Zorgaanbieder handelt niet onzorgvuldig met stopzetten behandeltraject na verloop afgesproken termijn zorgverzekeraar

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Vrijgevestigde GGZ praktijken    Categorie: Informatieverstrekking / Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 36216/40648

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klaagster is gestart met EMDR-therapie bij de zorgaanbieder. Na vijf behandelingen bleek dat er weinig resultaat werd behaald, daarom is er besloten om drie maanden te stoppen en daarna weer verder te gaan. Echter, de klaagster heeft van haar zorgverzekeraar vernomen dat de therapie door de zorgaanbieder gestopt en gedeclareerd is. Hier is zij het niet mee eens. Volgens de zorgaanbieder is er geprobeerd om contact met de klaagster te krijgen om de behandeling voort te zetten, maar dit is niet gelukt. De klaagster heeft zelf ook geen contact opgenomen, daarom ging de zorgaanbieder ervan uit dat zij geen belang meer had bij een behandeling. Daarnaast mag een behandeltraject maar drie maanden openstaan. De commissie concludeert dat de zorgaanbieder volgens de met de zorgverzekeraar overeengekomen termijn voor het openstaan van een behandeltraject, heeft gehandeld. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de werkzaamheden die zij heeft verricht te declareren bij de zorgverzekeraar. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Naam klaagster], wonende te [woonplaats]

en

Psychologiepraktijk Eline Biesheuvel B.V., gevestigd te Alkmaar (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Vrijgevestigde GGZ praktijken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Het bureau van de commissie heeft op 27 oktober 2020 aan beide partijen bericht dat de behandeling van het geschil zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan. De commissie heeft die bevoegdheid ook conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft geen van beide partijen te kennen gegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen op 27 oktober 2020 geïnformeerd dat de commissie binnen vier tot zes weken na 13 november 2020 schriftelijk zal beslissen over het geschil.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Onderwerp van het geschil
Klaagster heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het volgens klaagster eenzijdig beëindigen van de behandelovereenkomst door de zorgaanbieder na een overeengekomen stop in de behandeling gedurende drie maanden en het ten onrechte declareren van de therapie door de zorgaanbieder bij de zorgverzekeraar van klaagster, terwijl de klachten waarmee klaagster zich voor behandeling met therapie heeft gemeld nog bestaan.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 28 september 2018 is klaagster gestart met (EMDR-)therapie bij de zorgaanbieder. Bij de vijfde sessie werd duidelijk dat er met de therapie weinig resultaat werd behaald. In overleg met de therapeute is besloten om drie maanden te stoppen met de therapie en daarna opnieuw contact te hebben. Klaagster heeft echter van haar zorgverzekeraar vernomen dat de therapie is afgesloten en dat deze is gedeclareerd op 6 mei 2019. Op 21 juni 2019 heeft klaagster hierover een email gestuurd naar de zorgaanbieder, maar dat heeft niet tot een voor klaagster bevredigende oplossing geleid. Klaagster is via de Landelijke Vereniging voor Vrijgevestigde Psychologen & psychotherapeuten (LVVP) terechtgekomen bij een klachtenfunctionaris van Klacht & Company. Via de klachtenfunctionaris werden de klachten van klaagster tegen de zorgaanbieder behandeld. Op 6 mei 2020 is de klachtenprocedure via de klachtenfunctionaris geëindigd. Er is geen oplossing gekomen. Op 20 juni 2020 heeft klaagster een klacht ingediend bij de commissie.

Volgens klaagster is haar vertrouwen in de GGZ-psycholoog behoorlijk beschadigd. Klaagster voelt zich in de steek gelaten en is diep teleurgesteld. De therapie kon niet worden afgemaakt en de klachten bestaan nog. Klaagster heeft de commissie verzocht als onpartijdige instelling een oordeel te geven over de zaak.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat er op 16 en 17 april 2019 is geprobeerd telefonisch contact met klaagster te leggen om over de eventuele voortzetting van de behandeling te spreken, maar dat dit niet is gelukt. Aangezien klaagster tot mei 2019 ook zelf geen contact met de zorgaanbieder heeft opgenomen, is de zorgaanbieder er vanuit gegaan dat klaagster geen belang meer had bij behandeling. In verband met het feit dat in overleg met de zorgverzekeraars is afgesproken dat een behandeltraject maximaal drie maanden mag ‘openstaan’, en klaagster op 1 februari 2019 voor het laatst is behandeld, heeft de zorgaanbieder op 6 mei 2019 aan de zorgverzekeraar van klaagster gemeld dat de behandeling is beëindigd en heeft de zorgaanbieder de behandeling gedeclareerd.

Volgens de zorgaanbieder is klaagster in een gesprek op 28 januari 2019 gewezen op de verplichtingen die gelden vanuit de zorgverzekeraars. Ook is volgens de zorgaanbieder de termijn van drie maanden aan de orde geweest. Klaagster heeft eerst weer contact met de zorgaanbieder opgenomen op het moment dat de zorgverzekeraar het eigen risico van de behandeling door de zorgaanbieder in rekening heeft gebracht. De zorgaanbieder heeft uit coulance-overwegingen aangeboden de helft van het voor de behandeling door de zorgaanbieder in rekening gebrachte eigen risico te vergoeden. Volgens de zorgaanbieder heeft klaagster echter om een buitenproportioneel bedrag aan schadevergoeding verzocht.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen klaagster en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.
Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW).
De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met klaagster.

De commissie concludeert dat de zorgaanbieder in overeenstemming met hetgeen met de zorgverzekeraars is overeengekomen over de termijn van ‘openstaan’ van een behandeltraject, heeft gehandeld.
De commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de zorgaanbieder door het behandeltraject begin mei 2019 als beëindigd te beschouwen onzorgvuldig heeft gehandeld. De handelwijze van de zorgaanbieder is, nu de zorgaanbieder na twee pogingen om telefonisch in contact te komen, maar kennelijk geen andere, bijvoorbeeld schriftelijke, contactpogingen heeft ondernomen, niet als pro-actief aan te merken, maar daar staat tegenover dat klaagster tot (ruim) nadat de zorgaanbieder de behandeling bij de zorgverzekeraar heeft gedeclareerd niet meer van zich heeft laten horen. Dat de zorgaanbieder op 6 mei 2019 heeft geconcludeerd dat klaagster kennelijk geen belang meer had bij de behandeling, acht de commissie niet onbegrijpelijk. De eerste email die klaagster vervolgens aangaande deze kwestie aan de zorgaanbieder heeft gestuurd, dateert van 21 juni 2019. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de werkzaamheden die zij heeft verricht in de in haar beleving beëindigde behandelovereenkomst te declareren bij de zorgverzekeraar.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Vrijgevestigde GGZ praktijken, bestaande uit mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, drs. T. Knap, mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mr. C. Koppelman, secretaris, op 13 november 2020.