Klacht over vermeend sluipverbruik afgewezen door gebrek aan bewijs

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Verbruik    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1121255/1263619

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument vindt dat zijn warmtesysteem te veel verbruikt door sluipverbruik en geeft de ondernemer daarvan de schuld. Volgens hem had dit voorkomen kunnen worden als de ondernemer op tijd onderhoud had gedaan. De ondernemer zegt dat er geen bewijs is voor sluipverbruik en dat hij wél onderhoud heeft uitgevoerd. De commissie oordeelt dat de consument niet kan aantonen dat de afleverset verkeerd werkte of dat dit door slecht onderhoud kwam. Omdat zowel het apparaat van de ondernemer als het apparaat van de consument tegelijk zijn vervangen, is niet vast te stellen waar het verbruik vandaan kwam. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard en krijgt de consument geen gelijk.

De volledige uitspraak

Samenvatting
De consument toont het door hem vermelde sluipverbruik onvoldoende aan. De klacht wordt dan ook afgewezen.

Beoordeling
De consument beschikt over een koud/warmtesysteem. Hij acht zijn verbruik te hoog omdat er sprake is van sluipverbruik (flow als er geen warmte wordt gevraagd). Dat had vermeden kunnen worden indien de ondernemer zijn contractuele tweejaarlijkse onderhoudsbeurt had uitgevoerd, hetgeen hij niet gedaan heeft. De consument wenst ontbinding van de overeenkomst met terugbetaling van het door hem betaalde, inclusief de betaalde onderhoudskosten. Daarna dient een nieuwe overeenkomst gesloten te worden.
De ondernemer betwist dat er sprake is van sluipverbruik, althans dat de oorzaak daarvan aan hem toe te rekenen is. Hij betwist voorts dat hij tekortgeschoten is in de tweejaarlijkse onderhoudsbeurt. Nog in 2022 heeft een dergelijke beurt plaatsgevonden.

Uit de stukken blijkt dat in november 2024 een monteur van de ondernemer op een klacht van de consument hem bezocht heeft. Over hetgeen de monteur ter plaatse verklaarde verschillen de meningen. Wat daar ook van zij, de monteur heeft een provisorische reparatie verricht aan het Danfoss-apparaat (dat voor rekening van de consument is, maar de reparatie werd uit coulance verricht). De monteur is in januari 2025 teruggekomen en heeft bestelde onderdelen in het Danfoss-apparaat verwerkt (wederom uit coulance) en de afleverset (eigendom is van de ondernemer) preventief vervangen hoewel de vervanging daarvan later gepland was.

De commissie is van oordeel dat de consument onvoldoende aantoont dat de afleverset niet goed functioneerde, waardoor sluipverbruik optrad. Het had op de weg van de consument gelegen de afleverset, toen deze vervangen werd, te laten onderzoeken. Thans is niet meer vast te stellen dat de afleverset niet goed functioneerde, laat staan dat het niet-onderhouden daarvan (zo al dat juist is) zulks veroorzaakt heeft. Door de gelijktijdige vervanging is dan ook niet komen vast te staan of het gestelde mogelijke sluipverbruik veroorzaakt is door de afleverset (eigendom van de ondernemer) of door het Danfoss-apparaat (eigendom van de consument), zoals de ondernemer als mogelijkheid oppert. Dat na de vervanging het verbruik omlaaggegaan is, toont niet aan welke vervanging dat veroorzaakt heeft. Weliswaar wijst de consument op diverse brieven aan andere bewoners van het gebouw waarin hij woont (waarin sluipverbruik en vervanging van de afleverset genoemd worden), doch daarmee onderbouwt hij zijn standpunt niet. Ook de vermelding op een werkbon d.d. 23 november 2024 dat de afleverset niet functioneerde, bewijst dat evenmin nu de ondernemer aanvoert dat zulks op het Danfoss-apparaat betrekking heeft.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard, de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 18 november 2025.

Opslaan als PDF