Zorgaanbieder heeft zorgvuldig gehandeld bij informatieverstrekking aan huisarts en reclassering

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Informatieverstrekking / Zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 17804/28085

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt klaagt dat de behandelaar een brief naar huisarts heeft gestuurd. Hij was het hier niet mee eens. Daarnaast bevat de brief een onjuiste diagnose en onwaarheden. Ook klaagt de cliënt dat de behandelaar informatie heeft verstrekt aan de reclassering, terwijl hij hier geen toestemming voor heeft gegeven. De zorgaanbieder stelt dat informatieverstrekking aan de huisarts die de cliënt heeft doorverwezen op grond van de wet en eerdere uitspraken, zonder de toestemming van de cliënt wel mag. Daarnaast is geen onjuiste diagnose gesteld. Ook stelt de zorgaanbieder dat de cliënt akkoord ging met het rapport dat aan de reclassering werd gestuurd en verwijst hierbij naar eerdere mails. De commissie volgt het verweer van de zorgaanbieder dat de behandelaar ook zonder expliciete toestemming van de cliënt de brief aan de huisarts had mogen sturen. Daarnaast is de zorgaanbieder niet tekortgeschoten in de zorgplicht betreft de inhoud van de brief en de diagnose. Wat betreft de informatieverstrekking aan de reclassering blijkt dat de cliënt hier wel akkoord mee is gegaan. De klachten zijn ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

GGZ Noord-Holland-Noord, gevestigd te Heiloo (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2021 te Amsterdam.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam] en [naam].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft een klacht betreffende informatieverstrekking door de zorgaanbieder aan derden over cliënt.

Cliënt vordert een vergoeding voor geleden schade.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het eerste klachtonderdeel ziet op een brief die de behandelaar naar de huisarts van cliënt heeft gestuurd. Cliënt stelt dat de brief niet met hem besproken is en dat hij voor het verzenden aan de huisarts geen toestemming heeft gegeven.

Als tweede klachtonderdeel stelt cliënt dat er in de brief gericht aan de huisarts een onjuiste diagnose wordt vermeld, niet onderbouwde aannames en onwaarheden staan en dat er suggestief en onjuist wordt geschreven over het privéleven van cliënt.

Het derde klachtonderdeel ziet op verstrekking van informatie door de behandelaar als referent aan de Reclassering Nederland. Cliënt stelt dat hij hiervoor geen toestemming heeft gegeven. Daarnaast staan er volgens cliënt onjuistheden in de rapportage.
Cliënt vordert een schadevergoeding van € 25.000,– (zegge: vijfentwintigduizend).

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat dit ongegrond dient te worden verklaard. Allereerst is onduidelijk of de brief aan de huisarts al dan niet met cliënt is besproken en dient de klacht om die reden reeds ongegrond te worden verklaard. Subsidiair stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat de brief ook naar de huisarts verzonden had mogen worden zonder expliciete toestemming van cliënt. Uit de wet (art. 7:457 BW) volgt dat de doorverwijzende huisarts geïnformeerd mag worden over de behandeling. In het eerste lid staat dat de hulpverlener ervoor zorg draagt dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over die patiënt worden gegeven dan met toestemming van de patiënt. In het tweede lid staat dat onder ‘anderen dan de patiënt’ niet worden begrepen hulpverleners die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de behandelovereenkomst. Doordat de huisarts heeft verwezen kan de huisarts worden gezien als hulpverlener die rechtstreeks is betrokken bij de uitvoering van de behandelovereenkomst. Dat volgt uit een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven 18 mei 2016, ECLI:NL:TGZREIN:2016:38. Mocht de commissie dit standpunt niet volgen, dan wordt bij het uitwisselen van informatie tussen een verwijzende huisarts en de beroepsbeoefenaar waarnaar is verwezen door de huisarts, in beginsel toestemming verondersteld van betrokkene, tenzij hiertegen bezwaar is gemaakt. Dit volgt uit een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam 28 april 2015, ECLI:NL:TGZRAMS:2015:37. Door cliënt is hiertegen geen bezwaar gemaakt.

Ook ten aanzien van het tweede klachtonderdeel stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat dit klachtonderdeel ook ongegrond dient te worden verklaard. In de brief van de behandelaar geeft deze een DSM IV classificatie waarbij hij ook de overwegingen noemt die hiertoe hebben geleid. Dit is gebruikelijk, zeker als er nog geen definitieve DSM-classificatie gesteld is. Hetgeen de behandelaar aangeeft in zijn e-mail van 15 juni 2016 aan de patiëntenvertrouwenspersoon (PVP) – die cliënt benoemt ter onderbouwing van zijn klachtonderdeel – is dat er sprake was van een werkdiagnose. Deze werkdiagnose heeft de behandelaar later (deels) aangepast. Gedurende de behandeling werd duidelijk(er) dat de DSM-diagnose Psychotische Stoornis NAO het meeste op zijn plaats was. Het feit dat de werkdiagnose is gewijzigd maakt niet dat daarmee in eerste instantie een onjuiste diagnose is gesteld. Ten aanzien van de overige onjuistheden stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat cliënt een correctieverzoek had kunnen indienen, maar dit niet heeft gedaan.

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat dit eveneens ongegrond is. Volgens de zorgaanbieder is er wel degelijk toestemming gegeven door cliënt aan de behandelaar om als referent op te treden voor een reclasseringsrapportage. Die toestemming blijkt impliciet uit de e-mailwisselingen tussen cliënt en behandelaar. Cliënt schrijft dat hij het concept adviesrapport heeft gelezen. In deze e-mail geeft hij zelfs een mening over de ‘dame’ van de reclassering. In datzelfde concept adviesrapport stond – en staat – ook de tekst/bijdrage van de behandelaar. Dat betekent dat cliënt op 20 januari 2015 op de hoogte was van hetgeen de behandelaar met de reclassering had besproken, welke informatie hij had gedeeld en was opgenomen in het concept adviesrapport. Wanneer cliënt het niet eens was geweest met de tekst/bijdrage van de behandelaar dan had cliënt dat ook in diezelfde e-mail aan kunnen geven. Het enkele feit dat cliënt achteraf bezien toch wel bezwaar hiertegen heeft, maakt niet dat de behandelaar toentertijd op onjuiste gronden gegevens heeft gedeeld of zijn beroepsgeheim heeft doorbroken.

Beoordeling van het geschil
Toetsingskader
De overeenkomst die cliënt en zorgaanbieder met elkaar hebben gesloten, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het eerste en derde klachtonderdeel dient de commissie te oordelen of de zorgaanbieder in strijd met de geheimhoudingsplicht heeft gehandeld. In artikel 7:457 van het BW is de geheimhoudingsplicht in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst neergelegd. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat de hulpverlener – in dit geval de behandelaar – ervoor zorg draagt dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt.

Voor het tweede klachtonderdeel dient de commissie te oordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst met cliënt. Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de wetenschap, richtlijnen en protocollen.

Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Doet de hulpverlener dit niet en schiet hij toerekenbaar tekort in de nakoming van de verplichting, die voor hem uit die overeenkomst voortvloeit, dan moet hij en/of de instelling de schade die een cliënt daardoor lijdt, vergoeden (artikel 6:74 van het BW).

De toetsing
De commissie overweegt het volgende met betrekking tot het eerste klachtonderdeel.

De commissie volgt het verweer van de zorgaanbieder dat de behandelaar ook zonder expliciete toestemming van cliënt de brief aan de huisarts had mogen versturen. Dit volgt ook uit zowel de tuchtrechtelijke uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam waarnaar verwezen is door de zorgaanbieder als ook uit de KNMG Richtlijn Omgaan met medische gegevens (pag. 22), waarin staat beschreven dat de toestemming van de patiënt in veel gevallen kan worden verondersteld.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat het eerste klachtonderdeel ongegrond is.

De commissie overweegt het volgende met betrekking tot het tweede klachtonderdeel.

De centrale vraag is of de zorgaanbieder tekort is geschoten in de nakoming van de zorgplicht. Tot die conclusie komt de commissie niet. Een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zou in dezelfde omstandigheden tot dezelfde inhoud van de brief, inclusief de diagnose, kunnen komen. Uit niets is gebleken dat die inhoud als onjuist heeft te doen gelden en dat de gestelde diagnose op een niet juiste wijze is gesteld, immers er wordt uitgelegd wat de feiten en omstandigheden zijn geweest die hebben geleid tot die diagnose.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat ook het tweede klachtonderdeel ongegrond is.

De commissie overweegt het volgende met betrekking tot het derde klachtonderdeel.

De commissie volgt ook hier het verweer van de zorgaanbieder dat uit de door de zorgaanbieder overgelegde en verwezen stukken blijkt van toestemming door cliënt voor de behandelaar om als referent op te treden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat ook het derde klachtonderdeel ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– Verklaart de klacht van de cliënt voor wat betreft alle klachtonderdelen ongegrond;
– Nu de commissie de klacht in al haar onderdelen ongegrond heeft verklaard komt zij niet tot bespreking van de vordering tot vergoeding van schade en wijst deze af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw dr. S.M. van Es, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. R. van den Wildenberg, secretaris, op 12 maart 2021.