Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1143693/1280715
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak gaat over een cliënt die ambulante begeleiding wilde krijgen terwijl hij altijd een mes bij zich draagt, omdat hij zich anders onveilig voelt. De zorgaanbieder vindt dit te gevaarlijk voor medewerkers en heeft daarom als voorwaarde gesteld dat de cliënt tijdens afspraken geen mes mag meenemen. De cliënt weigerde dit, waardoor de begeleiding in persoon is gestopt. De zorgaanbieder bood wel alternatieven aan, zoals digitale begeleiding of een afspraak buiten, maar ook dat werkte niet. De commissie oordeelt dat een zorgaanbieder verantwoordelijk is voor een veilige omgeving voor zowel cliënten als medewerkers. Daarom mag de zorgaanbieder redelijke voorwaarden stellen, zoals het verbod op het dragen van een mes tijdens face‑to‑face afspraken. Omdat de cliënt niet aan deze voorwaarde wilde voldoen en de zorgaanbieder meerdere alternatieven heeft aangeboden, vindt de commissie dat de zorgaanbieder juist heeft gehandeld. De zorgaanbieder hoefde de persoonlijke begeleiding daarom niet voort te zetten. De klacht van de cliënt wordt ongegrond verklaard.
De volledige uitspraak
In het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting GGz Centraal, gevestigd te Amersfoort
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de door de zorgaanbieder gestelde voorwaarde dat de begeleiding van de cliënt niet plaats kan vinden indien de cliënt een mes bij zich draagt.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt ontvangt al geruime tijd geen ambulante begeleiding meer. Omdat de cliënt een structureel gevoel van onveiligheid, angst en een hoge spanning ervaart, voelt hij zich genoodzaakt een mes bij zich te hebben. Het uitblijven van hulp verergert de klachten van de cliënt.
Zonder mes loopt de spanning bij de cliënt te hoog op en het mes vervangen voor een ander voorwerp levert niet het gewenste resultaat op.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Bij de zorgaanbieder staat het bieden van goede en veilige zorg centraal. Dit betekent niet alleen oog hebben voor de belangen en behoeften van cliënten, maar ook voor de veiligheid van medewerkers. Het structureel bij zich dragen van een mes door de cliënt maakt dat face-to-face begeleiding niet verantwoord is.
De zorgaanbieder heeft gedurende het traject verschillende alternatieven aangeboden, zoals buiten afspreken of het mes vervangen door een ander voorwerp. Zolang de cliënt erop staat een mes bij zich te dragen, is het onmogelijk om de begeleiding/behandeling fysiek voort te zetten, omdat dit aan de veiligheid in de weg staat. Op initiatief van de cliënt is ook de digitale begeleiding gestopt.
De zorgaanbieder blijft bereid om samen met de cliënt te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de contactmomenten face-to-face te laten plaatsvinden. De zorgaanbieder wil het mogelijk maken dat er fysiek contact plaatsvindt, uitsluitend onder de voorwaarden dat:
1. de cliënt geen mes bij zich heeft, en
2. duidelijke behandel- en begeleidingsafspraken kunnen worden gemaakt.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Bij de commissie ligt de vraag voor of de zorgaanbieder de begeleiding van de cliënt in persoon mocht beëindigen nadat de cliënt had geweigerd te voldoen aan de door de zorgaanbieder gestelde voorwaarde om tijdens face-to-face contacten geen mes bij zich te dragen.
De commissie stelt voorop dat op de zorgaanbieder een zorgplicht rust jegens zowel de cliënt als de zorgmedewerkers. Dit betreft ook de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een veilige (werk)omgeving voor medewerkers en cliënten. Van een zorgaanbieder kan in redelijkheid niet worden verlangd dat hij begeleiding in persoon voortzet indien daarbij reële veiligheidsrisico’s ontstaan.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de zorgaanbieder de voorwaarde heeft gesteld dat de cliënt tijdens persoonlijke begeleidingsmomenten geen mes bij zich draagt. De commissie is van oordeel dat deze voorwaarde redelijk en proportioneel is, mede gelet op het belang van de betrokken medewerkers. De voorwaarde is bovendien duidelijk aan de cliënt kenbaar gemaakt en strekte uitsluitend tot het waarborgen van de veiligheid tijdens de begeleiding.
Vaststaat dat de cliënt om hem moverende redenen heeft geweigerd aan deze voorwaarde te voldoen. Onder deze omstandigheden mocht de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie besluiten de begeleiding in persoon niet langer voort te zetten.
De commissie benadrukt daarbij dat de zorgaanbieder de begeleiding niet zonder meer heeft beëindigd, maar alternatieve oplossingen heeft aangeboden. Zo is de cliënt de mogelijkheid geboden om de begeleiding digitaal voort te zetten, of het mes te vervangen door een ander voorwerp. Daarmee heeft de zorgaanbieder zich naar het oordeel van de commissie voldoende ingespannen om de zorgverlening te continueren.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder in redelijkheid de begeleiding in persoon mocht stopzetten, dat de gestelde voorwaarde gerechtvaardigd was en dat de zorgaanbieder voldoende alternatieve vormen van begeleiding heeft aangeboden. Van onzorgvuldig of verwijtbaar handelen door de zorgaanbieder is dan ook geen sprake.
Gelet op het voorgaande zal de klacht ongegrond worden verklaard.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer drs. T. Knap, mevrouw mr. H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 16 januari 2026.