossier blijkt dat er veelvuldig contact is geweest met klaagster, had de zorgaanbieder zich het naar het oordeel van de commissie nog meer moeten inspannen om (nogmaals) en bijvoorbeeld met behulp van de SO met haar te bespreken welke medische handelingen er op dat moment waren verricht naar aanleiding van de medische klachten van cliënt en om uit te leggen welk medisch handelen, gelet op de levensverwachting van cliënt, nog zinvol zou zijn en verricht zou gaan worden. Uit een en ander volgt dat van een vereist informed consent geen sprake is geweest. De commissie acht dit een toerekenbare tekortkoming.

De commissie kan zich voorstellen dat het, voor klaagster onverwachte, overlijden van cliënt heel ingrijpend is geweest en klaagster is achtergebleven met het gevoel van schuld dat zij niet heeft kunnen bewerkstelligen dat cliënt langer kon blijven leven. De commissie is echter, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat het overlijden van cliënt niet te wijten is geweest aan een onzorgvuldige medische behandeling. Cliënt had vanwege een vergevorderde Alzheimer een broze gezondheid met snel toenemende klachten die uiteindelijk hebben geleid tot zijn overlijden.

Al het vorenstaande leidt de commissie tot de slotsom dat de zorgaanbieder met betrekking tot de medische behandeling heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgaanbieder in gelijke omstandigheden zou hebben gehandeld. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder voor wat betreft de communicatie met klaagster (informed consent) tekort is geschoten.

Daar de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard zal de commissie de zorgaanbieder, onder verwijzing naar artikel 19 van het van toepassing zijnde reglement, veroordelen tot vergoeding aan klager van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart

– de klacht voor wat betreft de communicatie met klaagster (informed consent) gegrond;
– wijst het anders of meer gevorderde af;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot vergoeding van het klachtengeld van € 52,50 dat klaagster voor de behandeling van het geschil aan de commissie heeft voldaan. Betaling dient binnen één maand na verzenddatum van deze uitspraak te geschieden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mevrouw mr. N. Jacobs, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 18 januari 2022.