Werkelijk energieverbruik moet worden betaald ondanks hoge naheffing

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarafrekening    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1303842/1315123

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument kreeg na een meterwissel drie gecorrigeerde jaarafrekeningen en werd geconfronteerd met een forse naheffing van ruim € 3.000,-. Jarenlang waren de meterstanden geschat omdat geen bruikbare meterstanden werden doorgegeven, waardoor het werkelijke gas- en elektriciteitsverbruik pas na de meterwissel in 2024 kon worden vastgesteld. De commissie oordeelde dat de energieleverancier terecht het daadwerkelijke verbruik heeft afgerekend en dat dit betaald moet worden. Wel merkte de commissie op dat de leverancier het langdurig afwijken van de geschatte verbruiken beter had kunnen monitoren en dat coulance bij toekomstige betalingsproblemen passend zou zijn. Het verzoek om kwijtschelding of een tegemoetkoming werd afgewezen.

De volledige uitspraak

Samenvatting
Consument klaagt over 3 gecorrigeerde jaarafrekeningen, die werden verstuurd na een elektriciteit- en gasmeterwissel op 14 juni 2024 en verzoekt om kwijtschelding dan wel een tegemoetkoming.

Beoordeling
De commissie heeft het volgende overwogen.

Tussen consument en leverancier/aanbieder (en voorganger) was sprake van een leveringsovereenkomst van energie (elektriciteit en gas) van 3 september 2012 tot 2 september 2025.

Consument diende zelf de meterstanden door te geven. Aan een verzoek daartoe werd in 2017, 2018 en 2019 geen gevolg gegeven, zodat leveranciers/aanbieder het verbruik heeft geschat waartoe leverancier/aanbieder ook is verplicht. Aan verzoeken na 2020 werd ofwel gehoor gegeven door consument, maar dan pasten de meterstanden niet in de dan bekende meterstandenreeks en werden bij validatie afgekeurd, of meterstanden werden niet doorgegeven.

Pas na een elektriciteit- en gasmeterwissel op 14 juni 2024 bleek wat het elektriciteitsverbruik tot dan was geweest en bovendien alleen op daltarief. Leverancier heeft vervolgens terecht, want daartoe bevoegd en verplicht, het werkelijk elektriciteit verbruik en alleen tegen daltarief in rekening gebracht na intrekking van de jaarafrekeningen 2022 en 2023, een voordeel voor consument. Ook werd echter het nog niet in rekening gebrachte hogere gasverbruik in juli 2024 in rekening gebracht.

De commissie stelt vast dat met name door de gasrekening consument per saldo werd geconfronteerd met een naheffing van meer dan € 3.000, – en dat zij eerst via de Rechtswinkel heeft contact gezocht met leverancier/aanbieder en later via de gemeente [plaats]. De commissie stelt ook vast dat consument inmiddels via de gemeente [plaats] een budgetcoach heeft en in een schuldhulpverleningstraject zit. Ook dat op verzoek van de gemeente [plaats] op 9 januari 2026 een (nieuwe) betalingsregeling is getroffen, inhoudende betaling van € 50,- per maand tot februari 2027, o.a. omdat het geschil nog in behandeling is bij de commissie.

De commissie stelt vast dat per februari 2027 de restschuld, zonder matiging en bij nakoming van de betalingsregeling € 2258,90,- zal bedragen, welke restschuld dan ofwel ineens moet worden afgelost, of waarvoor dan zo mogelijk een andere regeling moet worden getroffen.
De commissie begrijpt dat consument heeft ingestemd met deze regeling om aan te geven dat ze niet onwillig is te betalen, maar nu redelijkerwijs niet het hele openstaande bedrag kan betalen.
De commissie stelt vast dat op de zittingsdatum 30 april 2026 nog een bedrag open staat van € 2658,90,-.

De commissie is van oordeel dat de klacht niet gegrond is, omdat feitelijk verbruik betaald dient te worden.

Wel is de commissie ook van oordeel dat het risico van een jarenlange schatting van verbruik door leverancier/aanbieder beter gemonitord zou dienen te worden, zeker als het gasverbruik jarenlang geschat wordt op ca 80 m3 per jaar terwijl het verbruik in een flat gemiddeld het tienvoudige bedraagt, en het daarom leverancier/aanbieder zou sieren om coulance te betrachten wanneer een aanvullende betalingsregeling in februari 2027 nodig zou zijn.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie wijst het verzoek tot kwijtschelding of tegemoetkoming af.
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mevrouw mr. E.M.T. van Ruitenbeek – de Bekker, voorzitter, mevrouw mr. N.R. Geerts – Zandveld, de heer H.W. Zuur, leden, op 30 april 2026.

Opslaan als PDF