Oude afsluitkosten vervallen, maar nieuwe netaansluiting blijft voor rekening consument

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: bevoegdheid/ kosten    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1317893/1321031

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument klaagde dat hij onterecht hoge kosten moest betalen om weer op het elektriciteitsnet te worden aangesloten en dat een oude factuur voor afsluitkosten uit 2023 was verjaard. Uit de stukken blijkt dat de meters in zijn woning in december 2023 zijn verwijderd omdat ze beschadigd waren en de verzegeling was verbroken: “Bij de gasmeter was het telwerk verwijderd en in de elektriciteitsmeter was een gaatje geboord.” De commissie oordeelt dat de ondernemer daarom terecht een nieuwe aansluiting mag aanleggen en hiervoor € 1.746,20 in rekening mag brengen. Wel stelt de commissie vast dat de oude factuur van 11 januari 2023 niet meer kan worden ingevorderd, omdat voor zulke eenmalige kosten een strikte vervaltermijn van twee jaar geldt: “Gelet hierop kan de ondernemer in rechte dan ook geen betaling meer vorderen van de factuur van 11 januari 2023.” De klacht is dus deels gegrond: de oude vordering vervalt, maar de consument moet de kosten voor een nieuwe aansluiting wel betalen.

De volledige uitspraak

Samenvatting

Het geschil betreft de (her-)aansluiting van de consument op het door de ondernemer beheerde elektriciteitsnetwerk en de daarvoor in rekening gebrachte kosten.

De consument heeft de klacht op 20 oktober 2025 aan de ondernemer voorgelegd.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument is niet aangesloten op het elektriciteitsnetwerk. Dat leidt voor hem en zijn gezin tot een onhoudbare situatie. De ondernemer gijzelt de consument met een vordering, die volgens de rechtspraak en de [toezichthouder] volledig en onherroepelijk is verjaard en blokkeert daarmee het verzoek van de consument om te worden aangesloten. Het betreft een factuur van 11 januari 2023 van € 917,82 wegens de kosten van het afsluiten van de aansluiting. Het beroep van de ondernemer op een verjaringstermijn van 5 jaar ingevolge artikel 3:307 BW, is onjuist. Er is sprake van een levering die gelijkgesteld wordt met een consumentenkoop en daarop is artikel 7:28 BW van toepassing. Er geldt een verjaringstermijn van 2 jaar. De vordering is op 11 januari 2025 verjaard. De [toezichthouder] heeft dit aan de consument bevestigd. De consument wijst ook op een uitspraak van rechtbank Amsterdam, (ECLI:RBAMS:2021:2219), waarin is bepaald dat artikel 7:28 BW prevaleert boven artikel 3:307 BW.

De consument maakt ook bezwaar tegen de door de ondernemer in rekening gebrachte aansluitkosten van € 1.725,46. Dit betreft de kosten van een “nieuwe” aansluiting. Daarvan is in het geval van de consument geen sprake. De ondernemer tracht de kosten van nieuwe meters ten onrechte op de consument te verhalen aangezien de ondernemer zelf de meters onrechtmatig heeft verwijderd. De kosten voor het in bedrijf stellen bedragen volgens de tarievenlijst van de ondernemer € 128,22. De consument is bereid dat bedrag te betalen en heeft dat ook betaald.

De consument verlangt dat hij na de betaling van het bedrag van € 128,22 wordt aangesloten.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument was vroeger aangesloten op het gas- en elektriciteitsnetwerk van de ondernemer. In verband met het ontbreken van een contract met een energieleverancier is de aansluiting in januari 2023 gedeactiveerd. Enige tijd later, op 13 december 2023, zijn de meters in de woning van de consument weggenomen omdat was gebleken dat deze waren beschadigd. Sindsdien beschikt de consument niet meer over een aansluiting van de ondernemer. Op 6 oktober 2025 sloot de consument een contract met een energieleverancier af voor het leveren van elektriciteit. De consument verlangt dat de ondernemer een nieuwe aansluiting realiseert. De ondernemer is van mening dat de consument daartoe een aanvraag dient te doen en daarvoor dient te betalen.

De consument stelt dat de afsluiting op 6 januari 2023 onrechtmatig is geweest. Hij heeft daarover een kort geding procedure gevoerd en verloren, zie het vonnis van de rechtbank Limburg van 5 januari 2023, dat zich bij de stukken bevindt.

In verband met een geschil tussen de consument en de belastingdienst deed de FIOD eind 2023 een inval in de woning van de consument. Daarbij werd ook een fraude-inspecteur van de ondernemer ingeschakeld, die de woning van de consument op 13 december 2023 bezocht. De inspecteur trof op dat moment zwaar beschadigde meters aan. Bij de gasmeter was het telwerk verwijderd en in de elektriciteitsmeter was een gaatje geboord. Ook was de verzegeling verbroken. Gelet hierop werden de meters weggenomen. De meters zijn eigendom van de ondernemer. De ondernemer was bevoegd ingevolgde de tussen partijen toepasselijke Algemene Voorwaarden, (AV), om deze te verwijderen.

Het verzoek van de consument tot hervatting van het transport. In beginsel is een ondernemer gehouden om zodra sprake is van een contract met een energieleverancier om het transport van energie dat is beëindigd, te hervatten. Normaal gesproken blijven na een afsluiting de meters in de meterkast aanwezig. In het geval van de consument was sprake van een uitzonderlijke situatie omdat sprake was van een meterkast zonder meters. Omdat de consument door eigen toedoen niet over een elektriciteitsaansluiting beschikte, moest een nieuwe aansluiting worden gerealiseerd. De kosten daarvan bedragen € 1.725,46 en zijn door de [toezichthouder] conform de Tarievencode Elektriciteit vastgesteld. De consument dient daarvoor een verzoek als bedoeld in artikel 23 lid 1 Elektriciteitswet (EW) te doen.

De consument stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de factuur betreffende de afsluitkosten is verjaard. De consument vroeg aan de [toezichthouder] of een factuur van een energieleverancier als consumentenkoop moet worden aangemerkt, omdat dergelijke facturen op grond van artikel 7:28 BW na twee jaar verjaren. Het is logisch dat de [toezichthouder] dat bevestigde omdat de levering van stroom en gas aan een kleinverbruiker inderdaad als consumentenkoop kwalificeert. De ondernemer levert geen stroom, maar verzorgt slechts het transport daarvan. De ondernemer is geen leverancier. Bovendien valt niet in te zien dat de afsluiting van een aansluitkabel als “koop” in de zin van artikel 7:1 BW kan worden aangemerkt.

De beide vorderingen van de ondernemer, te weten de kosten van afsluiting en de kosten van een nieuwe aansluiting, verjaren door een tijdsverloop van 5 jaar, vanaf het moment van opeisbaar worden. Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt dat hoewel de ondernemer bevoegd is de hervatting van het transport afhankelijk te stellen van de betaling van de factuur van 11 januari 2023, de ondernemer de hervatting van het transport niet afhankelijk stelt van de betaling van die factuur. Wel blijft de consument het bedrag van de factuur verschuldigd en zal de ondernemer de incasso van de factuur door laten zetten.

Beoordeling

De commissie heeft het volgende overwogen.

In dit geschil klaagt de consument over de hoogte van de door hem te betalen aansluitkosten na de verwijdering van de meters uit zijn woning in december 2023 en stelt hij zich op het standpunt dat de vordering wegens afsluitkosten van 11 januari 2023 is verjaard.

De ondernemer voert gemotiveerd verweer.

Ten aanzien van de vordering van 11 januari 2023

De ondernemer stelt in zijn verweer dat hij de betaling van deze factuur niet als voorwaarde (meer) stelt om tot aansluiting over te gaan, maar stelt daarnaast dat de incasso van deze vordering zal worden doorgezet omdat hij bevoegd is deze vordering te innen. Dit brengt mee dat de consument een voldoende belang heeft om op dit punt een uitspraak van de commissie te krijgen.

Voor de beoordeling van de vraag of de ondernemer nog aanspraak kan maken op betaling is het zaak te onderscheiden tussen de aard van de dienst waarop de vordering is gebaseerd, nu in artikel 95cb EW, zoals dat gold tot 1 januari 2026, een onderscheid wordt gemaakt tussen gewone tarieven, met een regulier karakter, zoals de zogenaamde transportkosten en de netbeheerkosten en tarieven met een eenmalig karakter, zie lid 2 van artikel 95cb EW.

In het eerste geval is sprake van zowel een verjaringstermijn van 2 jaar als sprake van een vervaltermijn van 2 jaar indien niet binnen twee jaar na de opeisbaarheid met de invordering (in rechte) is begonnen. Zie het vonnis van rechtbank Limburg van 4 oktober 2017, ECLI:RBLIM:2017:9403.

In het tweede geval, kosten met een eenmalig karakter, waarvan hier sprake is, geldt louter een strikte vervaltermijn van 2 jaar. De commissie verwijst daarvoor naar het tot 1 januari 2026 geldende artikelen 31 lid 10 EW en 27 EW, waarin is bepaald dat ook voor eenmalige tarieven, zoals aan- en afsluitkosten, een strikte vervaltermijn van 2 jaar geldt. Gelet hierop kan de ondernemer in rechte dan ook geen betaling meer vorderen van de factuur van 11 januari 2023.

De vraag of sprake is van een consumentenkoop kan verder onbeantwoord blijven.

In zoverre is de klacht van de consument dan ook gegrond.

Ten aanzien van de aansluitkosten

Naar het oordeel van de commissie was de ondernemer bevoegd een bedrag van € 1.746,20 (incl. BTW) aan de consument in rekening te brengen voor het realiseren van een nieuwe aansluiting.

De consument heeft weliswaar bij herhaling gesteld dat het weghalen van de meters door de ondernemer onrechtmatig en ongegrond is geweest, maar heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dat meters beschadigd waren en dat de verzegeling van de elektriciteitsmeter was verbroken.

Dit rechtvaardigt het handelen van de ondernemer om de meters, die eigendom van de ondernemer, zijn te verwijderen.

De ondernemer mag dan ook weigeren tot het realiseren van een nieuwe aansluiting over te gaan zolang de consument daartoe geen uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke opdracht geeft. Het staat de ondernemer daarbij vrij om te bedingen dat de kosten hetzij voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden hetzij achteraf na de uitvoering dienen te worden betaald.
In zoverre is de klacht van de consument ongegrond.

Nu de klacht van de consument gedeeltelijk gegrond is, ziet de commissie aanleiding om met toepassing van artikel 21 lid 1 van haar reglement te bepalen dat de ondernemer het door de consument betaalde klachtengeld gedeeltelijk tot een bedrag van € 27,75 dient te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie stelt vast dat het recht om betaling van de factuur van 11 januari 2023 te vorderen is vervallen.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Bovendien is de ondernemer gehouden om aan de consument een bedrag van € 27,75 te voldoen wegens het door de consument betaalde klachtengeld en voorts zal aan de ondernemer in overeenstemming met het reglement van de commissie aan de ondernemer een bijdrage in de behandelingskosten in rekening worden gebracht.

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer J.H.P.T.M. den Ouden, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 23 februari 2026.

Opslaan als PDF