Klacht over weigering migrainebehandeling niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Ontvankelijkheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 1320282/1336606

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klacht ging over de weigering van een neuroloog om de klager te behandelen voor migraine en over vermeende fouten in de dossiervoering. De Geschillencommissie heeft de klacht niet inhoudelijk beoordeeld, omdat deze te laat was ingediend. Volgens de commissie had de klager zijn geschil binnen twaalf maanden na de afhandeling van de klachtenprocedure moeten voorleggen, maar dit gebeurde pas ruim anderhalf jaar later. De door de klager aangevoerde gezondheidsproblemen waren volgens de commissie onvoldoende onderbouwd om een uitzondering op deze termijn te rechtvaardigen. Daarom werd de klager niet-ontvankelijk verklaard en kwam de commissie niet toe aan een beoordeling van de inhoud van de klacht.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klager)

en

Academisch Ziekenhuis Leiden (LUMC), gevestigd te Leiden
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

Door middel van een vragenformulier heeft klager een geschil aanhangig gemaakt tegen de zorgaanbieder. In het verweer heeft de zorgaanbieder zich onder meer op het standpunt gesteld dat klager
niet-ontvankelijk is in zijn klacht. De commissie dient daarom de vraag te beantwoorden of zij de klacht in behandeling kan nemen.

Standpunt van klager

Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Een neuroloog van de zorgaanbieder (hierna te noemen: de neuroloog) heeft meerdere malen geweigerd om – ondanks verwijzing door andere zorgaanbieders – klager in behandeling te nemen voor zijn migraine. Voorts heeft de neuroloog verzuimd in haar administratie- en notitieplicht.

Klager wil weten waarom de neuroloog hem heeft afgewezen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder stelt zich allereerst op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht, omdat hij deze niet tijdig bij de commissie heeft ingediend; de termijn van twaalf maanden uit artikel 6 lid 1 sub c van het reglement van de commissie is ruimschoots overschreden. Voorts is de zorgaanbieder in zijn verweermogelijkheden geschaad vanwege de vernietiging van (een deel van) het medisch dossier op verzoek van klager.

Slechts voor zover de commissie van oordeel is dat klager ontvankelijk is in zijn klachten, heeft verweerder ook inhoudelijk gereageerd op de klacht van klager en verzocht deze ongegrond te verklaren.

Reactie van klager op het beroep op niet-ontvankelijkheid

Klager heeft in hoofdzaak als volgt gereageerd op de het beroep van de zorgaanbieder op
niet-ontvankelijkheid.

Klager is van mening dat hij wel ontvankelijk is in zijn klacht, omdat er een duidelijke grond is voor een uitzondering op de in het reglement van de commissie genoemde termijn van twaalf maanden. Klager was vanaf oktober 2023 tot midden 2025 vanwege gezondheidsproblemen niet in staat een procedure bij de commissie te beginnen en te bespreken. Het af en toe nog toesturen van berichten was het maximale en de wens om de klacht bij de klachtencommissie te openen was het maximaal haalbare, omdat dit veel minder intensief en heftig is dan een klacht bij de commissie.
Voorts kan de vernietiging van het medisch dossier geen rol hebben gespeeld in de verweermogelijkheden van de zorgaanbieder, omdat deze zag op een deel van het dossier tot een bepaalde datum en deze datum ver vóór de afwijzing lag.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De zorgaanbieder doet een beroep op niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 6 lid 1 sub c van het reglement van de commissie, waarin is bepaald:
“De commissie verklaart op verzoek van het ziekenhuis – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet ontvankelijk:
(…)
c. de cliënt zijn geschil vervolgens niet binnen 12 maanden, na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt;”

Op grond van de overgelegde stukken stelt de commissie vast dat klager in 2022 en 2023 diverse klachten bij de zorgaanbieder heeft ingediend, waarvan hij er een aantal ook weer heeft ingetrokken.
Naar aanleiding van klachten, die klager op 30 mei 2023 en 3 juni 2023 heeft ingediend, heeft de zorgaanbieder klager bij e-mail van 5 juni 2023 als volgt bericht:

“Wij nemen geen nieuwe klachten meer van u in behandeling. Wij hebben ons zeer ingespannen om uw klachten concreet te krijgen. Uw tegenstrijdige berichten ten aanzien van het wel of niet indienen van een klacht en het wel of niet voortzetten van het klachtentraject, maakt dat wij hier een grens trekken en uw klachten niet meer in het LUMC gaan behandelen. Wij wijzen u op de mogelijkheid om uw klachten extern te laten behandelen: https://www.degeschillencommissie.nl/”.

Daarop heeft klager diezelfde dag gereageerd met de mededeling:

“Middels dit bericht sluit ik ons contact definitief af. Het dossier is vanaf nu 5-06. Gesloten”.

De commissie is van oordeel dat op dat moment de in artikel 6 lid 1 sub c van het reglement genoemde termijn van twaalf maanden is gaan lopen. Klager had het geschil derhalve uiterlijk 5 juni 2024 bij de commissie aanhangig moeten maken.
Klager heeft de eerste melding van zijn klacht bij de commissie pas gedaan op 29 november 2025. Dit betekent dat klager de reglementaire termijn van twaalf maanden ruimschoots heeft overschreden.

Klager heeft nog een beroep gedaan op lid 2 van artikel 6 van het reglement, waarin is bepaald:

“In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a en b en c, kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft”.

De door klager genoemde omstandigheid dat hij kampte met gezondheidsproblemen (een depressie en een zeer ernstige verergering van zijn migraine), is daarvoor – zonder nadere onderbouwing – naar het oordeel van de commissie onvoldoende. De commissie kan op grond van deze enkele mededeling niet vaststellen dat een zo ruime termijnoverschrijding verontschuldigbaar kan worden geacht.
Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de zorgaanbieder onweersproken heeft gesteld dat klager – ook na 5 juni 2023 – nog een groot aantal e-mails heeft gestuurd.
De commissie stelt vast dat enkele van deze e-mails uitgebreid en inhoudelijk van aard waren. Gelet daarop plaatst de commissie vraagtekens bij de stelling van klager dat het schrijven van deze e-mails het maximaal haalbare was, omdat dit veel minder intensief en heftig was dan het indienen van een klacht bij de commissie.

De zorgaanbieder stelt voorts naar het oordeel van de commissie terecht dat klager in 2025 opnieuw door andere zorgaanbieders naar de zorgaanbieder is verwezen, niet maakt dat de termijn van twaalf maanden opnieuw is gaan lopen.
Op grond van het voorgaande is klager niet-ontvankelijk in de klacht.

Nu klager reeds niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding, behoeft de tweede grond die de zorgaanbieder voor niet-ontvankelijkheid van klager heeft aangevoerd (gedeeltelijke vernietiging van het dossier), geen bespreking meer.

De niet-ontvankelijkverklaring heeft tot gevolg dat de commissie niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. M.L.T.B.M. Köhlen en de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 7 juli 2026.

Opslaan als PDF