Zorgaanbieder handelt zorgvuldig en adequaat bij hartklachten cliënt

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 31265/41362

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt vindt dat er op 16 juni te laat werd ingegrepen toen hij met een te hoge pols werd binnengebracht op de Eerste Hart Hulp (EHH), waardoor hij gereanimeerd moest worden. Hierdoor heeft hij schade door opgelopen. Daarnaast mocht hij op 13 juli niet naar EHH komen, terwijl hij wel hartklachten had. De zorgaanbieder vindt dat hij de cliënt snel en zorgvuldig heeft behandeld. Er was geen acute situatie om direct in te grijpen. Dat hartritmestoring is ontspoord tijdens het wachten en een reanimatie noodzakelijk was, was niet te voorzien door de zorgaanbieder. Op 13 juli is er een hartfilmpje door het ambulancepersoneel gemaakt, waaruit bleek dat het niet noodzakelijk was dat de cliënt naar de EHH werd gebracht. De commissie oordeelt de klacht ongegrond. De zorgaanbieder kon op 6 juni pas zes uur na de laatste maaltijd medicatie geven aan de cliënt. Dat de cliënt in de tussentijd gereanimeerd moest worden is spijtig, maar de zorgaanbieder kon dit niet voorkomen. Daarnaast bleek op 13 juli uit het hartfilmpje dat er geen hartritmestoornis was en er dus geen noodzaak voor opname op de EHH was.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Stichting VUmc, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juli 2021 te Den Haag.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam], juriste, en [naam], cardioloog.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de ervaren kwaliteit van de dienstverlening.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar het vragenformulier en alle overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft in 2005 een hartinfarct doorgemaakt. Als gevolg hiervan is zijn hartfunctie verminderd, en zijn in de hierop volgende jaren diverse complicaties opgetreden. Om deze reden wordt client vaak in het ziekenhuis gezien en onderzocht. De klacht wordt ingediend naar aanleiding van een van deze (acute) beoordelingen.

Klacht 1:
De eerste klacht die de cliënt thans voorlegt aan de commissie betreft zijn behandeling op 16 juni 2019. De cliënt is die dag met een “pols van 200” op de poli binnengebracht. Omdat de behandelaar van de cliënt niet onmiddellijk en zelfs bijna te laat heeft gereageerd op zijn toestand is de cliënt buiten bewustzijn geraakt en diende hij gereanimeerd te worden. Hij heeft hierdoor nog meer geestelijke schade opgelopen dan hij reeds had.
De cliënt is van oordeel dat de behandelaar eerder had moeten ingrijpen. Hierdoor had de reanimatie kunnen worden voorkomen.

Klacht 2:
Bij de zorgaanbieder is bekend dat de cliënt een complexe en atypische patiënt is en dat er direct actie dient te worden ondernomen als de cliënt vanwege hartritmestoornissen contact met het ziekenhuis opneemt. Dit gegeven is door meerdere cardiologen in zijn medisch dossier opgetekend
Op 13 juli 2019 kreeg de cliënt wederom een hartritmestoornis. Ondanks de notitie in zijn medisch dossier mocht hij zich niet door de ambulance naar de Eerste Hart Hulp (verder EHH) laten brengen.

Vordering:
Vanwege geleden financiële en geestelijke schade de afgelopen 15 jaar door gebrek aan voldoende inkomsten en het niet meer kunnen bouwen aan een carrière dan wel beter leven, wil de cliënt graag een netto uitkering van € 25.000,– om hiermee zijn financiële problemen op te lossen. Tevens wenst de cliënt dat, indien hij de hulp inroept van de afdeling Cardiologie/eerste hart hulp vanwege problemen met zijn hart, hij direct daadwerkelijk kan langskomen dan wel dat men voor hem een ambulance regelt om hem naar de poli te vervoeren. Voorts wenst de cliënt gelijk adequaat en serieus geholpen te worden ter voorkoming van verdere infarcten en extra schade aan zijn lichaam. Hij voldoet als hartpatiënt, na 20 reanimaties, 35 cardioversies en vele wonderen, meer aan de bestaande de protocollen/richtlijnen.

Ter zitting heeft de cliënt zijn medische geschiedenis nader toegelicht.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar het verweerschrift en de overige overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt staat al geruime tijd onder behandeling van de afdeling Cardiologie en in deze periode meerdere opnames en behandelingen noodzakelijk geweest.

De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat op 16 juni 2019 een reanimatie noodzakelijk was, doordat er niet onmiddellijk op de klachten van de cliënt is gereageerd. De cliënt werd om 14.12 uur die dag gepresenteerd op de EHH (eerste hart hulp) en na onderzoek op grond van de tachycardie en de hypotensie direct aangemeld voor electrocardioversie op de post anaesthesia care unit (verder PACU). Om 15.27 uur ontstond een ventrikeltachycardie (verder VT) waarvoor een spoedcardioversie op de PACU plaatsvond. Hoewel de zorgaanbieder het spijtig vindt dat in de wachttijd voor de elektrocardioversie een VT is opgetreden waarvoor een spoedcardioversie moest worden uitgevoerd, was er bij de cliënt geen sprake van een verhoogd risico op een VT of andere aanleiding op grond waarvan direct bij opname een cardioversie had moeten worden uitgevoerd. Voor wat betreft het risico op een VT geldt immers dat dit bij patiënten met een boezemtachycardie alleen verhoogd is bij de aanwezigheid van bekend coronarialijden. Gezien het feit dat de cliënt in het verleden een onderwandinfarct heeft gehad en gerevasculariseerd is, was van coronarialijden geen sprake (meer). Daarbij had zich bij de cliënt ook niet eerder een VT voorgedaan na een boezemtachycardie en was hij bij opname hemodynamisch stabiel. Van onzorgvuldig handelen of nalaten als gevolg waarvan op 16 juni 2019 een reanimatie noodzakelijk was, is naar mening van de zorgaanbieder dan ook niet gebleken.

Het handelen van de dienstdoende arts op de EHH op 13 juli 2019 is naar mening van de zorgaanbieder zorgvuldig geweest. Na de telefonische melding van de cliënt over zijn verhoogde hartritme is immers aan de hand van het door het ambulancepersoneel gemaakte hartfilmpje vastgesteld dat er geen hartritmestoornis aanwezig was. Daarbij had de cliënt eerder die maand een ablatie ondergaan en was het hartritme niet zodanig verhoogd (120/min) dat nader onderzoek of behandeling geïndiceerd was.

De zorgaanbieder is van mening dat niet onzorgvuldig is gehandeld. Steeds is op geleide van het medische beloop adequaat gehandeld bij een patiënt met een ingewikkeld complex ziektebeeld. Dat de cliënt zich hierbij zorgen maakt kan de zorgaanbieder zich voorstellen, maar van verwijtbaar handelen is geen sprake.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De cliënt en de zorgaanbieder hebben met elkaar een behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gesloten. Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor de zorgaanbieder voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de zorgaanbieder moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de zorgaanbieder zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De cliënt heeft de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld voor het nalatig handelen en de commissie verzocht om de zorgaanbieder te veroordelen tot een schadevergoeding.

Vooropgesteld wordt dat voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder vereist is dat voldoende aannemelijk wordt dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

De cliënt heeft aan de commissie twee klachten voorgelegd. Weliswaar heeft hij in het kader van zijn klachten verwezen naar zijn medische geschiedenis en daarbij gesteld dat ook in het verleden de zorgaanbieder niet adequaat gehandeld zou hebben, echter uit het verhandelde ter zitting is voor de commissie voldoende vast komen te staan dat de handelingen van de zorgaanbieder in de periode voorafgaand aan 16 juni 2019 geen onderdeel zijn van de thans voorgelegde klachten.

Klacht 1: de zorgaanbieder heeft onvoldoende adequaat gehandeld op 16 juni 2019:

Uit het medisch dossier als ook ter zitting is het volgende komen vast te staan.
De cliënt is op zondag 16 juni 2019 op de EHH binnen gebracht met een polsslag van 200 p/m. De behandelend arts achtte een cardioversie geïndiceerd. Omdat de anesthesist een plaats op de PACU moest organiseren, gewacht moest worden op de laboratoriumuitslagen én de benodigde medicatie namelijk propofol pas na een wachttijd van 6 uur kon worden toegediend, werd de cliënt tijdelijk op de EHH opgenomen en onderwijl gemonitord. Aerodynamisch waren er geen problemen. Er bestond op dat moment geen acute situatie die eerder ingrijpen noodzakelijk maakte. De dienstdoende cardioloog werd tussentijds weggeroepen voor een reanimatie. Ook tijdens deze reanimatie werd de cardioloog op de hoogte gehouden van de situatie van de cliënt. Bij terugkeer op de EHH constateerde de cardioloog dat de toestand van de cliënt was verslechterd en onmiddellijk een cardioversie vereiste. Deze is terstond uitgevoerd en kort voor en tijdens deze behandeling is korte tijd buiten bewustzijn geweest. Maar na de procedure is volledig herstel naar de eerder bestaande toestand (zonder ritmestoornis) opgetreden.

De commissie overweegt dat de zorgaanbieder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij binnenkomst van de cliënt er, gezien de bevindingen, geen aanleiding bestond om zo spoedig als mogelijk op de cliënt cardioversie toe te passen. De zorgaanbieder heeft een klinische inschatting gemaakt dat voor de cardioversie gewacht zou worden tot aan de cliënt propofol gegeven kon worden tenzij een gewijzigde situatie van de cliënt een direct ingrijpen noodzakelijk maakte. Ter zitting heeft de cliënt bevestigd dat hij op de EHH ervan op de hoogte was gesteld dat de voor de cardioversie benodigde medicatie, propofol, pas na 6 uur na de laatste maaltijd kon worden gegeven. Was gesteld dat de voor de cardioversie benodigde medicatie, propofol, pas na 6 uur kon worden gegeven. Dat gedurende de wachttijd de hartritmestoring is ontspoord en een reanimatie noodzakelijk werd, was voor de zorgaanbieder in redelijkheid niet te voorzien.
De commissie is van oordeel dat het medisch team op 6 juni 2019 adequaat heeft gehandeld. De klacht wordt ongegrond verklaard.

Klacht 2: De cliënt mocht op 13 juli 2019 niet naar de EHH komen.

De commissie stelt vast dat de zorgaanbieder op 13 juli 2019 heeft besloten dat de cliënt niet naar de EHH hoefde te komen. Aan de hand van het door het ambulancepersoneel gemaakte hartfilmpje in vergelijking tot eerdere gemaakte hartfilmpjes, heeft de betrokken arts vastgesteld dat er geen hartritmestoornis aanwezig was. De cliënt had kort daarvoor op 2 juli 2019 een ablatie ondergaan en het hartritme niet zodanig was verhoogd (120/min) dat nader onderzoek of behandeling op dat moment geïndiceerd was.

Hoewel door de zorgaanbieder aan de cliënt een laagdrempelige toegang tot de EHH is toegezegd, blijft het, naar het oordeel van de commissie, in alle gevallen de professionele autonomie van de dienstdoende arts om in voorkomende gevallen te beslissen over de wenselijkheid tot opname op de EHH van de cliënt.

De commissie heeft geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van de zorgaanbieder en de medisch inhoudelijke beslissingen die zij heeft genomen op 13 juli 2019. Op grond van het vorenstaande verklaart de commissie ook deze klacht ongegrond.

Conclusie:
De commissie begrijpt de zeer moeilijke situatie waarin de cliënt zich bevindt en de geestelijke belasting die dit voor hem meebrengt. Zij kan echter niet tot het oordeel komen dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam hulpverlener in dezelfde omstandigheid zou hebben gehandeld.

Nu de zorgaanbieder geen onzorgvuldig handelen kan worden verweten, komt aan de cliënt geen aanspraak op schadevergoeding toe. De door hem verlangde vergoeding zal worden afgewezen.

Beslissing
De commissie verklaart de klachten van de cliënt ongegrond en wijst zijn vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer prof. dr. J.W. Deckers, de heer mr. M.H.J.N. Berckel Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 26 juli 2021.