Zorgvuldigheid van behandelaren tijdens het behandeltraject en de afsluiting daarvan

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 8389/27614

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt wordt behandeld door de zorgaanbieder. Gedurende het behandeltraject worden verschillende klachten geuit. Ten eerste wordt door de cliënt aangevoerd dat adequate hulpverlening is uitgebleven. Hierover is op 26 februari 2017 geklaagd, waarna behandeling binnen het klachtentraject heeft plaatsgevonden. Ten tweede is geklaagd over het rommelige verloop van het therapietraject en het ontbreken van een behandelplan. Daarnaast heeft – aldus cliënt – de zorgaanbieder zich onvoldoende ingespannen, waardoor een vertrouwensbreuk is ontstaan. Ook deze klacht is behandeld in het klachtentraject. Tot slot is de cliënt het niet eens met de beëindiging van de overeenkomst.. Ten aanzien van de eerste klacht wordt klager niet ontvankelijk verklaard nu de klachttermijn is verstreken en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De tweede en derde klacht worden ongegrond verklaard, omdat door de cliënt de communicatie richting de zorgaanbieder is uitgebleven. Het stoppen van de behandeling is, na een lange periode zonder communicatie en het niet op afspraken verschijnen van de cliënt, niet onzorgvuldig. Daarnaast speelt mee dat de zorgaanbieder aan de cliënt de gelegenheid geeft de behandeling weer op te pakken. De klachten worden ongegrond verklaard.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam cliënt], wonende te [woonplaats], gemachtigde: [naam]

en

GGZ Drenthe, gevestigd te Assen (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Bij brief van 31 maart 2020 heeft het bureau van de commissie partijen bericht dat de commissie de behandeling van het geschil zal afdoen zonder mondelinge behandeling. De commissie heeft daartoe de bevoegdheid conform haar reglement. Hoewel daartoe de mogelijkheid is geboden heeft geen van partijen aangegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn zij op 25 juni 2020 geïnformeerd over de datum waarop de commissie zal beslissen over het geschil.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de behandeling.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.

In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt is ontevreden over de behandeling die hij van de zorgaanbieder heeft ontvangen. Cliënt meent dat hij te lang op hulp heeft moeten wachten, dat de geboden behandeling ondermaats was, dat de behandelaren zich onvoldoende inspanden voor herstel van de vertrouwensrelatie en de behandelrelatie naar zijn mening op onzorgvuldige wijze eenzijdig is opgezegd.

In het klaagschrift worden door cliënt vier klachten geformuleerd:

1. Het uitblijven van adequate hulp en vervolgbehandeling/therapie na aanmelding bij de zorgaanbieder:
Cliënt is naar de zorgaanbieder verwezen vanuit Accare voor zowel behandeling als nazorgtraject van een intensieve klinische behandeling (bootcamp) via Yes We Can Clinics (hierna: “YWC”). Op 13 december 2016 vond bij de zorgaanbieder een intakegesprek plaats. Cliënt en zijn ouders hebben de indruk dat er nimmer een goede overdracht heeft plaatsgevonden. Er waren geen concrete afspraken gemaakt betreffende het psychologisch onderzoek van cliënt en het te volgen zorgtraject. Vanwege het uitblijven van adequate hulp en vervolgbehandeling/therapie ging het steeds slechter met cliënt. Dit uitte zich bij cliënt in het steeds inactiever worden, depressiviteit en zelfmoordgedachten. Op 26 februari 2017 dienden de ouders van cliënt een interne klacht in bij de klachtfunctionaris van de zorgaanbieder. De strekking van deze klacht was dat het behandeltraject niet goed op gang kwam (en dat met name de hoofdbehandelaar hierin nalatig had gehandeld) en de algehele negatieve bejegening door de zorgaanbieder. Naar aanleiding van deze interne klacht vond op 16 maart 2017 een klachtverhelderingsgesprek plaats en op 4 mei 2017 een evaluatiegesprek. Het klachtentraject werd afgerond met een brief d.d. 29 mei 2017 van de klachtenfunctionaris. Dit klachtentraject heeft voor cliënt niet tot een bevredigend resultaat geleid. Cliënt heeft ervaren dat de klacht met een interne memo werd afgedaan, waarmee cliënt maar moest instemmen aangezien er geen andere hoofdbehandelaar was. Vanwege de aanhoudende onvrede bij de ouders van cliënt hebben zij dit geuit in een brief van 17 mei 2017. Gelet op het voorgaande heeft de zorgaanbieder bijgedragen aan de verstoring van het geestelijke evenwicht dat cliënt had bereikt bij YWC, waardoor de psychische gezondheid van cliënt is verslechterd.

2: Geen adequate behandeling: het ontbreken van een (duidelijk) behandelplan en een moeizaam/rommelig therapietraject.
Cliënt is van mening dat hij bij de zorgaanbieder geen geschikte behandeling/therapie heeft gekregen, dan wel dat hierin onvoldoende voortgang was. De zorgaanbieder is in zijn behandeling verwijtbaar tekortgeschoten. Toen de therapie na een moeizame start op gang was gekomen, bleek na ongeveer zes maanden dat de therapeute die cliënt behandelde, cliënt geen passende behandeling kon bieden.
In januari 2018 gaf zij aan ‘nog zoekende te zijn naar een passende therapie’ voor cliënt. Bovendien kwam cliënt een aantal keren voor niets. Ter plekke werd aangegeven dat de afspraak niet kon doorgaan. Daarbij werd geen vervanging geregeld, zodat cliënt weer naar huis kon gaan. Dit terwijl het niet goed met hem ging. Op verzoek van cliënt werd besloten dat hij een andere therapeut zou moeten krijgen.
Op 30 januari 2018 zou het afstemmingsoverleg plaatsvinden tussen de oude en nieuwe therapeute en cliënt (met zijn ouders). Helaas werd op het laatste moment medegedeeld dat hoofdbehandelaar, de psychiater, hier niet bij aanwezig zou zijn. Dit heeft cliënt betreurd, aangezien dit voor hem een belangrijk afstemmingsoverleg was.

De ouders van cliënt begrepen later tijdens een telefoongesprek met de nieuwe therapeute dat zij geen interne overdrachtstukken had gekregen en ook niet in het bezit was van therapieverslagen. Vervolgens hebben cliënt en zijn ouders in februari 2018 in een gesprek met de afdelingschef/locatiemanager verzocht om een andere hoofdbehandelaar en een andere, ervaren therapeut voor jonge mensen in te schakelen. Dit verzoek werd afgewezen omdat er geen andere psychiater voorhanden was. Door dit alles liep de therapie van cliënt vertraging op, waardoor de gezondheidssituatie van cliënt verder verslechterde. Ondanks dat het niet goed ging met cliënt, moest hij meestal lang wachten voor aanvang van de afspraken. De ouders van cliënt hebben regelmatig aangegeven dat afspraken, therapie enzovoorts wat sneller op gang moesten komen omdat cliënt in september 2018 weer zou starten met zijn opleiding (havo/ Drenthe College). Cliënt heeft meerdere keren geen therapie gehad vanwege vakanties van de behandelaar en therapeute. Later ontstonden er problemen met het plannen van de afspraken, toen cliënt weer naar school ging. De afspraken werden door de zorgaanbieder steeds tijdens schooltijd gepland, terwijl vooraf duidelijk door cliënt of zijn ouders was aangegeven dat de afspraken buiten de schooluren gepland moest worden. Er werd echter geen rekening gehouden met zijn schoolrooster, waardoor cliënt de afspraken soms niet kon nakomen.

3: De zorgaanbieder heeft zich onvoldoende ingespannen de ontstane vertrouwensbreuk te herstellen.
Cliënt stelt dat de zorgaanbieder geen adequate behandeling heeft aangeboden en dat de zorgaanbieder steken heeft laten vallen betreffende omgang en communicatie. De zorgaanbieder heeft weinig professionele betrokkenheid getoond. De bejegening door de psycholoog heeft cliënt als koel en afstandelijk ervaren. Dit kwam tot uiting doordat zij niet altijd (adequaat) reageerde op zijn vragen over zijn behandeling/medicatie en hem een keer lang liet wachten op testresultaten. Het intern klachtentraject in 2017 en de gesprekken op locatie bij de zorgaanbieder hebben niet tot een verbetering geleid.

4: Bij de eenzijdige opzegging van de behandelingsovereenkomst zijn door de zorgaanbieder niet de te hanteren zorgvuldigheidseisen in acht genomen.
Aangezien cliënt zich niet gesteund voelde, werd hij steeds onzekerder en somberder. Dit maakte ook dat hij in de laatste periode niet meer gemotiveerd genoeg was om naar de afspraken te gaan. De psycholoog heeft de behandelingsovereenkomst uiteindelijk eenzijdig opgezegd. Daarna moesten cliënt en zijn ouders op zoek naar een andere zorgaanbieder. Het was erg moeilijk om elders passende hulp voor cliënt te vinden. Het was een onzekere periode voor cliënt met vele afwijzingen (en daarmee teleurstellingen), zonder dat cliënt passende therapie en medicatie kreeg. Daardoor werd hij opnieuw depressief, hetgeen niet alleen weerslag had op cliënt, maar ook op het gehele gezin. Uiteindelijk kon cliënt gelukkig – via HSK Groep – terecht bij de IPGGZ, alwaar hij nog steeds onder behandeling staat. Bovendien is in oktober 2019 sprake geweest van een acute (tijdelijke) opname bij Medium Care te Assen.
De wijze waarop de zorgaanbieder de behandelingsovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd, was onzorgvuldig. Op 2 november 2018 verzond de moeder van cliënt een uitgebreide e-mail naar de behandelaar met de reden waarom cliënt de behandelafspraken annuleerde. In deze e-mail is met zoveel woorden aangegeven dat de vertrouwensbasis tussen cliënt en de behandelaar is geschaad. Cliënt zijn moeder sluit haar e-mail af met de mededeling: “In afwachting van uw reactie en erop vertrouwend dat nog afspraken worden gepland waarbij ook de belangen van cliënt worden afgewogen”. Uit deze e-mail wordt duidelijk dat er op dat moment een hulpvraag bij cliënt bestond. Desondanks besloot de behandelaar om de behandelingsovereenkomst eenzijdig op te zeggen.

Op grond van artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek kan een arts of andere hulpverlener (bijvoorbeeld zorginstelling) een behandelingsovereenkomst alleen in geval van gewichtige redenen opzeggen. In de KNMG-richtlijn ‘Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ (hierna: de richtlijn) is nader vastgelegd wanneer sprake kan zijn van gewichtige redenen. In deze richtlijn zijn ook zorgvuldigheidseisen opgenomen die bij het beëindigen van de behandelingsovereenkomst in acht genomen dienen te worden. In het onderhavige geval was naar mening van cliënt geen sprake van gewichtige redenen. Indien de zorgaanbieder al van mening is dat sprake was van gewichtige redenen, dan heeft de zorgaanbieder de zorgvuldigheidseisen onvoldoende in acht genomen bij de beëindiging. De zorgaanbieder had een redelijke termijn voor de beëindiging in acht moeten nemen zodat cliënt en zijn ouders een aanvaardbaar alternatief van zorg (andere psychiatrische zorg) konden vinden. In de tussentijd had de zorgaanbieder de medisch noodzakelijke hulp moeten voortzetten totdat cliënt een nieuwe behandelaar had gevonden. De zorgaanbieder had op zijn minst moeten aanbieden mee te zoeken naar een alternatief voor de zorg (bijvoorbeeld door middel van een verwijzing). Bovendien had de zorgaanbieder schriftelijk moeten waarschuwen dat de behandelingsovereenkomst beëindigd zou worden als cliënt de gemaakte afspraken niet zou nagekomen. Door dit alles na te laten heeft de zorgaanbieder niet de te nemen zorgvuldigheidseisen in acht genomen bij de eenzijdige opzegging. Aangezien uit het eerdere klachtentraject in 2017 was gebleken dat er geen andere hoofdbehandelaar was, had cliënt er geen vertrouwen in dat het opnieuw instellen van de interne klachtenprocedure bij de zorgaanbieder een oplossing zou bieden voor de problemen. Daarom heeft hij zich met zijn klacht rechtstreeks tot Geschillencommissie gewend.

Cliënt vordert van de zorgaanbieder een schadevergoeding van € 1500,– voor het tekortschieten in de behandelingsovereenkomst, het onzorgvuldig opzeggen van de behandelingsovereenkomst en de door hem geleden immateriële schade als gevolg van het gebrek aan adequate behandeling waardoor zijn gezondheidstoestand is verslechterd.

Naar aanleiding van het verweer van de zorgaanbieder verzoekt de cliënt de commissie bij de ontvankelijkheidsbeoordeling rekening te houden met de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. Cliënt heeft in 2017 de interne klachtenprocedure bij de zorgaanbieder doorlopen. Dit leidde niet tot verbetering en cliënt bleef ontevreden over de behandeling. Eind 2018 is de behandelovereenkomst door de zorgverlener eenzijdig opgezegd. Aangezien de zorgverlener cliënt niet informeerde over een mogelijke doorverwijzing, moesten cliënt en zijn ouders zelf zoeken naar een andere, passende zorgaanbieder. Dit slaagde pas na een aantal maanden. Cliënt zijn (psychische) gezondheid ging steeds verder achteruit. Aangezien hij geen vertrouwen meer had in de zorgaanbieder besloot hij niet opnieuw de interne klachtprocedure te doorlopen. In mei 2019 moest cliënt schoolexamens doen, waar hij zijn volle aandacht voor nodig had. Vanwege voornoemde redenen heeft het enige tijd geduurd totdat de onderhavige klacht daadwerkelijk bij de geschillencommissie kon worden ingediend.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klacht 1:
In het klaagschrift wordt de klacht herhaald die in het voorjaar 2017 uitgebreide aandacht kreeg van de klachtenfunctionaris, de behandelaren en het management. Cliënt stelt dat, doordat de behandeling volgens hem geen aanvang nam, zijn psychische gezondheid is verslechterd. De zorgaanbieder is primair van mening dat deze klacht ex art. 6 lid 1 onder b Reglement Geschillencommissie Zorg Algemeen (01-01-2017) niet ontvankelijk is en verzoekt de commissie daarom cliënt niet-ontvankelijk te verklaren in dit klachtonderdeel. Cliënt behoorde zich tot de commissie te wenden binnen twaalf maanden nadat hij de klacht indiende bij de zorgaanbieder, ofwel voor 26 februari 2018. Echter, dit gebeurde pas per brief van 30 augustus 2019. Dat is ruim anderhalf jaar te laat.

Klacht 2:
De zorgaanbieder herkent zich niet in deze klacht. Uit de gespreksverslagen in het medisch dossier blijkt dat de eerste therapeut tussen 24 maart 2017 en 18 mei 2018 in totaal 33 sessies met cliënt heeft gehad. Verder blijkt dat tien sessies zijn afgezegd, in de meeste gevallen door de moeder van cliënt. Wat betreft therapieverloop: op 3 momenten tijdens behandeling heeft cliënt de Yale-Brown Obsessieve-Compulsieve Scale ingevuld, een vragenlijst (score 0-40) die ernst van OCD-klachten meet. Op 14 februari 2017 scoorde hij 34, een score die overeenkomt met een ernstige dwangstoornis. Op 31 juli 2017 en 4 februari 2018 waren de door hemzelf ingevulde scores resp. 20 en 19, met andere woorden: een forse verbetering. Uit de rapportage kwam verder naar voren dat de benadering een gedragstherapeutische was, niet zoals gesuggereerd wordt alleen evalueren en praten over hoe het gaat. Er is gestructureerd gewerkt aan de activatie, afname van obsessieve gedachten, en aan de vermindering van de traagheid van patiënt in zijn handelen, samenhangend met veel nadenken over dingen perfect moeten doen, met hulp van functie analyses, exposure oefeningen, en huiswerkopdrachten. Ook zaken rond een stressvolle thuissituatie zijn ter sprake gekomen. Hieruit kan genoegzaam afgeleid worden dat de therapeute deskundig handelde en wist waarmee zij bezig was. Mogelijk dat een opmerking die de therapeute in het kader van de behandeling gemaakt heeft niet precies genoeg/onhandig was geformuleerd en door cliënt verkeerd is geïnterpreteerd. Overigens heeft zij ook tijdens behandeling nog een aantal malen uitvoerig uitleg gegeven over wat zij bedoelde, namelijk wat ervoor nodig was om cliënt ertoe te bewegen om de inzichten die hij verworven had door therapie ook toe te gaan passen.

De overdracht aan een andere therapeut – niet op verzoek van cliënt, maar wegens het afronden van haar opleiding – heeft de eerste therapeute goed verzorgd, met een samenvatting in het kader van de overdracht, en leidde niet tot vertraging. Haar laatste sessie vond plaats op 18 mei 2017 en de eerste sessie van haar opvolger op 25 mei 2017. In een eerder stadium hadden de eerste therapeute, cliënt en haar opvolger reeds een afstemmingsoverleg gehad. Ook de onvrede van cliënt over het regie-behandelaarschap van de psycholoog is serieus genomen. Zij heeft hierover contact gezocht, waarna ze cliënt eerst individueel gesproken heeft en daarna in het kader van een klachtgesprek, waarbij ook zijn vader, de manager en de behandelcoördinator aanwezig waren. Afgesproken werd toen dat zij regiebehandelaar zou blijven.

Klacht 3:
Cliënt stelt dat er in het begin van het behandeltraject een vertrouwensbreuk was ontstaan, welke nadien niet is opgelost. Ook in deze klacht herkent de zorgaanbieder zich niet. Naar het oordeel van de behandelaren is het intern klachttraject bij de klachtenfunctionaris zinvol geweest. Dit klachttraject werd positief afgerond en de behandeling kon worden voortgezet.
Uit niets valt af te leiden dat therapeuten zich onvoldoende hebben ingespannen of dat zij het belang van een goede behandelrelatie niet voor ogen hadden.

De psycholoog betreurt het dat cliënt haar als ‘koel en afstandelijk’ omschrijft. Een klacht overigens die in die bewoordingen nieuw voor haar is en in het klaagschrift nauwelijks wordt toegelicht. Naar haar mening heeft zij zich voldoende ingezet voor de behandelrelatie met cliënt. Daarbij was het een probleem dat cliënt al vanaf medio 2017 zeer onregelmatig op afspraken bij haar verscheen en zijn telefoon niet beantwoordde. Het contact liep daardoor vaak via de moeder van cliënt. Pogingen dat te veranderen – cliënt was immers meerderjarig, voldoende intelligent en wilsbekwaam – waren niet succesvol. Ter illustratie: tussen 28 augustus 2017 en 6 februari 2018 is geen enkele poliklinische afspraak doorgegaan, waarbij in ieder geval twee keer sprake was van no show (niet verschenen zonder afzegging). De psycholoog is nagegaan in hoeverre zij zelf afspraken heeft afgezegd of perioden afwezig was. Haar conclusie is dat daarvan geen sprake was. Dat het wegens haar beperkte beschikbaarheid als regiebehandelaar lastiger was afspraken te maken dan met anderen, begrijpt ze. Toch is zij van mening voldoende gelegenheid voor afspraken geboden te hebben. Alleen in de zomerperiode is zij doorgaans enkele weken afwezig. In die periode zijn er wel altijd psychiaters die haar waarnemen. Het verbaast de psycholoog dat zij nu het verwijt krijgt door afwezigheid en afzeggingen de behandeling gestagneerd te hebben, terwijl cliënt zelf regelmatig afzegde, af liet zeggen of niet verscheen. In die zin is het opmerkelijk dat cliënt zulke stevige verwijten heeft richting de behandelaren over een gebrek aan inzet en een vertraging van de behandeling.

Klacht 4:
De kwalificatie eenzijdige opzegging is onjuist. De psycholoog kreeg geen contact meer met cliënt en mocht er genoegzaam vanuit gaan dat cliënt de behandeling niet voort wenste te zetten. Cliënt had in de maanden september, oktober en november 2018 immers zelf niets meer van zich laten horen. In de afsluitbrief aan de huisarts van cliënt schrijft de psycholoog vervolgens: “Aangezien wij patiënt nu enkele maanden niet meer hebben gezien, sluiten wij verder contact af, en dragen de medicamenteuze behandeling over aan de huisarts. Wanneer patiënt alsnog in behandeling wil komen, kan hierover overlegd worden en is dit mogelijk mits behandeldoelen, wederzijdse verwachtingen en beleid rond no show goed in overeenstemming zijn gebracht tussen ons en cliënt.” Hieruit blijkt niet dat zij de behandelrelatie eenzijdig opzegt, ze gaat er vanuit dat cliënt de behandeling kennelijk niet meer wil en sluit de behandeling daarom af. Dat cliënt nog steeds welkom is, voegt zij daar uitdrukkelijk aan toe. De opmerking dat ‘cliënt en zijn ouders daarom naar een andere zorgaanbieder moesten gaan zoeken’ kan verweerster om die reden niet plaatsen. De in het klaagschrift genoemde redenen waarom cliënt de laatste maanden niets meer van zich liet horen, kan verweerster evenmin volgen. Gesteld wordt dat cliënt zich door een gebrek aan steun steeds onzekerder en somberder ging voelen, waardoor hij onvoldoende gemotiveerd was om naar de afspraken te gaan. Eerder liet cliënt echter via zijn moeder telkens weten dat hij wegens een druk schoolrooster niet in staat was op afspraken te verschijnen, zelf af te bellen en nieuwe afspraken in te plannen.
De beëindiging van de behandeling kwam voor cliënt niet onverwacht. Op 23 oktober 2018 heeft de behandelaar hem een brief gestuurd. In die brief staat onder andere het verzoek binnen twee weken contact op te nemen en de mededeling dat als zij en de therapeute niets horen, zij ervan uitgaan dat cliënt het contact niet wenst voort te zetten. Op die brief is door cliënt niet gereageerd. Wel stuurde zijn moeder op 2 november 2018 een e-mailbericht. Daarop is op 14 november 2018 door de psycholoog gereageerd. Er zijn voldoende pogingen ondernomen cliënt weer in behandeling te krijgen, waarvan hij geen gebruik gemaakt heeft.

Dat een dergelijke houding ertoe leidt dat een behandeling uiteindelijk wordt afgesloten, ligt in de rede.
Het is verweerster niet duidelijk waarom cliënt de zorgaanbieder de afsluiting zo zwaar aanrekent. Hij had nog steeds de mogelijkheid terug te komen in zorg, maar heeft die wens nimmer geuit. Wel blijkt uit de bijlagen bij het klaagschrift dat zijn moeder reeds drie dagen na de afsluitbrief aan de huisarts de klacht wilde voorleggen aan de commissie. Waarom het uiteindelijk bijna anderhalf jaar duurde voordat dit geschil bij verweerster bekend werd, en waarom niet eerst de interne klachtroute is doorlopen, is onduidelijk.

De zorgaanbieder betreurt het dat de klachten II. III. en IV. niet eerst via de interne klachtroute zijn gegaan. Ook betreurt de zorgaanbieder het dat de klachten II. III. en IV. zo laat zijn ingediend. Zij heeft overwogen ook voor de klachten II. III. en IV. om niet-ontvankelijkheid te verzoeken, maar ziet daar om pragmatische redenen vanaf.

Beoordeling van het geschil
De commissie dient ten aanzien van klacht 1. primair te beoordelen of de cliënt in zijn klacht kan worden ontvangen, nu de zorgaanbieder in haar verweer uitdrukkelijk een beroep op niet-ontvankelijkheid heeft gedaan.
Het reglement Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg van de commissie is bepalend voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van een klacht.
Ingevolge artikel 6.1 onder b van dit reglement verklaart de commissie op verzoek van de zorgaanbieder – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet ontvankelijk indien hij zijn geschil niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de cliënt de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt. In afwijking van het bepaalde in voormeld artikel, kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet naleving ervan naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft (artikel 6.2).

De cliënt heeft zijn klacht voor het eerst bij de zorgaanbieder ingediend op 26 februari 2018. Het eerste vragenformulier heeft de cliënt op 24 juni 2019 bij de commissie ingediend. De commissie stelt vast dat de cliënt niet binnen 12 maanden na indiening van de klacht bij de zorgaanbieder aan de commissie heeft voorgelegd. Immers de klacht is bijna 4 maanden na afloop van de termijn (van 12 maanden na 26 februari 2018) bij de commissie aanhangig gemaakt. Op grond van het bepaalde in artikel 6.1 onder b van het reglement is de cliënt dan ook niet ontvankelijk in haar klacht nu verweerder daarop een uitdrukkelijk verzoek doet. Naar het oordeel van de commissie heeft de cliënt geen omstandigheid aangevoerd die meebrengt dat de cliënt hiervan redelijkerwijs geen verwijt treft. Ambtshalve heeft de commissie ook geen verontschuldiging hiervoor in het dossier aangetroffen.

De commissie verklaart cliënt niet ontvankelijk in zijn eerste klacht.

Ten aanzien van de overige klachten overweegt de commissie als volgt.

Op grond van de zorgovereenkomst, die cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst met cliënt.

Cliënt heeft in klacht 2 gesteld dat er geen adequate behandeling heeft plaatsgevonden en het therapietraject rommelig is verlopen.
Naar het oordeel van de commissie kan deze klacht niet slagen. De zorgaanbieder heeft in haar verweer voldoende aannemelijk gemaakt dat er niet alleen sprake is geweest van een duidelijke behandeling maar dat er tevens verbeteringen zijn aan te wijzen met betrekking tot de OCD score.
De commissie heeft niet kunnen vaststellen dat er geen adequate behandeling door de zorgaanbieder is aangeboden. Cliënt heeft 33 therapiesessies gehad. De zorgaanbieder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de tussentijdse wisseling van therapeuten niet op verzoek van cliënt heeft plaatsgevonden maar het gevolg was een banenwisseling van de eerste therapeute na het afronden van haar opleiding en dat de overdracht niet heeft geleid tot stagnatie in de therapie. Dat het therapietraject haperde was het gevolg van het uitblijven van communicatie zijdens de cliënt.

Cliënt heeft in klacht 3 gesteld dat de zorgaanbieder zich onvoldoende heeft ingespannen om de ontstane vertrouwensbreuk te herstellen heeft. Cliënt stelt dat de zorgaanbieder geen adequate behandeling heeft aangeboden en dat de zorgaanbieder steken heeft laten vallen betreffende omgang en communicatie.

Zoals de commissie onder klacht 2 heeft overwogen heeft de commissie niet kunnen vaststellen dat er geen adequate behandeling door de zorgaanbieder is geboden. Naar haar oordeel heeft de zorgaanbieder meer dan voldoende gedaan naar aanleiding van eerder geformuleerde klachten de vertrouwensbreuk te bespreken en op te lossen. Het is meer aan cliënt dat hij niet naar afgesproken behandelingen is gekomen en zelfs geen telefonisch contact heeft opgenomen met de behandelaar.
De commissie verklaart deze klacht niet gegrond.

Cliënt heeft in klacht 4 gesteld dat de zorgaanbieder de behandelingsovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd en daarbij de te hanteren zorgvuldigheidseisen niet in acht heeft genomen.

De commissie overweegt in de eerste plaats dat een behandelaar geen behandelverantwoordelijkheid meer kan nemen indien een cliënt niet meer op afspraken komt en er ook geen contact meer met hem kan worden gelegd. In dat geval mag een behandelaar een behandelingsovereenkomst beëindigen.

De commissie stelt voorts vast dat in maart 2018 door de regiebehandelaar duidelijke behandelafspraken zijn gemaakt met cliënt over het komen op afspraken. Vaststaat dat cliënt een aantal keren niet is verschenen op afspraken en in de maanden september tot en met november 2019 helemaal niets meer van zich heeft laten horen en ook zelf geen telefonisch of schriftelijk contact met de behandelaar heeft gelegd.
De zorgaanbieder heeft dit opgevat als een blijk van cliënt dat hij niet verder wilde gaan met de therapie. De zorgaanbieder heeft cliënt daarover een brief toegezonden waarin dit ook staat verwoord en de client medegedeeld dat hij nog immer terug kon komen bij zijn behandelaar. De cliënt heeft hierop niet gereageerd. De zorgaanbieder heeft toen in haar brief aan de huisarts vermeld dat zij onder de gegeven omstandigheden de behandeling afsloot maar dat er voor cliënt nog steeds de mogelijkheid was om terug te komen in zorg.

Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder niet onzorgvuldig gehandeld door de behandeling stop te zetten wegens gebrek aan communicatie met cliënt. De commissie is van oordeel dat er geen sprake is van een eenzijdige beëindiging van de behandeling, immers cliënt kan zich opnieuw wenden tot de zorgaanbieder voor hervatting van de therapie. In tegenstelling tot hetgeen cliënt stelt heeft de zorgaanbieder uiterst zorgvuldig gehandeld en tijde van het afronden van de relatie met cliënt. Gelet op het vorenstaande verklaart de commissie ook deze klacht ongegrond.

Alles overziende is de commissie van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde situatie. Zij verklaart de klachten 2, 3 en 4 ongegrond.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden. Zoals de commissie heeft overwogen is de zorgaanbieder niet tekortgeschoten in de behandeling van cliënt zodat zijn verzoek om een financiële vergoeding dient te worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart cliënt niet ontvankelijk in zijn klacht 1 en komt verder tot het oordeel dat de overige klachten 2, 3 en 4 ongegrond zijn.

De commissie wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. F. Zwanepol, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 10 juli 2020.