Zorgaanbieder had twijfel over diagnose met cliënt moeten delen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Schadevergoeding    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 231749/245431

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënte heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder, omdat de zorgaanbieder haar informatieplicht jegens de cliënte niet zou zijn nagekomen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder de cliënte had moeten informeren over de twijfel rond de diagnose en, als gevolg daarvan, het versturen van weefsel naar de Verenigde Staten. De commissie verklaart de klacht gegrond. De commissie wijst de vordering van de cliënte af, omdat de zorgaanbieder een vergoeding van € 5.000,– heeft uitgekeerd aan de cliënte en de commissie dit bedrag in alle redelijkheid passend acht.

In het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Academisch Ziekenhuis Leiden (LUMC), gevestigd te Leiden
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting

De cliënte heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder, omdat de zorgaanbieder haar informatieplicht jegens de cliënte niet zou zijn nagekomen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder de cliënte had moeten informeren over de twijfel rond de diagnose en, als gevolg daarvan, het versturen van weefsel naar de Verenigde Staten. De commissie verklaart de klacht gegrond. De commissie wijst de vordering van de cliënte af, omdat de zorgaanbieder een vergoeding van € 5.000,– heeft uitgekeerd aan de cliënte en de commissie dit bedrag in alle redelijkheid passend acht.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door mevrouw mr. [naam].

De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 februari 2024 te Den Haag.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
De cliënte heeft een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder, omdat de zorgaanbieder de informatieplicht jegens de cliënte niet zou hebben nageleefd naar aanleiding van onderzoek dat is verricht na het nemen van een biopt. De zorgaanbieder heeft niet medegedeeld dat er enige twijfel over de diagnose was en daarom weefsel naar de Verenigde Staten was gestuurd. Ook is de twijfel die er was niet met haar gedeeld, zodat zij geen goede afweging heeft kunnen maken bij de te volgen behandeling. De cliënte vordert een schadevergoeding van € 25.000,–.

De zorgaanbieder heeft ten eerste aangevoerd dat de cliënte niet-ontvankelijk is in haar klacht, omdat de klacht bij de interne klachtenprocedure is opgelost. De cliënte heeft een oordeel gekregen over haar aansprakelijkstelling en er is een schikking getroffen. Op het punt waarover de cliënte geen gelijk heeft gekregen – de communicatie in zijn algemeenheid tussen de afdeling Heelkunde en Oncologie – kan de cliënte niet klagen bij de commissie. De zorgaanbieder heeft daarnaast onder meer aangevoerd dat bij de cliënte bekend was dat er geen 100 % zekerheid was over de eerste diagnose. Bovendien heeft de cliënte bij de preoperatieve screening de vraag “ik zou zoveel mogelijk geïnformeerd willen worden over de procedure” beantwoord met “niet mee eens en niet mee oneens”, hetgeen de informatieverstrekker ruimte geeft voor een afweging.

De commissie dient allereerst de vraag te beantwoorden of de cliënte kan worden ontvangen in haar klacht. De commissie stelt vast dat de cliënte bij de interne klachtenprocedure grotendeels in het gelijk is gesteld en dat zij een coulance vergoeding heeft ontvangen van € 5.000,–. Bij het toekennen van deze vergoeding is van belang dat geen zogenoemde finale kwijting is overeengekomen zodat de cliënte in die zin in haar recht staat om een procedure bij de Geschillencommissie aanhangig te maken. De cliënte vordert bovendien een schadevergoeding van € 25.000,–, zodat zij een belang heeft bij een uitspraak van de commissie. De commissie is dus van oordeel dat de cliënte ontvankelijk is in haar klacht.

De commissie dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de zorgaanbieder een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de informatieverstrekking aan de cliënte. Daarbij is artikel 7:448 van het Burgerlijk Wetboek van belang. Op grond van dat artikel heeft de zorgverlener de plicht informatie te verstrekken waarvan de patiënt redelijkerwijs op de hoogte dient te zijn ten aanzien van onder andere voorgenomen onderzoek en voorgestelde behandelingen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder de twijfel die er was over de diagnose en, als gevolg daarvan, het versturen van weefsel naar de Verenigde Staten, met de cliënte had moeten delen. Het is daarbij niet relevant of de cliënte met die aanvullende informatie dezelfde of een andere beslissing had genomen ten aanzien van de te volgen behandeling. Deze informatie had simpelweg en zonder meer gedeeld moeten worden. De commissie vindt het zorgwekkend dat namens de zorgaanbieder ter zitting naar voren is gebracht dat dit ‘beter had gekund’. De commissie benadrukt: het had beter gemoeten. De commissie acht de klacht van de cliënte gegrond.

De commissie dient tot slot de vordering tot schadevergoeding te beoordelen. De commissie stelt vast dat de cliënte van de zorgaanbieder een vergoeding van € 5.000,– heeft ontvangen als coulance en om het klacht- en claimtraject af te sluiten. De commissie acht een dergelijk bedrag in alle redelijkheid passend. Nu de zorgaanbieder dit bedrag reeds heeft uitgekeerd aan de cliënte zal de commissie geen (aanvullende) schadevergoeding toekennen. De commissie wijst de vordering van de cliënte dus daarom af.

Nu de klacht van cliënte door de commissie gegrond is bevonden, dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie het door cliënte betaalde klachtengeld ad € 127,50 aan haar te vergoeden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënte gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen veertien dagen na verzending van dit bindend advies aan cliënte een bedrag van € 127,50 ter zake van het door haar betaalde klachtengeld dient te betalen;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw dr. K.M.A.J. Tytgat, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van de heer mr. N. van Gelder, secretaris, op 19 februari 2024.