Zorgaanbieder mag cliënt op een andere afdeling plaatsen als er geen andere plek is

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 44602/50505

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt is vrijwillig opgenomen geweest bij de zorgaanbieder. Zij stelt dat er meerdere dingen mis zijn gegaan tijdens haar behandeling en eist een schadevergoeding. De zorgaanbieder stelt dat een aantal klachten niet-ontvankelijk zijn en de rest van de klachten ongegrond is omdat de cliënt goed en zorgvuldig behandeld is. De commissie oordeelt dat klachten over dwangbehandeling of medicatie vallen onder artikel 14 van de Wet Bopz, waardoor de commissie niet bevoegd is deze klachten te behandelen. Uit de documentatie van de zorgaanbieder blijkt niet dat een alcoholverslaving gebruikt is als reden voor de plaatsing, zoals de cliënt dacht. Ook is niet gebleken wat de zorgaanbieder anders had moeten doen om de cliënt een veiliger gevoel te geven op het moment dat er geen plaats was op een andere locatie. Uit het dossier blijkt dat de zorgaanbieder de cliënt niet geïsoleerd heeft van vrienden en familie en dat er meerdere contactmomenten zijn geweest. De commissie ziet geen reden om aan te nemen dat het dossier gemanipuleerd of frauduleus zou zijn. De overige klachten zijn niet eerder bij de zorgaanbieder ingediend en kunnen dus niet door de commissie worden behandeld. De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Parnassia Groep BV, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2021 te Utrecht.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De cliënt werd ter zitting bijgestaan door [naam]. Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam] (psychiater) en [naam] (jurist).

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op de (gedwongen) opname van cliënt bij de zorgaanbieder. Gedurende die opname is cliënt onder andere van haar vrijheid beroofd, is zij op een verkeerde afdeling geplaatst en zijn cliënt en haar familie en vrienden onvoldoende geïnformeerd.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt is op basis van vrijwilligheid bij de zorgaanbieder opgenomen. Toen cliënt aangaf dat zij naar huis wilde, is er een aanvraag voor een inbewaringstelling (IBS) ingediend en deze is verleend en uiteindelijk verlengd. Cliënt stelt dat zij ten onrechte van haar vrijheid is beroofd. Daarnaast is zij gedwongen tot inname van medicatie. Vanwege ruimtegebrek is zij bovendien op een verkeerde afdeling geplaatst (verslavingsafdeling) waar zij niet de juiste zorg heeft gehad. Dit betrof een zeer onveilige en niet hygiënische afdeling waar cliënt niet tot rust kon komen en waar zij zich zeer angstig heeft gevoeld. Cliënt vermoedt dat haar niet bestaande verslavingsproblematiek is aangegrepen om de plaatsing bij de zorgaanbieder te verantwoorden.

Gedurende deze periode was de informatieverstrekking jegens cliënt en haar familie slecht. Zo is zij niet gewezen op de aanwezigheid van een patiëntenvertrouwenspersoon (PVP). Haar familie is onvoldoende geïnformeerd en onvoldoende betrokken bij haar behandeling. Cliënt is bovendien geïsoleerd van haar familie en vrienden omdat hun werd verzocht om geen contact met cliënt op te nemen en niet meer op haar te reageren. Verder heeft cliënt geen schriftelijke versie van haar dossier ontvangen. In de digitale versie mist zij een aantal documenten. Cliënt vermoedt dat er sprake is geweest van het manipuleren van haar dossier en frauduleuze handelingen. Cliënt is verder van mening dat zij door de secretaris van de klachtencommissie onvoldoende over bepaalde onderwerpen is geïnformeerd, zoals de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de rechter en het recht op vertegenwoordiging.

Tot slot verzoekt cliënt de commissie om een schadevergoeding vast te stellen naar redelijkheid en billijkheid. Cliënt verzoekt materiele schadevergoeding voor onder andere het beschadigen van haar auto en kosten voor haar advocaat. Daarnaast verzoekt cliënt immateriële schadevergoeding omdat cliënt zich na de opvang bij de zorgaanbieder slechter voelde dan voorheen. Als gevolg hiervan heeft zij psychische emotionele schade opgelopen.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat cliënt niet-ontvankelijk is in een aantal van haar klachten. Zo is de commissie niet bevoegd om zich uit te laten over de klacht omtrent de hygiëne op de afdeling omdat dat geen gedraging van de zorgaanbieder betreft in de zin van artikel 19, eerste lid van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Daarnaast zijn er een aantal klachten ingediend die niet eerder bij de zorgaanbieder zijn ingediend. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat de commissie niet bevoegd is om die klachten te beoordelen en verwijst daartoe naar artikel 6, eerste lid, onder a van het Reglement geschillencommissie geestelijke gezondheidszorg (hierna: het reglement).

Wat betreft de klacht over de gedwongen opname is de zorgaanbieder het niet eens met het oordeel van de klachtencommissie. Nadat cliënt had aangegeven naar huis te willen, is er een IBS-beoordeling aangevraagd. Op grond van vaste jurisprudentie, op basis van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz), mogen patiënten korte tijd ‘vastgehouden’ worden in afwachting van een IBS(-beoordeling). Uit het feit dat de IBS uiteindelijk is afgegeven, moet volgens de zorgaanbieder worden afgeleid dat er op dat moment sprake was van een crisissituatie.

De afdeling waar cliënt verbleef betreft een gesloten afdeling. Patiënten verblijven er vrijwillig of op basis met een juridische maatregel. Bij cliënt is op geen enkel moment sprake geweest van verslavingsproblematiek. De plaatsing (gastplaatsing) op die gesloten afdeling bij de zorgaanbieder was uitsluitend gebaseerd op plaatsgebrek op een andere locatie. Vanwege de psychiatrische expertise van de zorgaanbieder kon cliënt daar goed behandeld worden, zeker op basis van een (tijdelijke) gastplaatsing. Het klopt dat er doorgaans veel rumoer is op de afdeling. Dat is de praktijk op een afdeling waar (verwarde) mensen in crisistoestand worden opgenomen en dat geldt helaas voor alle acute opname afdelingen.

Wat betreft de informatieverstrekking aan de vrienden en familie van cliënt geeft de zorgaanbieder aan dat contacten met cliënt nimmer zijn verboden. De zorgaanbieder verwijst naar het dossier voor de verschillende contact- en informatiemomenten die hebben plaatsgevonden. Verder geeft de zorgaanbieder aan dat het gehele (digitale) dossier van cliënt aan haar is toegezonden. Hierin zijn geen onderdelen verwijderd.

De zorgaanbieder is van mening dat cliënt ten aanzien van een aantal klachten niet-ontvankelijk is, dat de overige klachten ongegrond zijn en dat er geen reden is om schadevergoeding toe te kennen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De overeenkomst die de cliënt en de zorgaanbieder met elkaar hebben gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de zorgovereenkomst die cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (de zorgplicht uit artikel 7:453 van het BW). De commissie zal beoordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens de cliënt.

Klachten over vrijheidsberoving en medicatie
De commissie acht zichzelf niet bevoegd om over klachten met betrekking tot vrijheidsberoving en medicatie een oordeel te geven. Zoals de commissie ter zitting heeft uitgelegd, is voor de geestelijke gezondheidszorg in bepaalde gevallen zowel het in de Wkkgz als het in de Wet Bopz (vervallen per 1 januari 2020) vervatte klachtrecht van toepassing, zij het dat de wetten in van elkaar verschillende gevallen van toepassing zijn. Weliswaar is de Wet Bopz inmiddels vervallen maar ten tijde van de last tot inbewaringstelling (hierna: IBS) en de verleende machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling, was de Wet Bopz nog wel van toepassing. Hierdoor vallen deze twee klachtonderdelen onder het overgangsrecht en is de Wet Bopz op deze twee klachtonderdelen van toepassing.

Het klachtrecht zoals vervat in de Wet Bopz is van toepassing op alle beslissingen die in artikel 41 van de Wet Bopz worden genoemd. Dat betekent dat klachten tegen die beslissingen dienen te worden ingediend bij de Bopz-commissie van een zorgaanbieder en daarna, bij ongegrondverklaring, bij de rechter en dus niet bij de geschillencommissie. Het klachtrecht zoals vervat in de Wkkgz is van toepassing op klachten over andere beslissingen dan die zijn genoemd in artikel 41 van de Wet Bopz. Deze klachten worden behandeld door een klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder en – eventueel daarna – door de geschillencommissie.

Klachten over dwangbehandeling of medicatie vallen onder artikel 41 van de Wet Bopz waardoor de commissie, gelet op het voorgaande, niet bevoegd is om deze klachtonderdelen te beoordelen. De commissie kan eveneens niet oordelen over de periode tussen het uiten van de ontslagwens door cliënt en het moment van afgifte van de IBS. Tijdens deze periode heeft de zorgaanbieder beslist om cliënt niet naar huis te laten gaan, met een beroep op buitenwettelijk noodrecht. Dit buitenwettelijk noodrecht dient te worden beoordeeld in het kader van de Wet Bopz en niet in het kader van de Wkkgz. Aangezien de commissie niet bevoegd is om te oordelen omtrent de Wet Bopz, kan de commissie zich niet over dit klachtonderdeel uitlaten.

Plaatsing bij de zorgaanbieder
Als iemand acute zorg behoeft en daarvoor opgenomen dient te worden, dan kan dat noodgedwongen op een locatie zijn die niet de voorkeur heeft, als gevolg van ruimtegebrek op de locaties die wél de voorkeur hebben. De commissie ziet in dat dat lang niet altijd even wenselijk of bevorderlijk is maar dit is de zorgaanbieder niet aan te rekenen. Cliënt diende op enig moment te worden opgenomen en het was de zorgaanbieder die daar op dat moment een plek voor beschikbaar had. De zorg die cliënt op dat moment behoefde, was ook op die locatie te leveren. Het is de zorgaanbieder niet aan te rekenen dat er op dat moment geen andere (meer aangewezen) zorgaanbieders waren die cliënt konden opnemen.

Cliënt vermoedt dat een alcoholverslaving is aangegrepen om haar plaatsing bij de zorgaanbieder te rechtvaardigen, terwijl er geen sprake was van een alcoholverslaving. Uit het dossier blijkt echter dat de plaatsing bij de zorgaanbieder uitsluitend was gelegen in het feit dat daar op dat moment een plek beschikbaar was. Er is duidelijk omschreven dat cliënt werd opgenomen vanwege een maniform toestandsbeeld en slaapdeprivatie. Nergens is omschreven dat cliënt zou zijn opgenomen vanwege een alcoholverslaving. Dat betekent dat een alcoholverslaving dus ook niet zou kunnen zijn aangegrepen voor een plaatsing bij de zorgaanbieder op die locatie. Dit klachtonderdeel acht de commissie ongegrond.

Hygiëne en veiligheid bij de zorgaanbieder
De commissie volgt de zorgaanbieder niet in het standpunt dat de commissie niet bevoegd zou zijn om zich over dit klachtonderdeel uit te speken. Volgens de zorgaanbieder valt dit klachtonderdeel niet onder artikel 19, eerste lid van de Wkkgz omdat er geen sprake is van een geschil over een gedraging van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening. Uit de Memorie van Toelichting op de Wkkgz blijkt echter dat een klacht betrekking kan hebben op alle aspecten van de naleving van deze wet door de zorgaanbieder, met inbegrip van de kwaliteit van zorg en de bejegening (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 402, nr. 3, p. 54). Naar het oordeel van de commissie dient een klacht over de hygiëne en veiligheid op de afdeling te worden beschouwd als een klacht in het kader van de kwaliteit van zorg. Dat betekent dat de commissie bevoegd is om dit klachtonderdeel te behandelen.

De cliënt heeft weliswaar gesteld dat er ten tijde van haar opname sprake zou zijn van slechte hygiëne op de afdeling maar dit heeft zij echter niet – voldoende – aangetoond, terwijl de zorgaanbieder dit gemotiveerd heeft betwist. Daarnaast heeft cliënt aangegeven zich zeer onveilig te hebben gevoeld gedurende de opname omdat het voor haar niet prettig was om te verblijven tussen (dakloze) verslaafden. De zorgaanbieder heeft aangegeven dat er doorgaans veel rumoer is op een acute-opname afdeling aangezien daar patiënten in crisistoestand worden opgenomen. De commissie kan zich goed voorstellen dat de acute opname een gevoel van onveiligheid heeft opgeleverd voor cliënt. Het is de commissie echter niet gebleken wat de zorgaanbieder volgens de cliënt anders had kunnen doen om haar gevoel van onveiligheid in die periode weg te nemen, anders dan haar over te plaatsen naar een andere locatie, aangezien elders geen beschikbaarheid was. De commissie verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachten over de informatieverstrekking en contactverbod
Uit het dossier blijkt dat cliënt op 8 september 2019 een ‘opnameset’ heeft ontvangen. Volgens de zorgaanbieder zit daarin standaard informatie over de PVP, terwijl de cliënt heeft aangegeven deze informatie niet te hebben gekregen. Door de commissie kan nu achteraf echter niet meer worden vastgesteld of die informatie destijds wel of niet verstrekt is. Verder is de commissie niet gebleken dat cliënt geïsoleerd zou zijn van haar familie en vrienden aangezien uit het dossier blijkt dat cliënt meermaals bezoek en contact (zowel fysiek als telefonisch) heeft gehad met hen. Cliënt had bovendien de beschikking over haar eigen telefoon totdat zij die, in haar eigen belang, meegaf aan een vriendin. Uit het dossier blijkt niet dat er sprake was van een contactverbod. Tevens is de commissie niet gebleken dat de familie van cliënt onvoldoende informatie zou hebben gekregen of onvoldoende zou zijn betrokken door de zorgaanbieder. Uit het dossier blijkt dat er gedurende de opname meerdere contactmomenten zijn geweest met de 1e contactpersoon van cliënt en dat later ook contact is geweest met haar partner over haar ontslag. Dit klachtonderdeel wordt door de commissie ongegrond verklaard.

Medisch dossier
Ter zitting bleek dat cliënt wel de beschikking heeft over haar digitale dossier maar nog niet over de schriftelijke versie van haar dossier. De zorgaanbieder heeft de schriftelijke versie naar de cliënt toegestuurd maar de cliënt heeft deze geweigerd in ontvangst te nemen omdat zij in de veronderstelling was dat zij die niet mocht accepteren gedurende de behandeling van onderhavig geschil. Zoals de commissie ter zitting heeft uitgelegd, is er geen reden om dit dossier niet te accepteren. Cliënt stelt zich op het standpunt dat haar dossier niet compleet is, terwijl de zorgaanbieder aangeeft dat het volledige dossier is toegestuurd. Cliënt mist onder andere een behandelplan. Aangezien de zorgaanbieder heeft aangegeven dat er vanwege de gastplaatsing geen behandelplan voor cliënt is opgesteld, zal deze dus ook niet in haar dossier zitten. Hetzelfde geldt voor de door cliënt gevraagde uitslagen, nu de zorgaanbieder heeft uitgelegd dat als in het dossier vermeld staat dat de uitslag van een monster bekend is, dit niet automatisch betekent dat er steeds een nieuw monster is afgenomen. Cliënt vermoedt dat er sprake is geweest van het manipuleren van haar dossier en frauduleuze handelingen. Het is de commissie niet gebleken met welk doel de zorgaanbieder dit volgens cliënt zou hebben gedaan, net zoals de commissie geen aanwijzingen in het dossier heeft aangetroffen die kunnen duiden op het manipuleren van haar dossier of enig frauduleus handelen. Zoals ter zitting is besproken staan er een aantal feitelijke onjuistheden in het dossier. Dit betekent echter niet dat er daarmee sprake is geweest van het manipuleren van een dossier of frauduleuze handelingen. De commissie verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

Informatieverstrekking klachtencommissie
De klacht over de gebrekkige informatieverstrekking van de klachtencommissie kan de commissie niet beoordelen. Een klachtencommissie is een van de zorgaanbieder onafhankelijke commissie. Klachten over die commissie kunnen dan ook niet aan de zorgaanbieder worden toegerekend. Op grond van artikel 19 van de Wkkgz is de commissie daarom niet bevoegd om zich over deze klacht uit te laten. Voor zover de cliënt met haar klacht heeft bedoeld aan te geven dat de zorgaanbieder, in plaats van de klachtencommissie, haar op die informatie had moeten wijzen, merkt de commissie op dat daartoe geen verplichting voor de zorgaanbieder bestaat waardoor de commissie dit klachtonderdeel ongegrond verklaart. Het verdient wel aanbeveling om patiënten te informeren over de twee verschillende klachtroutes van de Wkkgz en de Wet Bopz (inmiddels per 1 januari 2021 de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg) en de verschillende mogelijkheden om tegen de reacties op die klachten op te komen.

Overige klachten
De overige klachten die cliënt heeft ingediend, zijn niet eerder bij de zorgaanbieder ingediend. Uit artikel 6, eerste lid, sub a van het reglement volgt dat de commissie niet bevoegd is geschillen te behandelen die niet eerder bij de zorgaanbieder zijn ingediend, voor zover de zorgaanbieder daar bij eerste gelegenheid een beroep op doet. De zorgaanbieder heeft daar bij eerste gelegenheid een beroep op gedaan in het verweerschrift. De commissie is dan ook niet bevoegd om de overige klachten van cliënt te beoordelen.

Schadevergoeding
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is. Reeds hierom dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw dr. N.D. Veen (psychiater), de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. N. Sewradj, secretaris, op 29 oktober 2021.