Zorgaanbieder hoeft geen hulphond toe te laten op een BOPZ-locatie

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Gehandicaptenzorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 123977

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte klaagt er over dat de zorgaanbieder weigert een sociale hulphond voor  haar aan te vragen, terwijl dit wel met haar was afgesproken. Omdat op een BOPZ-locatie geen honden worden toegelaten ter bescherming van de medebewoners, is dat volgens de zorgaanbieder niet mogelijk. De commissie stelt vast dat bij cliënte geen vrijwillige woonkeuze was vanwege de rechterlijke machtiging. Het beleid van de zorgaanbieder dat op een BOPZ-locatie geen honden worden toegelaten is gerechtvaardigd.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënte], wonende te [plaats], gemachtigde: [naam], en Stichting Lunet Zorg, gevestigd te Eindhoven, (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overlegde stukken. Het geschil is ter zitting behandeld op 26 juni 2019 te Eindhoven. 

Cliënte werd ter zitting vertegenwoordigd door haar moeder, [naam gemachtigde], bijgestaan door [namen medewerkers] Stichting Mee Z.O. Brabant. 

De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam coördinerend begeleider] en [naam bedrijfsjuriste] Lunet Zorg.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de weigering van de zorgaanbieder om een aanvraag voor een hulphond bij het Zorgkantoor te ondersteunen.

Standpunt van cliënte
Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar het vragenformulier met bijlagen dat zij op 2 april 2019 heeft ontvangen. Het standpunt van cliënte komt in het kort op het volgende neer. 

De zorgaanbieder weigert een hulphond voor cliënte aan te vragen, terwijl dit wel met cliënte was afgesproken. Het niet toelaten van een hulphond is in strijd met artikel 2, lid 1, van de Wet gelijke behandeling op grond van een handicap of chronische ziekte.

Cliënte vordert dat de zorgaanbieder alsnog een hulphond aanvraagt bij het Zorgkantoor en deze hond toelaat op het woonpark.

Ter zitting heeft de gemachtigde van cliënte haar standpunt toegelicht.

De familie is  twee jaar bezig geweest met het vinden van een geschikte woonomgeving voor cliënte. Tijdens het Moreel Beraad bij GGZ Oost Brabant is door de behandelaar gesuggereerd dat cliënte gebaat zou zijn bij een sociale hulphond. Deze hond zou cliënte meer bewegingsvrijheid kunnen geven, omdat de hond kan zorgen voor een stukje veiligheid. Verder zou het een goede dagbesteding kunnen zijn en voor meer structuur in haar leven kunnen zorgen. Cliënte is slachtoffer van een loverboy en is zwaar getraumatiseerd. Dit betekent echter niet dat zij niet voor een hond kan zorgen. Dit is ze van huis uit gewend. Ze heeft een opleiding genoten en haar rijbewijs gehaald. De familie gunt haar weer  kwaliteit van leven na de vreselijke ervaringen die zij heeft gehad.

Namens cliënte is met ondersteuning van Opsy bij zorgverzekeraar VGZ een PTSS hulphond aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen, omdat een hulphond niet wordt vergoed uit de basisverzekering of de aanvullende verzekering. Ook op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning komt cliënte niet in aanmerking voor een hulphond, omdat zij valt onder de Wet Langdurige Zorg en in een zorginstelling woont. Via de consulent van de Stichting Mee is contact opgenomen met het Zorgkantoor om te bekijken of een aanvraag voor een hulphond in het kader van de behandeling van cliënte kan worden ingediend. Het Zorgkantoor heeft laten weten dat er een onderbouwde aanvraag kan worden gedaan. 

Tijdens het overleg bij Opsy op 2 juli 2018, waarbij ook een manager van De Perelaer, onderdeel van de zorgaanbieder, aanwezig was, is afgesproken dat er een onderbouwde aanvraag voor een hulphond zou worden gedaan door de behandelaars van Opsy en Lunet Zorg. Eind oktober 2018 heeft de manager gemeld dat op De Perelaer de regel geldt dat er geen honden worden toegelaten.

De gemachtigde verwijst naar de algemene regels van Lunet Zorg waarin staat vermeld dat voor het hebben van huisdieren een schriftelijke toestemming nodig is. Daarbij wordt erop gelet dat het welzijn van het huisdier is gewaarborgd en er geen sprake is van overlast voor derden, zoals medebewoners en omwonenden. Hieruit heeft de gemachtigde de conclusie getrokken dat een hond dus wel toegelaten kan worden, mede gezien het feit dat haar dochter een aparte woonunit met eigen tuin bewoont en de hond dus niet in aanraking komt met medebewoners. Als gemachtigde had geweten van dit regide beleid met betrekking tot hulphonden, had zij voor haar dochter een andere woonomgeving gezocht.

Standpunt van de zorgaanbieder
Het standpunt van de zorgaanbieder  luidt – kort samengevat – als volgt.

Cliënte is in de BOPZ (bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen) afdeling van de zorginstelling geplaatst met een Rechterlijke Machtiging (verder: RM). Er is geen sprake geweest van een keuze van de ouders. Als algemene regel geldt dat op een BOPZ-locatie geen honden worden toegelaten ter bescherming van de medebewoners, die vaak ernstige gedragsproblemen hebben, en de zorgmedewerkers.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder het standpunt toegelicht.

Opsy en Huize Padua hebben aangegeven dat een hulphond wellicht goed zou zijn voor cliënte. Het is niet zo dat de zorgaanbieder enige toezegging heeft gedaan. 

Afgezien van het beleid dat er op een BOPZ-locatie geen honden zijn toegelaten, betwijfelt de zorgaanbieder of cliënte de zorg van een hond aan kan, gelet op het feit dat cliënte op dit moment één op één begeleiding nodig heeft, bijvoorbeeld bij het schoonhouden van haar kamer en het reinigen van de vissenkom. Niet kan worden voorkomen dat de hond van de kamer afkomt. Het is voor de begeleiding niet haalbaar om ook de zorg van een hond op zich te nemen.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie stelt vast cliënte met een RM op de BOPZ-locatie van de zorgaanbieder is geplaatst.

Namens cliënte is aangevoerd dat het niet toelaten van een hulphond in strijd is met artikel 2, lid 1, van de Wet gelijke behandeling op grond van een handicap of chronische ziekte. De commissie overweegt dat voornoemde wet niet van toepassing is op deze situatie, daar hier sprake is van een gedwongen opname van cliënte.

Ook de zienswijze van gemachtigde dat  zij voor een andere zorginstelling zou hebben gekozen indien zij had geweten dat er geen hulphond was toegestaan, berust op een misvatting. Gezien de RM bestond er geen vrijwillige woonkeuze voor cliënte.

Hoezeer de commissie begrijpt dat de familie er alles aan is gelegen om de kwaliteit van leven van cliënte te verbeteren en een hulphond wellicht hiertoe kan bijdragen, is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder op goede gronden geweigerd heeft om haar medewerking te verlenen aan de aanvraag om een hulphond bij het Zorgkantoor.

Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van de commissie niet gebleken dat de zorgaanbieder een concrete toezegging heeft gedaan aan de gemachtigde om een hulphond aan te vragen.

De commissie acht het beleid van de zorgaanbieder dat op een BOPZ-locatie geen honden worden toegelaten gerechtvaardigd. Gezien de complexiteit van zorgvragen van de bewoners, met name vanwege hun gedragsproblemen, die een zeer intensieve begeleiding van de zorgverleners vergt, is naar het oordeel van de commissie het toelaten van een hond niet verantwoord. De commissie acht het  onaannemelijk dat een hulphond niet uit de kamer van cliënte zal komen. Honden kunnen aanleiding geven tot gedragsescalaties bij medebewoners waarmee de cliënte samenwoont.

Dit alles nog los van het feit dat er bij de commissie twijfel bestaat of cliënte in staat is om zelfstandig voor een hond te zorgen gelet op de één op één begeleiding die zij zelf thans nodig heeft om te kunnen functioneren. Van de zorgaanbieder kan niet worden verlangd dat zij naast de zorgverlening aan de bewoners ook de zorg van een hulphond van cliënte op zich neemt.

De gemachtigde heeft nog verwezen naar de algemene regels waaruit mag worden opgemaakt dat in voorkomende gevallen wel een hond kan worden toegelaten. De zorgaanbieder heeft naar het oordeel van de commissie voldoende onderbouwd dat deze regels niet gelden voor de BOPZ-locaties van de zorgaanbieder.

Gelet op het vorenstaande acht de commissie de klacht van cliënte ongegrond en zal zij haar vordering afwijzen.

Beslissing 
De commissie verklaart de klacht van de cliënte ongegrond en wijst haar vordering af.

Aldus beslist op 26 juni 2019 door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw drs. Y.J.M. ten Brummelhuis MSM en De heer S.P. de Paauw, leden, waarbij mevrouw mr. W. Hartong van Ark als plaatsvervangend secretaris fungeerde.