Ondernemer niet verantwoordelijk voor lagere inruilwaarde auto

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Voertuigen    Categorie: Bewijs / Informatieverstrekking    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1314122/1325803

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument vond dat zijn Toyota bij inruil veel minder waard was geworden omdat volgens een taxatierapport en een Carfax-melding mogelijk sprake zou zijn van een bijzonder schadeverleden of een opvallend lage BPM bij import. Volgens de consument was hij hierover bij aankoop niet geïnformeerd. De commissie stelde echter vast dat de auto drie jaar probleemloos heeft gefunctioneerd en dat niet is aangetoond dat sprake was van een schadeverleden. Ook had de ondernemer niets te maken met de latere inruilonderhandelingen tussen de consument en een andere dealer. Omdat niet is bewezen dat de ondernemer onjuiste informatie heeft verstrekt of verantwoordelijk is voor de lagere inruilwaarde, werd de klacht afgewezen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 11 juli 2022 tussen de consument en de ondernemer tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een gebruikte auto van het merk Toyota, type RAV4, tegen een door de consument te betalen prijs van € 47.272.

De overeenkomst is op 22 juli 2022 uitgevoerd.

De consument heeft de klacht op 3 september 2025 voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De auto is in 2022 bij de ondernemer aangeschaft, met fabrieksgarantie tot 2031. De consument werd bij de inruil van de auto bij [dealer] op 9 augustus 2025 geconfronteerd met ernstige informatie over het schadeverleden van het voertuig. Uit taxatiegegevens en het Carfax-rapport blijkt dat bij de invoer van de auto het BPM-bedrag verdacht laag is vastgesteld en in rode cijfers is weergegeven. Dit wekt het vermoeden van een eerdere aanrijdingsschade of mechanische schade, dan wel het verstrekken van onjuiste gegevens aan de RDW.

Bij de aankoop van de auto is deze informatie niet met de consument gedeeld. De gevolgen hiervan zijn aanzienlijk. De uiteindelijke inruilwaarde bedroeg slechts € 27.950, -, terwijl de marktwaarde volgens de ANWB/BOVAG op dat moment € 34.150. Dit betekent dat de consument € 7.000, – schade heeft geleden.

De auto werd destijds gekocht in de veronderstelling dat deze schadevrij was. De verklaring van de ondernemer dat de auto schadevrij was en alle gegevens juist waren, klopte dus niet. In de drie jaar dat de consument met de auto heeft gereden zijn er geen technische mankementen geweest. Het probleem is dus niet technisch, maar administratief en juridisch.

In het verleden is er discussie tussen partijen geweest over de geadverteerde opties, die niet allemaal aanwezig waren. De ondernemer heeft daarvoor een bedrag van € 500,- vergoed aan de consument, terwijl de ANWB een compensatie van € 1.200, – adviseerde.

De consument die de ondernemer schriftelijk aansprakelijk heeft gesteld wegens het verzwijgen van relevante informatie verzoekt om een passende compensatie.

Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.

De auto was voorzien van veel opties. Niet alle opties waren aanwezig. Daarvoor heeft de ondernemer excuses aangeboden. Hij verzocht om een compensatie van € 1.200,- maar de ondernemer wilde slechts € 500,- betalen. Daarmee is de consument akkoord gegaan. Dit heeft de relatie met de ondernemer geen goed gedaan. De consument had de informatie van Carfax graag bij de koop graag ontvangen. Hij kocht te goeder trouw een auto met 10 jaar garantie.

Van [dealer] begreep de consument dat het een schade-auto zou kunnen zijn. De auto was besmet door de lage BPM die bij de invoer was betaald en als zodanig bij Carfax geregistreerd. [dealer] wilde de auto om die reden niet innemen. Uiteindelijk is dat wel gebeurd en zou de auto naar de handel gaan.

De consument voelt zich misleid bij de aankoop. Iets met de BPM was niet in orde. Hij loopt € 7.000, – mis.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het komt wel vaker voor dat auto’s uit het buitenland met een lagere BPM worden geïmporteerd, dit met als voordeel dat de auto’s voor een scherpere prijs worden aangebonden dan een vergelijkbare Nederlandse auto. Een lagere BPM duidt niet meteen op een schadeverleden. De consument heeft de afgelopen drie jaar geen poging ondernomen om deze aan de ondernemer te verkopen. De ondernemer was zeker bereid geweest daarvoor een marktconforme prijs in te kopen. Het is de eigen keuze van de consument geweest om eerst de auto te verkopen en daarna bij de ondernemer te klagen. De kwestie van de opties is reeds afgedaan. De ondernemer wijst erop dat de auto inmiddels op internet wordt aangeboden voor een bedrag van € 38.950, -.

Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
Het is een serieuze beschuldiging aan het adres van de ondernemer, die echter ongegrond is. De consument heeft de auto drie jaar probleemloos gebruikt en stelt pas na de inruil van de auto in 2025 de hoogte van de BPM aan de orde. De ondernemer is op geen enkele wijze betrokken geweest bij het inruilproces. De auto werd voor € 38.000, – te koop aangeboden en is gekocht door een particuliere eindgebruiker. Niets wijst erop dat er iets mis was met de auto. De auto is niet door de ondernemer zelf ingevoerd. De informatie van Carfax is ook bij de RDW verkrijgbaar. De ondernemer licht niet elke auto door. De bpm-aangifte wordt doorgaans niet opgevraagd. Het is meer een optische inspectie.

De ondernemer ziet geen grond om de consument enige compensatie te bieden

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In dit geschil klaagt de consument over een te lage inruilwaarde van zijn auto, nadat hij daarin drie jaar had gereden. De consument wijt dit aan de lage BPM die bij de invoer is betaald, waardoor de auto besmet is wegens het vermoeden van een schadeverleden. Hij is daarover onvoldoende geïnformeerd.

De ondernemer voert verweer.

De commissie volgt het standpunt van de ondernemer.

De commissie stelt voorop dat de auto na de aankoop zondert mankementen heeft gefunctioneerd en dat niet is gebleken van een schadeverleden.

Voorts heeft de ondernemer geen enkele bemoeienis gehad met het inruilproces van de auto bij [dealer] en heeft de consument eerst na, dus niet tijdens de inruil van de auto, geklaagd bij de ondernemer over de lage BPM en de gevolgen daarvan voor de inruilwaarde.

Naar het oordeel van de commissie kan de ondernemer niet verantwoordelijk worden gehouden voor de uitkomst van de onderhandelingen met [dealer]. De consument handelde daarbij geheel voor eigen rekening en risico. De consument is kennelijk akkoord gegaan met het aanbod van [dealer] en diens uitlatingen over de BPM, zonder zich daarover nader te verstaan met de ondernemer. Die handelwijze moet voor eigen rekening blijven.

Ook kan de ondernemer door de consument niet verantwoordelijk worden gehouden voor een te lage BPM, nog daargelaten dat daarvan niet is gebleken. Te meer niet nu de consument op de hoogte was van de BPM bedragen en daarvan ook heeft geprofiteerd bij de aankoop.

Tenslotte heeft de consument niet weersproken dat de auto voor een bedrag van circa € 38.000, – op internet te koop werd aangeboden.

De consument is dan ook met zijn klacht over de te lage inruilwaarde niet aan het juiste adres bij de ondernemer.

Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument ongegrond.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie wijst het door de consument verlangde af.
Aldus vastgelegd en beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, B.H. Oving en H.H. van der Linden, leden, op 21 april 2026.

Opslaan als PDF