Zorgaanbieder hoefde personeel geen mondkapjes te verplichten aan het begin van de corona pandemie

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 29522/37050

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klager stelt dat de zorgaanbieder mondkapjes verplicht had moeten stellen voor het personeel van de afdeling waar de cliënt (zijn vader) woont, al voor dat dit door het RIVM landelijk werd aangeraden. De klager eist erkenning van de inschattingsfout die, wat hem betreft, door de zorgaanbieder is gemaakt. De zorgaanbieder stelt dat, op basis van een tekort aan mondkapjes in de betreffende periode, een (regionale) afweging is gemaakt om de beschikbare mondkapjes in te zetten op de plekken waar waarschijnlijk besmettingen waren, ook omdat dit landelijke op een zelfde manier werd gedaan. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder goed heeft gehandeld door de landelijke en regionale lijn te volgen binnen het kader van de beperkte beschikbaarheid van mondkapjes. Daarnaast kan er niet worden bepaald of de zorgaanbieder te weinig heeft gedaan om de behandelingsovereenkomst met de klager na te leven. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Klager], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klager en [vader])

en

Stichting KwadrantGroep, gevestigd te Drachten
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 7 september 2021 te Zwolle.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd klager vertegenwoordigd door zijn zoon, [naam], verder te noemen: [zoon]. Namens de zorgaanbieder zijn, [naam], regiomanager en voorzitter van het regieteam Corona, en [naam], verpleegkundig kwaliteitsadviseur, verschenen.

Onderwerp van het geschil
[Zoon] heeft de klacht namens zijn vader voorgelegd aan de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft de klacht niet naar tevredenheid van klager opgelost. [Zoon] heeft vervolgens op 14 april 2020 een klacht ingediend bij de geschillencommissie Zorg.

Het geschil betreft het vanaf de uitbraak van het Coronavirus in maart 2020 niet dragen van mondneusmaskers (mondkapjes) door het personeel op de afdeling kleinschalig wonen (KSW) van het [woonzorgcomplex] te Surhuisterveen, alwaar klager woonachtig is.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en het namens klager verklaarde ter zitting. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

[Vader] verblijft sinds eind augustus 2019 op de afdeling KSW van [woonzorgcomplex] te Surhuisterveen, onderdeel van de KwandrantGroep. [Vader] heeft vasculaire dementie en zit in een rolstoel. [Zoon] stelt zich op het standpunt dat het personeel van de afdeling waarop [Vader] verblijft vanaf het de uitbraak van het Coronavirus in het voorjaar van 2020 totdat het dragen van mondneusmaskers door het personeel werd voorgeschreven, ook mondkapjes had moeten gebruiken. [Zoon] heeft erop gewezen dat sprake kan zijn van presymptomatische besmetting en volgens [zoon] kan het gebruik van mondkapjes besmetting door degene die besmet is, helpen voorkomen. Volgens [zoon] is de kans zeer groot dat als zijn vader besmet raakt, deze komt te overlijden. [Zoon] heeft verwezen naar een tekst op de site van het RIVM, luidende: “het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en in het bijzonder mondneusmaskers wordt buiten het ziekenhuis alleen geadviseerd in de verpleeghuiszorg, huisartsenzorg, thuiszorg en gehandicaptenzorg, waar lichamelijk ernstig ziekte of zeer kwetsbare personen worden behandeld of verpleegd”. Volgens [zoon] vallen de bewoners van KSW onder de laatstgenoemde groep van kwetsbare personen.

[Zoon] is van mening dat de zorgaanbieder zich niet alleen door het RIVM had moeten laten leiden, maar in een eigen afweging had moeten besluiten niet-medische mondneusmaskers in te zetten. [Zoon] heeft verklaard dat hij veel meer actie had verwacht van de zorgaanbieder.

[Zoon] heeft verklaard dat de KwadrantGroep sinds het najaar van 2020 goede veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, waaronder het dragen van medische mondneusmaskers door het personeel.

[Zoon] wil van de zorgaanbieder erkenning voor het feit dat de situatie destijds wat betreft het gebruik van niet-medische mondneusmaskers verkeerd is ingeschat.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en de verklaring ter zitting. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft de overheidsrichtlijnen gevolgd, zoals verwoord door het RIVM en vertaald in de richtlijnen van beroepsinhoudelijk handelen van Verenso (Vereniging van specialisten oudergeneeskunde) en V&VN (Beroepsvereniging Verzorgenden Verpleegkundigen). Bij verdenking van en bij vastgestelde besmetting met het Coronavirus werden en worden medische mondneusmaskers gebruikt. Indien hiervan geen sprake was (dus bij geen verdenking van of besmetting met het Coronavirus) werden in de onderhavige periode conform het vigerende advies van de overheid geen mondneusmaskers gebruikt. Naast het feit dat er geen wetenschappelijk bewijs was voor de effectiviteit van het continu gebruik van mondneusmaskers, kon het gebruik ervan een vals gevoel van veiligheid geven en een negatieve invloed hebben (angst, onzekerheid en onrust) op de communicatie met de cliënt of bewoner.

De zorgaanbieder heeft verklaard dat onder andere het al dan niet gebruiken van medische en niet-medische mondneusmaskers telkens onderwerp van gesprek is geweest in (provinciale) overlegverbanden met de GGD en de veiligheidsregio. Het is uiteindelijk de afweging van alle grotere zorgorganisaties in Friesland geweest om de medische mondneusmaskers die er waren, want er was sprake van schaarste, in te zetten op plaatsen waar verdenkingen van besmetting bestonden. Er is voor gekozen geen niet-medische mondneusmaskers te gebruiken. De zorgaanbieder heeft verklaard dat met het gevoerde beleid ook de landelijke lijn werd gevolgd.
De zorgaanbieder heeft verklaard dat de schaarste in juli 2020 voorbij was en dat het personeel van de zorgaanbieder ongeveer drie weken voordat het RIVM haar richtlijn wat betreft het dragen van medische mondneusmaskers wijzigde, medische mondneusmaskers is gaan dragen.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen klager en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting
De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst met klager.

De commissie concludeert dat de zorgaanbieder zich wat betreft het niet gebruiken van (niet-)medische mondkapjes door het personeel op de locatie waar [vader] verblijft, heeft gehouden aan de overheidsvoorschriften die voor de periode waarover [zoon] klaagt, van toepassing waren. In het beleid heeft de zorgaanbieder (daarmee) gehandeld in de lijn van de heersende wetenschappelijke inzichten, waarbij de zorgaanbieder zich bovendien geconfronteerd zag met schaarste op het gebied van medische mondkapjes. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder, door te handelen zoals hij gedaan heeft, op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst met klager.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 7 september 2021.