Zorgaanbieder treft geen verwijt

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Overig    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 134396/161500

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt heeft een klacht over de behandelaar bij de zorgaanbieder. De behandelaar heeft hem ten onrechte een nieuwe intake laten doen, en daarbij de cliënt bespot, terwijl de cliënt zijn vorige behandeling wilde afmaken. Daarnaast zijn afspraken niet nagekomen. De zorgaanbieder stelt voldoende inspanning te hebben geleverd. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard.

De uitspraak

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Stichting De Forensische Zorgspecialisten, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2022 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De consument werd ter zitting bijgestaan door zijn moeder, [naam]. De ondernemer werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam] en [naam].

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op de kwaliteit van dienstverlening door de behandelaar en de verkeerde informatie die is verstrekt in de afsluitende brief ten aanzien van de gevolgde behandeling.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klacht heeft betrekking op de behandelaar van de cliënt bij de zorgaanbieder, die hem onnodig maandenlang niet wilde helpen om de doelstellingen die zij in de therapiesessies voor ogen hadden openbaar te maken en heeft de cliënt aan het lijntje gehouden. De behandelaar wilde de cliënt alleen weer strikken voor een nieuwe aanmelding waar hij geen baat bij had terwijl de cliënt duidelijk vroeg om een statement dat hij niet voor agressieproblemen in behandeling bij de zorgaanbieder was. De cliënt werd gekleineerd en bespot tijdens een intakegesprek waarbij hij moest komen met een nieuwe hulpvraag terwijl het juist de bedoeling was dat hij zijn vorige behandeling, die volgens zijn behandelaar te vroeg afgebroken zou zijn wegens financiële middelen, zou afronden. De cliënt heeft daarna meerdere keren de behandelaar gebeld en ingesproken bij de receptie om samen eruit te komen en gevraagd of zij eerlijk in een brief of mail de ware reden voor de behandelingen zou bekendmaken. De cliënt hoorde meestal niets van haar of werd een week later pas teruggebeld terwijl zij wist dat haar oordeel een beslissende factor speelde in een gerechtelijke procedure voor het verkrijgen van omgang met zijn kinderen.

In deze periode heeft de behandelaar meerdere keren haar woord gebroken, afspraken werden niet nagekomen, werden vooruitgeschoven en haar collega´s en de cliënt werden door haar niet op de hoogte gebracht van het verzoek van cliënt tot aanlevering van zijn dossier. Ze ging op vakantie terwijl juist was toegezegd dat de cliënt binnen die periode het volledige dossier zou ontvangen. Door al deze tegenwerkingen heeft de cliënt zeker een half jaar verloren en waren zijn kansen nihil op enig contact met zijn kinderen. Contactherstel werd steeds afgewezen omdat de rechtbank door de slinkse manier en woorden die de behandelaar koos in de afsluitbrief in de veronderstelling was dat de cliënt voor agressie gerelateerde problemen in behandeling was, wat niet waar was. De laatste beslissing van de rechtbank is dat de cliënt nog een jaar zijn kinderen niet mag zien of spreken en dat hij zijn agressiereguleringstherapie die de cliënt volgens de rechter bij de zorgaanbieder volgde eerst moet afronden.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt stelt dat hij niet in behandeling is geweest voor agressieregulatie problematiek.

De zorgaanbieder is van mening dat dit wel het geval is en heeft dit in het verweerschrift uitgebreid toegelicht en onderbouwd. Onderdeel van de behandeling was weliswaar het voeren van ondersteunende gesprekken om de relatie tussen [naam andere ggz-instelling] en de cliënt te verbeteren, dit op uitdrukkelijk verzoek van de cliënt, maar die gesprekken waren een onderdeel van de behandeling die gericht was op het reguleren van zijn emoties. Dit betekent dan ook dat de behandelaar tijdens de klachtenprocedure terecht niet in is gegaan op het verzoek van de cliënt om een verklaring op te stellen waarin staat dat er geen sprake is geweest van een behandeling gericht op agressieregulatie problematiek. Bovendien strekt het recht op correctie niet zo ver dat de cliënt een door een professional opgestelde diagnose mag laten wijzigen. Derhalve is volstaan met het benoemen van zijn (afwijkende) visie in het behandelplan. Wel is op uitdrukkelijk verzoek van de cliënt, en na overleg daarover in het behandelteam, in de afsluitbrief aan de huisarts medegedeeld dat er in het vorige behandeltraject geen specifieke agressieregulatie-training heeft plaatsgevonden, om de redenen die vermeld staan in de afsluitbrief van het vorige traject.

Aan het opstellen van de afsluitbrief aan de huisarts en de reclassering is een heel traject voorafgegaan, dat in het verweerschrift is beschreven aan de hand van het zorgdossier. Verder is de behandeling voortijdig beëindigd vanwege het aflopen van de verplichte behandeling via de reclassering zonder eigen bijdrage van cliënt enerzijds en zijn keuze om hierna de behandeling niet vrijwillig voort te zetten vanwege die eigen bijdrage anderzijds. Door het vroegtijdig beëindigen van de behandeling is er onvoldoende tijd geweest om aan de behandeldoelen te werken. Het feit dat de behandelaar op 2 juni 2021 een intakegesprek heeft gevoerd met de cliënt, duidt erop dat zij wel degelijk medewerking heeft verleend aan het eventueel voortzetten van de behandeling bij haar. De reden dat de behandeling niet kon plaatsvinden was vanwege het feit dat de cliënt geen intrinsiek gemotiveerde forensische hulpvraag kon formuleren, op grond waarvan de aanmelding is afgewezen. Dit kan echter de behandelaar niet worden verweten.

Vervolgens verwijt de cliënt de behandelaar dat zij zich niet welwillend jegens hem zou hebben opgesteld. De behandelaar herkent zich hier niet in, omdat zij van mening is dat zij zich jegens hem professioneel heeft opgesteld, zowel in de behandeling als in de communicatie. Het intakegesprek voor de vervolgaanmelding heeft plaatsgevonden. De behandelaar heeft meerdere keren desgevraagd uitgelegd waarom de cliënt geen verklaring kan krijgen, waarom hij is afgewezen voor de tweede aanmelding bij de zorgaanbieder en waarom de afsluitbrief van de tweede aanmelding niet direct verzonden kon worden.

Ook toen de cliënt de behandelaar op dreigende toon aansprak heeft zij hem daarop gewezen en op rustige toon aangegeven dat zij het gesprek onprettig vond.

Tot slot verwijt de cliënt de behandelaar dat het opsturen van het dossier een maand te lang zou hebben geduurd. De behandelaar heeft direct, toen de cliënt zijn verzoek deed, uitgelegd dat het opvragen van een dossier door de regiebehandelaar in behandeling wordt genomen en dat dit niet haar verantwoordelijkheid is. Het opsturen van het dossier heeft overigens geen extra maand geduurd.

De cliënt deed zijn verzoek op 29 juni 2021 en op 5 augustus 2021 lag het dossier voor hem klaar om opgehaald te worden.

De cliënt lijkt van mening te zijn dat het oordeel van de rechter, namelijk ontzegging van de omgang met zijn kinderen, direct aan de behandelaar toe te schrijven is. Dit betreurt de zorgaanbieder ten zeerste.

Ook de zorgaanbieder wenst, net als de cliënt, dat er sprake is van een veilige opvoedsituatie voor de kinderen. In dit verband wordt opgemerkt dat de afsluitbrieven niet zijn verstuurd naar de rechtbank en dat er vanuit wordt gegaan dat de cliënt dat zelf heeft gedaan dan wel zijn advocaat. De eventueel door de cliënt geleden schade als gevolg van het oordeel van de rechter, kan derhalve niet in causaal verband worden gezien met het handelen van de behandelaar. Bovendien heeft de cliënt in zijn klacht niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van een toerekenbare tekortkoming van de behandelaar. De zorgaanbieder verzoekt dan ook om het verzoek tot verkrijging van schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Op grond van de behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de wetenschap, richtlijnen en behandelprotocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De commissie dient de vraag te beantwoorden of de behandelaar van de cliënt tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de behandelingsovereenkomst.

De commissie heeft de klacht van de cliënt onderverdeeld in de volgende onderdelen.

1. De vermelding in de afsluitende brief aan de reclassering/huisarts dat de cliënt is behandeld voor agressie gerelateerde problematiek en de weigering van de behandelaar om op verzoek van de cliënt een verklaring op te stellen met daarin de reden van behandeling bij de zorgaanbieder in de periode van 3 november 2020 tot en met 3 maart 2021, namelijk het omgaan met gevoelens van onrecht en herstel van de vertrouwensbreuk met [naam andere ggz-instelling] en niet voor agressieregulatie problematiek.

2. De behandelaar heeft geen medewerking verleend aan het voortzetten van de behandeling van de cliënt nadat de cliënt van zijn advocaat te horen kreeg dat zijn behandeling zou moeten worden afgemaakt.

3. Het te laat versturen van de afwijzingsbrief naar de huisarts en het aan het lijntje houden van de cliënt.

4. De onbeschofte en kleinerende bejegening van de cliënt door de behandelaar.

5. Het te laat opsturen van het dossier aan de cliënt.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel merkt de commissie op dat in de afsluitende brief van 8 maart 2021 aan de huisarts melding wordt gemaakt van het feit dat de cliënt werd behandeld in verband met huiselijk geweld, na verwijzing door de Reclassering. Verder wordt in de brief aangegeven dat de volgende behandeling is geadviseerd: individuele gesprekken gericht op het verminderen van de agressie, het vergroten van de coping vaardigheden op momenten dat de cliënt een hoge mate van stress ervaart en het leren uiten van emoties zonder daarbij het contact met de ander te verliezen.

De commissie is van oordeel dat hiermee een feitelijke weergave van de stand van zaken is gegeven.

Er is geen sprake van een eigen of verkeerde interpretatie van de behandelaar. De cliënt heeft zelf ingestemd met het behandeltraject nadat dit door de Reclassering is voorgesteld.

In de aanmeldingsbrief van de Reclassering d.d. 24 maart 2020 wordt aangegeven dat de cliënt wordt verdacht van bedreiging van zijn ex-partner in het kader van huiselijk geweld. Het was daarmee voldoende duidelijk waarop de behandeling gericht was en wat het doel van de behandeling was.

De commissie kan daarom de stelling van de cliënt dat het nooit de bedoeling is geweest een behandeling te volgen gericht op het verminderen van agressie, maar dat slechts het omgaan met gevoelens van onrecht en herstel van de vertrouwensbreuk met [naam andere ggz-instelling] behandeldoelen waren, niet volgen. Uit de reden van aanmelding blijkt genoegzaam dat sprake is van agressieregulatie-problematiek. Dat dit behandeldoel wellicht niet voldoende niet voren is gekomen tijdens de behandeling is door de zorgaanbieder niet weersproken. Echter, dit is te wijten aan de voortijdige beëindiging van de behandeling door het aflopen van het Reclasseringstoezicht en het niet willen voortzetten door de cliënt van de behandeling in een vrijwillig kader vanwege betaling van het eigen risico aan de zorgverzekeraar. De behandelaar heeft naar het oordeel van de commissie geen onjuiste informatie verschaft in de afsluitende brief aan de huisarts. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel is de commissie van oordeel dat niet is gebleken dat de behandelaar geen medewerking wilde verlenen aan het voortzetten van de behandeling van de cliënt. Niet weersproken door de cliënt heeft de zorgaanbieder gesteld dat op 2 juni 2021 een intakegesprek heeft plaatsgevonden met de cliënt over het voortzetten van de behandeling. De aanmelding is afgewezen omdat de cliënt aangaf tijdens het intakegesprek dat hij geen hulpvraag heeft, maar dat hij een brief wil van de zorgaanbieder waarin staat dat hij geen agressietraining heeft gevolgd in zijn vorige behandeling. Omdat dit geen hulpaanvraag is waarop een nieuwe behandeling kan worden opgestart, is de aanmelding afgewezen. De commissie acht dit klachtonderdeel derhalve ongegrond.

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel staat vast dat de intake heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021 en de afwijzing van de aanvraag uiteindelijk op 7 juli 2021 aan de huisarts is verstuurd. De cliënt heeft in de periode tussen de intake en het versturen van de afwijzing meerdere keren aangegeven geen belang meer te hebben bij de afwijzing van zijn aanvraag, omdat de behandeling van zijn kinderen bij [naam andere ggz-instelling] zal gaan stoppen, maar dat hij slechts belang heeft bij een brief waarin wordt aangegeven dat hij niet vanwege agressie wordt behandeld. Om aan dit uitdrukkelijke verzoek van de cliënt tegemoet te komen, is in de brief aan de huisarts van 7 juli 2021 opgenomen dat in het vorige behandeltraject geen specifieke agressieregulatie-training heeft plaatsgevonden. De cliënt heeft destijds aangegeven hiermee tevreden te zijn. De commissie ziet geen aanwijzingen dat de cliënt onnodig lang aan het lijntje is gehouden of dat de behandelaar geen woord heeft gehouden, zoals door de cliënt gesteld. Evenmin dat de afwijzingsbrief te laat is verstuurd, zeker nu over de inhoud daarvan met de cliënt overleg is gevoerd en hij op de hoogte werd gehouden wanneer de brief verstuurd zou worden. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel heeft de commissie uit de stukken of het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen gevonden die de stelling van de cliënt dat hij kleinerend is behandeld onderbouwen. Hiervan is niet gebleken en dit is door de zorgaanbieder ook onderbouwd weersproken. Ook overigens heeft de commissie geen aanwijzingen gevonden dat de zorgaanbieder zich niet als een goed zorgverlener heeft gedragen. De commissie acht dit klachtonderdeel derhalve eveneens ongegrond.

Ten aanzien van het vijfde en laatste klachtonderdeel blijkt uit de stukken dat de cliënt het dossier heeft opgevraagd op 29 juni 2021 en op 5 augustus 2021 heeft gekregen. Dit is langer dan de termijn van vier weken welke de zorgaanbieder hiervoor hanteert. In het verweerschrift wordt aangegeven waar deze vertraging aan te wijten is. Omdat slechts sprake is van een overschrijding van de gebruikelijke termijn met een aantal dagen ook in een periode waarin normaliter sprake is van zomerverlof, acht de commissie dit onvoldoende om dit klachtonderdeel gegrond te verklaren. Ook dit klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.

Nu de klacht in zijn geheel ongegrond wordt verklaard, komt de commissie niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de verzochte schadevergoeding en wijst deze vergoeding af.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht in al zijn onderdelen ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

verklaart de klacht van de cliënt in al zijn delen ongegrond;

wijst de gevorderde schadevergoeding van de cliënt af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. M.M. Kok, Forensisch psychiater, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 23 mei 2022.