Tuchtcommissie bevoegd om klacht tegen coördinator fraudebeheersing te behandelen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Tuchtcommissie NIVRE    Categorie: Bevoegdheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bevoegdverklaring   Uitkomst: bevoegd   Referentiecode: 1314959/1325401

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak moest de Tuchtcommissie NIVRE eerst beoordelen of zij bevoegd was om een klacht te behandelen tegen een coördinator fraudebeheersing die betrokken was geweest bij een fraudeonderzoek. De beklaagde stelde dat personen in deze functie niet onder het tuchtrecht van het NIVRE vallen en dat de commissie daarom niet bevoegd was. De klager was het daar niet mee eens en wees op de statuten, reglementen en openbare uitingen van het NIVRE waaruit volgens hem blijkt dat coördinatoren fraudebeheersing wel onder het tuchtrecht vallen. De commissie onderzocht de relevante regels en concludeerde dat een coördinator fraudebeheersing volgens de statuten moet worden gezien als een NIVRE-geregistreerde. Omdat het tuchtrecht geldt voor personen die als NIVRE-geregistreerde zijn ingeschreven en er nergens een uitzondering voor coördinatoren fraudebeheersing is opgenomen, vallen ook zij onder het bereik van de Tuchtcommissie. Daarnaast speelde mee dat het NIVRE zich naar buiten toe jarenlang zo heeft gepresenteerd dat klachten tegen deze beroepsgroep via het tuchtrecht konden worden behandeld. Daarom oordeelde de commissie dat zij bevoegd is om de klacht inhoudelijk te behandelen. Over de inhoud van de klacht zelf werd in deze uitspraak nog geen oordeel gegeven.

De volledige uitspraak

Onderwerp van de klacht

Klager heeft bij de tuchtcommissie een klacht ingediend tegen beklaagde met betrekking tot diens handelen bij de uitvoering van een fraudeonderzoek, verricht in diens hoedanigheid van coördinator fraudebeheersing. Beklaagde heeft gesteld dat hij niet onder het tuchtrecht van het NIVRE valt. Volgens beklaagde is de tuchtcommissie daarom niet bevoegd de klacht inhoudelijk te behandelen, althans dient klager in haar klacht niet ontvankelijk te worden verklaard.

De tuchtcommissie stelt vast dat partijen zich over en weer hebben uitgelaten over de vraag naar de toepasselijkheid van het tuchtrecht en daarmee de bevoegdheid van de commissie. De tuchtcommissie acht het aangewezen om eerst op deze voorvraag te beslissen alvorens, indien daartoe aanleiding bestaat, toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

Standpunt van de klager

Voor het standpunt van de klager met betrekking tot de bevoegdheid van de tuchtcommissie verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klager stelt zich op het standpunt dat de vraag of een coördinator fraudebeheersing onder het tuchtrecht van het NIVRE valt, dient te worden beoordeeld aan de hand van een samenstel van factoren, waaronder de statuten van het NIVRE, het reglement van de tuchtcommissie, de inrichting van het registerstelsel, de externe uitingen van het NIVRE en het feitelijk handelen van de coördinator fraudebeheersing.

De statuten van het NIVRE
Ten aanzien van de statuten van het NIVRE voert klager aan dat op grond van artikel 3.3 van de statuten onder het begrip “NIVRE‑geregistreerde” mede een coördinator fraudebeheersing moet worden verstaan. Volgens klager volgt hieruit dat artikel 17.2 van de statuten, waarin deze categorie niet expliciet wordt genoemd, niet is bedoeld als een limitatieve opsomming. Klager wijst erop dat de bewoordingen van deze bepaling geen limitatief karakter dragen en bovendien in samenhang dienen te worden gelezen met het bredere registerstelsel.

Voorts stelt klager dat artikel 17.2 van de statuten primair ziet op de procedurele inrichting van de klachtafhandeling, terwijl voor de materiële reikwijdte aansluiting moet worden gezocht bij het reglement van de tuchtcommissie. In dat verband verwijst klager tevens naar artikel 17.3 van de statuten, waarin is bepaald dat de tuchtcommissie belast is met het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde gedurende diens NIVRE registratie. Volgens klager valt daarom een coördinator fraudebeheersing als NIVRE geregistreerde in de zin van artikel 3.3 onder het bereik van het tuchtrecht.

Reglement tuchtcommissie
Met betrekking tot het reglement van de tuchtcommissie stelt klager dat dit reglement aansluit bij de terminologie van de statuten en bepaalt dat klachten kunnen worden ingediend tegen een NIVRE‑geregistreerde. Nu een coördinator fraudebeheersing onder die noemer valt en het reglement niet voorziet in uitzonderingen, is het tuchtrecht van toepassing.

Reglement register Coördinator Fraudebeheersing
Ten aanzien van het reglement van het register Coördinator Fraudebeheersing voert klager aan dat daaruit volgt dat coördinatoren fraudebeheersing zijn gebonden aan gedragsregels en dat uitschrijving uit het register mogelijk is. Nu echter niet in een zelfstandige toetsings- of klachtenprocedure is voorzien, dient volgens klager aansluiting te worden gezocht bij een binnen hetzelfde institutionele kader bestaande regeling, te weten de statuten en het reglement van de tuchtcommissie van het NIVRE.

Externe presentatie door NIVRE
Voorts wijst klager op de externe presentatie door het NIVRE. Volgens klager heeft het NIVRE gedurende meerdere jaren het register Coördinator Fraudebeheersing structureel en publiekelijk gepresenteerd als vallend onder het tuchtrecht. Klager verwijst daarbij naar de officiële website uit de periode waarin de klacht speelt, waaronder de presentatie van het betreffende register, alsmede naar door het bestuur vastgestelde jaarverslagen.

Daarnaast stelt klager dat het klachtenloket van het NIVRE heeft bevestigd dat coördinatoren fraudebeheersing onder het tuchtrecht vallen en dat op die basis de onderhavige klacht in behandeling is genomen.

De door beklaagde aangehaalde webpagina acht klager niet representatief voor de officiële en bestendige uitingen van het NIVRE.

Feitelijk gedrag Coördinator Fraudebeheersing
Ten slotte voert klager aan dat ook het feitelijk handelen van beklaagde relevant is. Klager stelt beklaagde voorafgaand aan het indienen van de klacht te hebben geïnformeerd en haar de gelegenheid te hebben geboden tot een minnelijke regeling te komen. Volgens klager heeft beklaagde toen op geen enkel moment aangevoerd dat zij niet onder de bevoegdheid van de tuchtcommissie zou vallen.

Standpunt van beklaagde

Voor het standpunt van beklaagde met betrekking tot de bevoegdheid van de tuchtcommissie verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat het register voor Coördinator Fraudebeheersing een zogeheten gelieerd register betreft dat uitsluitend door het NIVRE wordt beheerd. Volgens beklaagde brengt dit met zich dat personen die in dit register staan ingeschreven niet zijn onderworpen aan het tuchtrecht van het NIVRE. Beklaagde wijst er in dit verband op dat dit ook als zodanig op de website van het NIVRE is vermeld.

Ter nadere toelichting voert beklaagde aan dat het register Coördinator Fraudebeheersing in 2009 is opgericht, waarbij de regie destijds bij het Verbond van Verzekeraars lag en het NIVRE belast was met de administratieve uitvoering. Het register werd in 2020 opengesteld voor fraudefunctionarissen uit de financiële sector in brede zin. Hierdoor is de betrokkenheid van het Verbond van Verzekeraars beëindigd en is het register als gelieerd register ondergebracht bij het NIVRE.

Voorts verwijst beklaagde naar artikel 17.2 van de statuten van het NIVRE. Op grond van deze bepaling heeft het tuchtrecht uitsluitend betrekking op bij het NIVRE geregistreerde experts en -deskundigen. Beklaagde stelt dat sprake is van een limitatieve opsomming, zodat personen die daar niet onder vallen waaronder, naar haar mening, coördinatoren fraudebeheersing buiten de reikwijdte van het tuchtrecht vallen.

Beoordeling van haar bevoegdheid

De commissie dient allereerst te beoordelen of zij bevoegd is om de klacht van klager te behandelen, nu beklaagde heeft gesteld dat zij niet onder het tuchtrecht van het NIVRE valt en de tuchtcommissie derhalve niet over haar handelen kan oordelen.

De commissie overweegt daartoe als volgt.

Centraal staat de vraag of een coördinator fraudebeheersing onder de reikwijdte van het tuchtrecht van het NIVRE valt en, in het verlengde daarvan, of de tuchtcommissie bevoegd is kennis te nemen van een klacht tegen een dergelijke coördinator. In dit kader dient de tuchtcommissie rekening te houden met hetgeen is bepaald in de statuten en de daarop gebaseerde reglementen, alsmede met de betekenis van de uitingen die het NIVRE hierover naar buiten heeft gebracht.

Naar het oordeel van de commissie dient de beoordeling van haar bevoegdheid in de eerste plaats te worden gebaseerd op de statuten van het NIVRE en het daarop gebaseerde reglement van de tuchtcommissie, nu daarin de grondslag en reikwijdte van het tuchtrecht zijn neergelegd. Uitingen van het NIVRE, zoals informatie op de website, kunnen bij deze beoordeling een rol spelen, in het bijzonder voor zover zij van betekenis zijn voor het vertrouwen dat derden mogen ontlenen aan de inrichting en werking van de registers.

De commissie komt, gelet op het navolgende, tot het oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van klachten over het handelen van coördinatoren fraudebeheersing. Hierna zal de commissie uiteenzetten op welke gronden zij tot dit oordeel is gekomen.

De tuchtcommissie stelt vast dat ten tijde van de gedragingen die tot de klacht hebben geleid (2023 en nadien) de statuten van het NIVRE, vastgesteld op 30 september 2021, van toepassing waren. Uit artikel 2 van deze statuten volgt dat het NIVRE onder meer tot doel heeft de deskundigheid en kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en in stand te houden. Dit doel wordt onder meer gerealiseerd door het in stand houden van openbare registers, waarin onder andere zijn ingeschreven de NIVRE Register-Experts, NIVRE Register-Risicodeskundigen, NIVRE Register-Coördinatoren Fraudebeheersing, NIVRE Registerdeskundigen en bureaus (artikel 4.1 van de statuten).

In de statuten zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen.

Artikel 3.3
Overal waar in deze statuten gesproken wordt van de ‘NIVRE-Geregistreerde’ wordt bedoeld een natuurlijk persoon werkzaam op het terrein van schadevaststelling/risicobeoordeling en/of risicopreventie, toedracht en/of fraudeonderzoek en/of fraudebeheersing, inspecties en/of taxaties en aanverwante disciplines, in het bijzonder in het kader van schadeverzekering, die kantoor houdt in Nederland en die op grond van een besluit van het Bestuur in het Register als NIVRE Register-Expert, NIVRE Register-Risicodeskundige, NIVRE Register-Coördinator Fraudebeheersing en/of NIVRE Registerdeskundige is ingeschreven.

Artikel 7.2 onder c
Een NIVRE-Geregistreerde zal door het bestuur worden uitgeschreven indien:
c. door de Tuchtcommissie de maatregel van uitschrijving uit het Register is uitgesproken;

Artikel 17.3
De Tuchtcommissie functioneert autonoom en is belast met:
– het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde ten tijde van diens NIVRE registratie of inschrijving in de Kamer van het NIVRE, dat mogelijk in strijd is met de gedragscode, statuten en/of reglementen van het NIVRE en/of met hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening door de beklaagde betamelijk is, indien en voor zover deze klachten niet kunnen worden behandeld door het KIFID.

De tuchtcommissie overweegt naar aanleiding van het voorgaande als volgt. Op grond van de definitiebepaling in artikel 3.3 van de statuten dient onder het begrip “NIVRE geregistreerde” mede te worden verstaan de NIVRE Register Coördinator Fraudebeheersing, nu deze categorie daarin uitdrukkelijk is genoemd. Daarmee staat vast dat coördinatoren fraudebeheersing als NIVRE geregistreerden in de zin van de statuten moeten worden aangemerkt.

De commissie stelt voorts vast dat artikel 17.3 geen beperking bevat naar de aard van de registratie van de betrokkene, maar in algemene zin ziet op het handelen en/of nalaten van een beklaagde gedurende diens NIVRE registratie. Gelet op de definitie in artikel 3.3 omvat dit derhalve ook coördinatoren fraudebeheersing.

In dit verband komt aan artikel 7.2 onder c bijzondere betekenis toe. Deze bepaling regelt immers dat een NIVRE geregistreerde door het bestuur wordt uitgeschreven indien de tuchtcommissie de maatregel van uitschrijving uit het register heeft opgelegd. Hieruit volgt dat de tuchtcommissie bevoegd is om ten aanzien van NIVRE geregistreerden tuchtrechtelijke maatregelen op te leggen die rechtstreeks ingrijpen in hun registratie. Nu artikel 3.3 geen onderscheid maakt tussen de verschillende categorieën NIVRE geregistreerden en coördinatoren fraudebeheersing daaronder vallen, kan artikel 7.2 onder c naar het oordeel van de commissie niet anders worden begrepen dan dat deze sanctiebevoegdheid zich mede uitstrekt tot coördinatoren fraudebeheersing.

De commissie ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke betekenis toekomt aan artikel 17.2 van de statuten.

Artikel 17.2 bepaalt voor zover hier van belang dat eenieder klachten kan indienen met betrekking tot het handelen en nalaten van een NIVRE Register-Expert, NIVRE Register-Risicodeskundige en NIVRE Registerdeskundige, en dat de ontvankelijkheid van klachten, de bevoegdheden van de tuchtcommissie en de procedure van klachtbehandeling nader zijn uitgewerkt in het reglement Tuchtcommissie.

Anders dan beklaagde betoogt, kan uit de opsomming in artikel 17.2 niet worden afgeleid dat sprake is van een limitatieve opsomming van categorieën die aan het tuchtrecht zijn onderworpen. De commissie acht in dit verband van belang dat deze bepaling niet los kan worden gelezen van de overige statutaire bepalingen, in het bijzonder artikel 3.3, 7.2 onder c en artikel 17.3.
Waar artikel 3.3 een algemene en uitdrukkelijke definitie geeft van het begrip “NIVRE geregistreerde”, en artikel 17.3 het bereik van het tuchtrecht koppelt aan het handelen en/of nalaten gedurende de NIVRE registratie, ligt het niet voor de hand om artikel 17.2 zo uit te leggen dat bepaalde categorieën geregistreerden stilzwijgend van dat bereik zouden zijn uitgesloten.

Daar komt bij dat artikel 17.2 expliciet verwijst naar het reglement van de Tuchtcommissie NIVRE voor de nadere uitwerking van onder meer de bevoegdheid. In het reglement Tuchtcommissie NIVRE is in artikel 3 bepaald dat de tuchtcommissie tot taak heeft het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde gedurende diens NIVRE registratie. In artikel 1 van het reglement wordt onder “beklaagde” verstaan: een NIVRE Kamerbureau en/of een NIVRE geregistreerde.

Nu het reglement geen nadere beperking of differentiatie aanbrengt ten aanzien van het begrip “NIVRE geregistreerde”, dient voor de uitleg daarvan te worden aangesloten bij de statuten. Zoals hiervoor overwogen, volgt uit artikel 3.3 van de statuten dat onder dit begrip mede de NIVRE Register Coördinator Fraudebeheersing valt. De commissie stelt vast dat noch in het reglement, noch in de statuten een uitzondering is opgenomen voor deze categorie.

Van belang is voorts dat in de statuten en het reglement wel expliciet een uitzondering is gemaakt voor klachten die kunnen worden behandeld door het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Deze expliciete uitzondering bevestigt dat, waar het NIVRE heeft beoogd categorieën van klachten of personen buiten de reikwijdte van het tuchtrecht te plaatsen, dit uitdrukkelijk in de statuten is vastgelegd. Een dergelijke uitzondering ontbreekt voor coördinatoren fraudebeheersing.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat noch artikel 17.2 van de statuten, noch het reglement Tuchtcommissie aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat coördinatoren fraudebeheersing buiten het bereik van het tuchtrecht van het NIVRE vallen. Integendeel, uit de onderlinge samenhang van de statuten en het reglement volgt dat deze categorie onder het tuchtrecht is begrepen.

De commissie betrekt bij dit oordeel voorts dat uit het reglement van het register Coördinator Fraudebeheersing niet blijkt van een afzonderlijk toetsingsmechanisme of een eigen tuchtrechtelijke voorziening. Dit vormt een aanwijzing dat voor deze categorie geen afwijkend regime is beoogd, maar aansluiting is gezocht bij het bestaande tuchtrechtelijke kader van het NIVRE.

Daarnaast acht de commissie van belang de wijze waarop het NIVRE zich extern heeft gepresenteerd. Uit de door klager overgelegde stukken, waaronder de openbare presentatie van het register en de jaarverslagen over 2023 en 2024, blijkt dat het NIVRE kenbaar heeft gemaakt dat ook in gelieerde registers ingeschreven personen onder het tuchtrecht vallen en dat een klachtenloket en tuchtcommissie openstaan voor klachten over hun handelen. Hiermee heeft het NIVRE naar het oordeel van de commissie bij derden het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat klachten over coördinatoren fraudebeheersing binnen het tuchtrechtelijke kader van het NIVRE kunnen worden beoordeeld. Het enkele feit dat op een andere plaats een afwijkende mededeling is gedaan, doet daaraan, mede bezien in het licht van de statutaire systematiek, niet af.

Gelet op al het voorgaande komt de commissie tot het oordeel dat zij bevoegd is om van de onderhavige klacht kennis te nemen en deze inhoudelijk te behandelen.
De commissie merkt ten slotte nadrukkelijk op dat sprake is van een beoordeling ex tunc, waarbij bepalend zijn de regelgeving en omstandigheden zoals die golden ten tijde van de gedragingen waarop de klacht betrekking heeft. Dit brengt mee dat latere wijzigingen in statuten, reglementen, interne duidingen of beleidsopvattingen van het NIVRE niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de bevoegdheid in deze zaak.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart zich bevoegd het geschil te behandelen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Tuchtcommissie NIVRE, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, in aanwezigheid van mr. L.H.A. van Doorn, secretaris, op 30 april 2026.

Opslaan als PDF