Zorgaanbieder kan bij declaratie niet om het DBC-systeem heen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: Inspanningsverplichting    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 150235/175198

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dochter van klaagster heeft de zorgaanbieder bezocht voor knieklachten. De intake was kort en verliep warrig en onduidelijk. Bij de intake zijn foto’s gemaakt van de knie. Na 10 minuten heeft dochter de kliniek verlaten. Klaagster ontving een factuur van € 364,35,-, gedeclareerd conform de DBC-systematiek. Klaagster wil enkel € 90,- betalen door onvrede over de kwaliteit van de intake. Zorgaanbieder betreurt dat klaagster haar onvrede pas na de factuur kenbaar heeft gemaakt. Daarnaast geeft zorgaanbieder aan niet om het DBC-systeem heen te kunnen. De commissie stelt dat zorgkosten gedeclareerd en geregistreerd worden conform de DBC-systematiek en dat de zorgaanbieder hier niet omheen kan. Ook oordeelt de commissie dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder zich onvoldoende heeft ingespannen of anderszins foutief heeft gehandeld tijdens het intakegesprek. De commissie oordeelt dat de klacht van klaagster ongegrond is en dat de factuur van € 364,35,- volledig betaald moet worden.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], (hierna te noemen: klaagster), moeder/vertegenwoordigster van [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de dochter)

en

Kneeclinic, gevestigd te Haarlem
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2022 te Den Haag.

Partijen zijn digitaal ter zitting verschenen en hebben hun standpunt toegelicht. Klaagster werd vergezeld door haar echtgenoot [naam], vader van de dochter. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door [naam], klachtenfunctionaris, en [naam], manager patiëntenzorg.

Onderwerp van het geschil
Klaagster heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de kwaliteit van een kort intakegesprek bij de zorgaanbieder. Klaagster stelt dat de zorgaanbieder daarvoor niet een hoge rekening conform de DBC (Diagnose Behandel Combinatie) systematiek had mogen sturen.

Klaagster heeft een bedrag van € 364,35 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De dochter heeft in april 2021 vergezeld door haar vader een bezoek gebracht aan de zorgaanbieder voor een intakegesprek in verband met knieklachten. De dochter was al voor onderzoek naar een ziekenhuis in [plaatsnaam] geweest. Een operatie aan de knie leek raadzaam, maar vanwege lange wachttijden bij het ziekenhuis in [plaatsnaam] heeft de dochter de kliniek van de zorgaanbieder bezocht. De intake was kort en verliep warrig en onduidelijk. Op vragen waar de knieklachten van de dochter mogelijk vandaan kwamen, wilde de arts geen antwoord geven. Hoewel er al foto’s waren gemaakt in [plaatsnaam], wilde de arts van de zorgaanbieder toch nieuwe foto’s laten maken.
Na 10 minuten hebben de dochter en de vader te kennen gegeven nog na te willen denken over een eventueel vervolgtraject en hebben zij de kliniek verlaten.

Klaagster heeft vervolgens contact opgenomen met [naam andere zorgaanbieder] waar de dochter een intake van ruim een half uur heeft gehad. Alle onderzoeken, scans en foto’s zijn daar gemaakt en de dochter is in mei 2021 tot tevredenheid aan een kraakbeenprobleem in haar knie geopereerd.

Groot was de verbazing van klaagster toen zij in december 2021 een factuur van de zorgaanbieder ontving voor een bedrag van € 364,35. Klaagster heeft contact opgenomen met de zorgaanbieder, maar haar is te kennen gegeven dat de DBC de reden is voor het hoge bedrag. Klaagster stelt zich op het standpunt dat niet de systematiek van de DBC leidend dient te zijn, maar de kwaliteit van de geleverde zorg voor de dochter. Die kwaliteit was slecht om welke reden klaagster de factuur niet wil betalen.

Klaagster heeft voorgesteld een bedrag van € 90,– te betalen voor het intakegesprek van 10 minuten. De zorgaanbieder is daarmee niet akkoord gegaan.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In december 2021 heeft de zorgaanbieder klaagster een factuur van € 364,35 gestuurd, conform de
DBC-systematiek, voor een consult in april 2021 voor de dochter bij één van de orthopeden van de zorgaanbieder. Klaagster maakte daartegen bezwaar en gaf te kennen niet tevreden te zijn over het consult. De zorgaanbieder was daar tot op dat moment niet van op de hoogte en heeft klaagster op
24 december 2021 een second opinion bij één van de andere orthopeden aangeboden. Klaagster liet de zorgaanbieder vervolgens weten dat de dochter in mei 2021 al elders geopereerd was.
De zorgaanbieder betreurt het dat klaagster niet meteen na het consult haar grieven heeft kenbaar gemaakt, zodat de zorgaanbieder de kans had gehad om de klacht van de dochter op te lossen. De zorgaanbieder kan niet om de werking van het DBC-systeem heen; dit is de wijze waarop zorgkosten in Nederland dienen te worden gedeclareerd.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De dochter heeft in april 2021 vergezeld door haar vader een bezoek gebracht aan de zorgaanbieder om haar knieklachten te laten beoordelen. Ter zitting heeft de vader toegelicht dat de dochter een sportopleiding volgt en het verhelpen van haar klachten een hoge prioriteit had. De dochter en vader voelden zich tijdens het intakegesprek van 10 minuten niet goed gehoord en behandeld en hebben zich tot een andere kliniek gewend waar de dochter in mei 2021 is geopereerd. De zorgaanbieder werd hierover niet geïnformeerd en klachten over het consult werden pas na ontvangst van de factuur in december 2021 en na de knieoperatie van de dochter bij de andere kliniek aan de zorgaanbieder kenbaar gemaakt.

De commissie stelt voorop dat in het Nederlands zorgsysteem zorgkosten moeten worden gedeclareerd en geregistreerd conform de DBC-systematiek. De aan patiënten toegestuurde factuur wordt opgesteld op basis van vergoedingen die voor DBC-producten zijn vastgesteld. Voor een DBC-zorgproduct geldt een vast bedrag dat losstaat van de hoeveelheid zorg of tijd die daarmee is gemoeid. De zorgaanbieder heeft geen vrijheid om een andere wijze van declareren toe te passen.
Dit betekent dat klaagsters de door de zorgaanbieder gefactureerde kosten van € 364,35 aan hem verschuldigd is.

Ten aanzien van de aan de dochter geleverde kwaliteit van zorg merkt de commissie nog het volgende op.
De ouders hebben gesteld dat de zorgaanbieder niet of nauwelijks naar de klachten van de dochter heeft gekeken of geluisterd. Ter zitting heeft de manager patiëntenzorg de medische rapportage van het consult in april 2021 voorgelezen:
“Mogelijk kraakbeenprobleem. Geen pijn rond knieschijf. Meniscustest negatief. Zou graag MRI willen maken en overleggen met collega. Lichamelijk onderzoek verricht naar heup en knie. Pijn rond epicondyle”.

Hieruit is de commissie gebleken dat de arts onderzoek heeft verricht en de zorg heeft verleend die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben verricht en verleend.

Dat onderzoek is ook niet anders geweest dan het onderzoek dat de opvolgende kliniek bij de dochter heeft uitgevoerd. De ouders hebben te kennen gegeven dat de opvolgende kliniek ook een uitvoerig eigen onderzoek heeft verricht en een MRI-scan van de knie van de dochter heeft gemaakt. Het door de orthopeed van de zorgaanbieder eveneens gesuggereerde kraakbeenprobleem is voor de opvolgende kliniek de reden geweest om tot de knieoperatie bij de dochter over te gaan, zo begrijpt de commissie.
De commissie is dan ook niet gebleken dat de zorgaanbieder zich onvoldoende voor de dochter heeft ingespannen of anderszins foutief heeft gehandeld tijden het intakegesprek. De commissie merkt daarbij nog op dat de zorgaanbieder door de ouders niet in de gelegenheid is gesteld om de door de dochter ervaren klachten op te lossen.

De commissie zal de klacht van klaagster dan ook ongegrond verklaren en het verzoek tot het kwijtschelden van de factuur van de zorgaanbieder afwijzen. Het depotbedrag van € 364,35 komt geheel aan de zorgaanbieder toe.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van klaagster ongegrond;
– wijst het door klaagster verzochte af;
– bepaalt dat het depotbedrag van € 364,35 aan de zorgaanbieder dient te worden overgemaakt.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. dr. R. Willemze en mevrouw mr. R. Jelicic, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 6 oktober 2022.