Zorgaanbieder heeft te lang gewacht met op de hoogte stellen van de gezondheidstoestand

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Informatieverstrekking    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 4677/9713

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Het gaat om de behandeling van de inmiddels overleden moeder van klager. De klager vindt dat de behandeling van haar moeder, cliënte, niet juist is geweest. Ze vraagt zich af of haar moeder wel echt stervende was toen zij naar huis ging en of er daarom terecht is gestopt met de behandeling. De zorgaanbieder geeft aan dat de cliënte niet gestorven is aan één aandoening, maar door haar algehele slechte gezondheidstoestand. De zorgaanbieder vindt dat de betrokken hulpverleners redelijk bekwaam hebben gehandeld. De commissie gaat hierin mee en beslist dat de behandelend artsen door de medische behandeling van de cliënte te beëindigen, hebben gehandeld zoals van hen verwacht mag worden. Wel is er veel te lang gewacht met het op de hoogte stellen van de cliënte en haar familie over haar gezondheidstoestand. Wat betreft deze zeer gebrekkige communicatie heeft het ziekenhuis niet gehandeld volgens de professionele standaard.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Naam klager], wonende te [woonplaats] (nabestaande van [naam moeder]),

en

Stichting VieCuri Medisch Centrum voor Noord Limburg, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
De commissie verwijst voor het verloop van de procedure naar haar ontvankelijkheidsverklaring
d.d. 10 januari 2020, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Bij deze beslissing heeft de commissie klager ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Bij brief van 26 maart 2020 heeft het bureau van de commissie aan beide partijen bericht dat de commissie de behandeling van het geschil zal afdoen zonder mondelinge behandeling. De commissie heeft daartoe ook de bevoegdheid conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de mogelijkheid gesteld, hebben geen van de partijen aangegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen bij brief van 30 april 2020 geïnformeerd over de datum waarop de commissie zal beslissen over het geschil.

Het geschil is door de commissie behandeld op 14 mei 2020.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de behandeling van de op 22 februari 2017 overleden moeder van klager.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klager heeft na 2,5 jaar nog steeds veel vragen over het overlijden van zijn moeder. Kern van de vragen is:
1. Wie heeft haar medicijnen stopgezet voor de ontsteking in haar been?
2. Mag palliatieve sedatie plaatsvinden indien de patiënt aangeeft zo niet verder te willen?
3. Wie heeft bepaald dat ze terminaal was/zou zijn?
4. Wie heeft op zondag 19 februari 2017 de morfine in de apotheek gehaald?
5. Wie stelt het schema op van de morfine/midazolon?

De moeder van klager (verder cliënte) is op 4 februari 2017 om 04.00 uur opgenomen met (hart)klachten. Hoewel het met hart en longen goed leek te zijn is cliënte vrij snel overgeplaatst naar een verpleegafdeling in verband met hoge bloedsuikerwaarde. Op de verpleegafdeling kreeg cliënte een rood been; wondroos of belroos en is daarna verhuisd naar K4. Cliënte was suf en verward en had veel pijn. Volgens de verpleging kwam de verward- en sufheid door de gegeven medicatie. Op 7 of 8 februari 2017 constateerde de dermatoloog een slechte doorbloeding van het aangetaste been en werd cliënte verwezen naar de vaatchirurg voor een dotterbehandeling. Vervolgens zou het nog 14 dagen duren voordat ze gedotterd zou worden. Op maandag 13 februari 2017 heeft klager een gesprek gehad met de zaalarts van K4. Zij was over alles tevreden en zou ervoor zorgen dat cliënte in diezelfde week gedotterd zou worden. Zou dit niet lukken dan zou cliënte naar huis kunnen om daar de oproep voor het dotteren af te wachten. Immers voor de wondroos behandeling/ verzorging hoefde ze niet in het ziekenhuis te liggen. Het dotteren kon echter niet doorgaan in die week omdat er een spoedgeval tussen kwam, zo werd ons verteld. Cliënte werd verplaatst naar K5. Op zondag 19 februari 2017 werden er longfoto’s gemaakt om longontsteking uit te sluiten en tijdens het bezoek werd en een echo van het hart gemaakt. Alles was goed werd klager verteld. De heimwee van cliënte was vreselijk zodat vader van klager besloot om haar zo snel mogelijk naar huis te halen. Op maandag 20 februari 2017 rond 10.00 uur werd klager gebeld door de behandelend arts. Hij wou graag een familiegesprek omdat hij vond dat de geplande dotterbehandeling op dinsdag 21 februari 2017 niet door kon gaan in verband met een verminderde nierfunctie (creatinine van 340). Vader van klager gaf aan dat hij cliënte naar huis wilde halen waarop de arts zei dat ze dat niet zou overleven. Tijdens dit gesprek werd cliënte overgeplaatst naar een eenpersoonskamer en bleek de palliatieve zorg te zijn ingezet zonder dat de familie daarvan op de hoogte was gesteld. Die middag is cliënte met een ambulance naar huis gebracht. Nadat zij twee dagen in slaap is gehouden, is cliënte op woensdag 22 februari 2017 overleden.
Uit het medisch verslag zou blijken dat cliënte de laatste week aan de arts meermalen zou hebben aangegeven niet meer te willen leven. De familie was hiervan niet op de hoogte gebracht.

Tijdens het nabestaandengesprek is aan de familie meegedeeld dat cliënte was overleden aan significant hartfalen en dat wegens dit hartfalen haar been toen niet gedotterd kon worden. Achteraf bleek cliënte aan de verpleegkundige te hebben gezegd dat ze niet meer verder wilde leven en niet aan de arts. Klager vraagt zich af waarom geen overleg is geweest met de familie over het inzetten van het palliatieve team en of het überhaupt nodig was om het palliatief team in te zetten.

De nabestaandengesprekken zijn prettig verlopen. Echter het gevoel dat de behandeling van cliënte niet goed is geweest is daarmee niet weggenomen. Nog steeds stellen klager en zijn vader de vraag of cliënte echt wel stervende was of dat zij aan het eind van haar krachten was door de heimwee? Misschien had cliënte nog geleefd als klager en zijn vader beter hadden opgelet en kordater hadden opgetreden tijdens de opname en behandeling van cliënte.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.

Cliënte is op 4 februari 2017 in het ziekenhuis opgenomen met verschillende klachten; die leken aanvankelijk op hartklachten maar al snel kwam een infectie aan het been aan het licht als gevolg van een slechte doorbloeding. Helaas was een dotterbehandeling aan het been niet meer mogelijk vanwege ernstig hart- en nierfalen en de algehele conditie van cliënte.

Een arts mag besluiten om een behandeling te stoppen als de behandeling niet meer zinvol is en deze voor de patiënt nadelen heeft. Uiteraard wordt deze beslissing in samenspraak met de patiënt en zijn naasten gemaakt, maar uiteindelijk is de arts verantwoordelijk voor de te nemen beslissing.

Op 20 februari 2017 heeft de arts, na raadpleging van de dienstdoende artsen van cardiologie en van interne geneeskunde, in verband met een verslechtering van de algehele toestand in overleg met cliënte en haar familie besloten te stoppen met actieve behandeling en over te gaan op een zogenaamd palliatief symptomatisch beleid. Cliënte heeft in het ziekenhuis uitsluitend morfine gekregen ter bestrijding van de pijn.

Cliënte is niet gestorven aan één aandoening. Haar algehele slechte gezondheidstoestand, waarbij verschillende orgaansystemen niet meer goed werkten en daardoor de interne balans in het lichaam was verstoord, is haar fataal geworden.

Uit het verslag van het palliatieve team blijkt dat op 20 februari 2017 zowel met de wijkzuster als de huisarts is gesproken, thuiszorg is aangevraagd en dat ook de hulpmiddelen voor in de thuissituatie zijn aangevraagd.
De zorgaanbieder heeft het palliatief beleid uitgezet. De huisarts is verantwoordelijk geweest voor de palliatieve zorg en de medicatieverstrekking van morfine en midazolam.

De zorgaanbieder is van mening dat gedurende de opname van cliënte door de betrokken hulpverleners steeds is gehandeld zoals van redelijk bekwame en redelijk handelende hulpverleners in gelijke omstandigheden verwacht mag worden en verzoekt de commissie de klachten van klager niet gegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval het ziekenhuis) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de commissie komen de vragen van klager er in de kern op neer dat klager zich afvraagt of cliënte werkelijk stervende was toen zij op 20 februari 2017 naar huis ging en of er daarom terecht is gestopt met de behandeling.

De commissie stelt vast dat cliënte in het ziekenhuis is opgenomen vanwege een pijnlijk been en hartklachten. In het ziekenhuis is een acuut vaatprobleem in het been, dreigend nierfalen en een algehele achteruitgang in conditie vastgesteld. Cliënte was al een zeer geruime tijd bekend met diabetes en hartklachten.

Uit de correspondentie blijkt naar het oordeel van de commissie dat zowel cliënte als klager en zijn vader kennelijk niet om de hoogte waren van de medische situatie van cliënte bij aankomst in het ziekenhuis, dan wel dat zij de lichamelijke toestand van cliënte hebben onderschat.

Cliënte heeft 16 dagen op 6 verschillende kamers gelegen. De betreffende afdelingsartsen/-verpleegkundigen hebben cliënte en haar naasten, uitgaande van hun expertise op hun eigen vakgebied, wellicht hoop gegeven dat haar toestand zou verbeteren en dat een dotterbehandeling zou kunnen plaatsvinden. Niet is gebleken dat er één verantwoordelijk arts was aangewezen die een totaaloverzicht had van de algehele medische toestand van cliënte en die cliënte en familie al in een vroeger stadium had kunnen informeren over de risico’s van een dotterbehandeling, met name de gevolgen voor de nierfunctie. Immers een vaatbehandeling zou, gezien de zeer gebrekkige nierfunctie en hartfunctie, cliënte fataal kunnen zijn geweest.

Ten aanzien van de medische besluitvorming ziet de commissie geen onzorgvuldigheden. Het is voor de commissie duidelijk dat het om een zeer kwetsbare oudere patiënte ging, met diverse aandoeningen aan de vitale functies en een complex beloop in de gepresenteerde klachten.
De commissie is van oordeel dat, gezien de algehele medische toestand van cliënte, de behandelend artsen gehandeld hebben zoals van redelijk bekwame en redelijk handelende hulpverleners in gelijke omstandigheden verwacht mag worden door de medische behandeling van cliënte te beëindigen.

De commissie is wel van oordeel dat de communicatie zeer gebrekkig is geweest.

Al in een veel eerder stadium hadden cliënte en haar familie op de hoogte moeten worden gebracht door één verantwoordelijke arts dat een dotterbehandeling vanwege de slechte nierfunctie en hartfalen niet mogelijk was en dat ook overigens cliënte in een zodanig slechte lichamelijke toestand verkeerde dat een verdere behandeling in het ziekenhuis niet zou leiden tot een verbetering van haar algehele lichamelijke conditie. Haar vitale organen functioneerden niet meer. Hiermee is naar het oordeel van de commissie veel te lang gewacht. In zoverre heeft het ziekenhuis niet gehandeld volgens professionele standaard en is dit onderdeel van de klacht gegrond.

Uit het medisch dossier blijkt dat de medische gezondheid van cliënte zeer fragiel was en dat cliënte veel pijn had waarvoor haar morfinepreparaten werden verstrekt. De zorgaanbieder is niet verantwoordelijk geweest voor de palliatieve zorg, die op 20 februari 2017 is ingezet, gedurende de laatste twee dagen van haar leven. Voor de antwoorden op de vragen 4 en 5 dient klager zich tot de huisarts te wenden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
I. verklaart de klacht van klager gedeeltelijk gegrond;
II. bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 dient te vergoeden aan klager ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. M.T.W.T. Lock, de heer ir. H.J.A.M. Bodelier, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 14 mei 2020.