Commissie: Tuchtcommissie NIVRE
Categorie: Tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Uitspraak
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1154024/1309165
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De volledige uitspraak
Onderwerp van de klacht
(Oorspronkelijk klager) stelt dat beklaagde een provisie heeft gevraagd in ruil voor een positieve aanbeveling bij de verzekeraar ten aanzien van de keuze van de uitvoerder van de bodemsanering.
Het NIVRE heeft de klacht aangevuld met het verwijt dat beklaagde niet op de wijze van een redelijk bekwaam en redelijk handelend expert op klachten reageert. Beklaagde stelt dat tussen hem en (oorspronkelijk klager) geen rechtsverhouding bestaat. Voor het overige betwist beklaagde de ingenomen standpunten.
Aanleiding van de klacht
De klacht is ingediend naar aanleiding van een brandschade waarbij ernstige verontreiniging van de bodem en het grondwater is ontstaan op een perceel. In het kader van de voorgenomen bodemsanering is aan (oorspronkelijk klager) verzocht een offerte uit te brengen.
Standpunt van klager
De beklaagde, die als (tweede) eigen deskundige van de verzekerde/ contra-expert bij de schadeafwikkeling betrokken was, wordt verweten dat hij aan (oorspronkelijk klager) heeft voorgesteld haar offerte bij de verzekeraar positief aan te bevelen, onder de voorwaarde dat beklaagde persoonlijk een vergoeding van 4% van de saneringskosten zou ontvangen. Daarmee zou beklaagde hebben gehandeld in strijd met de voor NIVRE-experts geldende gedragsnormen.
Ter onderbouwing is een transcript van een telefoongesprek tussen (oorspronkelijk klager) en beklaagde overgelegd. Daarnaast is een e-mail van de heer (achternaam) van (oorspronkelijk klager) in het geding gebracht, waarin hij verklaart dat het transcript een juiste weergave vormt van de inhoud en strekking van dit telefoongesprek.
Aanvulling NIVRE
Het NIVRE heeft de klacht overgenomen en heeft deze aangevuld door te stellen dat beklaagde niet voor het eerst heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedragsregels. Beklaagde is in het verleden reeds tuchtrechtelijk veroordeeld en heeft toen een tijdelijke uitschrijving (van drie maanden) uit het register opgelegd gekregen. Volgens klager vertoont het handelen van beklaagde in de onderhavige zaak overeenkomsten met die eerdere kwestie. Klager acht de onderhavige gedragingen dermate ernstig dat zij aanleiding heeft gezien de behandeling van de klacht over te nemen. Volgens klager heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel 4 artikel 5.1 onder d en i, en artikel 7.1 onder c en d van de Gedragsregels.
Verder verwijt klager beklaagde zijn wijze van communiceren naar aanleiding van de klacht. In dat verband verwijst klager naar de e-mailwisselingen van 10 april en 16 april 2025, waarin beklaagde onder meer heeft geschreven:
“U heeft kennelijk met de heer (achternaam) afgesproken om mij in diskrediet te brengen. Mij is duidelijk welk spel gespeeld wordt”
En
“Ik zeg u hierbij wel alvast toe u aansprakelijk te houden voor iedere schade die ik daardoor lijd. Juist omdat ik uw bedrijf nu voor de tweede keer heb voorgehouden dat uw stellingen niet kloppen en schadelijk zijn.”
Volgens klager heeft beklaagde hiermee direct gekozen voor escalatie en heeft hij zich niet gedragen zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam NIVRE-expert mag worden verwacht.
Ter zitting
Ter zitting heeft klager nader toegelicht dat een NIVRE-expert gehouden is aan hoge kwaliteitseisen en het naleven van de gedragsregels. Het vragen van een vergoeding aan een aannemer of opdrachtnemer in verband met een voordracht voor een opdracht is volgens klager onverenigbaar met de vereiste onafhankelijkheid van een schade-expert. Ook de wijze waarop beklaagde op de klacht heeft gereageerd acht het NIVRE onprofessioneel. Volgens klager rechtvaardigt de ernst van en de combinatie van deze gedragingen een definitieve uitschrijving uit het register.
Standpunt van beklaagde
Voor het standpunt van beklaagde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt
het standpunt op het volgende neer.
Beklaagde stelt primair dat de oorspronkelijke klager niet-ontvankelijk is, omdat tussen partijen geen rechtsverhouding bestaat. Van een geschil tussen partijen is volgens beklaagde evenmin sprake.
De commissie beslist op dit primaire verweer als volgt:
Ontvankelijkheid
De commissie volgt het standpunt van beklaagde niet. Het tuchtrecht heeft tot doel het handelen en nalaten van een bij het NIVRE ingeschreven expert te toetsen aan de voor de beroepsgroep geldende normen. Daarmee is ook een algemeen belang gemoeid, namelijk het bewaken van de kwaliteit, integriteit en professionaliteit van de beroepsuitoefening.
Voor de ontvankelijkheid van een klacht is niet vereist dat tussen klager en beklaagde een contractuele of andere rechtsverhouding bestaat, noch dat sprake is van een geschil tussen partijen. Voldoende is dat een klager een klacht indient over het handelen of nalaten van een registerexpert.
Nu de klacht ziet op het handelen van beklaagde als NIVRE-geregistreerde expert, is klager ontvankelijk in haar klacht. Het verweer van beklaagde wordt daarom verworpen.
Hierna zal dan ook ingegaan worden op het inhoudelijk verweer van beklaagde.
Ter zitting
De advocaat van beklaagde heeft aangevoerd dat het aan het dossier toegevoegde transcript slechts een momentopname betreft en een onvolledig beeld geeft van hetgeen tussen partijen is besproken. Het transcript zou met andere woorden geen voldoende bewijs zijn van hetgeen beklaagde wordt verweten ten aanzien van het vragen van provisie.
Beklaagde heeft toegelicht dat hij als tweede contra-expert bij het dossier betrokken raakte nadat de eerste contra-expert was vervangen. Beklaagde stelt dat hij in het dossier niet alleen werkzaamheden verrichtte als schade-expert, maar ook bezig was, of zich bezig zou gaan houden met de begeleiding van het saneringstraject. Volgens beklaagde ziet het in het transcript genoemde percentage van 4% daarom niet op een commissie of retourprovisie, maar op een vergoeding voor door hem te verrichten werkzaamheden.
Ten aanzien van zijn reactie op de klacht heeft beklaagde aangevoerd dat hij reeds tweemaal aan de oorspronkelijke klager had duidelijk gemaakt dat deze volgens hem onjuiste beschuldigingen uitte. Beklaagde stelt dat hij nooit in de positie is geweest om een opdracht aan de oorspronkelijke klager te verstrekken en dat de beschuldigingen schadelijk waren voor zijn reputatie. Volgens hem heeft hij de kwestie daarom ook met de verzekeraar en zijn opdrachtgever besproken. Beklaagde betwist dat zijn uitlatingen als escalerend kunnen worden aangemerkt.
Op vragen van de voorzitter heeft beklaagde verklaard dat een schade-expert volgens hem onder omstandigheden een provisie kan bedingen. Op de vraag welke gevolgen een definitieve uitschrijving uit het NIVRE-register, zoals door klager verzocht, voor hem zou hebben, heeft beklaagde verklaard dat dit voor zijn bedrijfsvoering beperkt effect zou hebben. Zijn advocaat heeft daaraan toegevoegd dat uitschrijving zakelijk wel degelijk gevolgen heeft, omdat sommige verzekeraars uitsluitend samenwerken met NIVRE-geregistreerde experts.
Beoordeling van de klacht
De commissie heeft het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 3.1. van haar reglement heeft de commissie tot taak het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde ten tijde van diens NIVRE-registratie of inschrijving in de Kamer van het NIVRE, dat mogelijk in strijd is met de gedragscode en/of Statuten en/of Reglementen van het NIVRE en/of met hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening door beklaagde betamelijk is. Zij doet dit door een uitspraak te doen.
Voorop gesteld wordt dat een expert dient te handelen conform de Gedragsregels, de Statuten en Reglementen van het NIVRE, alsmede conform al hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening betamelijk is. Zo dient men zich te gedragen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend expert betaamt, waarbij men dient te voldoen aan de eisen van betrouwbaarheid, professionaliteit, integriteit en collegialiteit, zoals nader omschreven in de NIVRE Gedragsregels.
Deze Gedragsregels zijn bedoeld, zo blijkt uit de inleiding daarvan, als een norm voor de verwachtingen die mensen hebben over het gedrag en de intentie van een NIVRE-geregistreerde. Het inhoudelijke werk van een NIVRE-geregistreerde staat niet ter beoordeling van de commissie. Inhoudelijke geschillen dienen langs daartoe geëigende wegen beslecht te worden.
Indien en voor zover een expert een inhoudelijk standpunt heeft betrokken dat redelijkerwijze niet verdedigbaar is, kan dat strijd opleveren met de Gedragsregels en tot een gegrondverklaring en/of tot een eventuele tuchtrechtelijke veroordeling leiden. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden waardoor het mogelijk is dat, ook indien achteraf/objectief geconstateerd wordt dat er een (inhoudelijke) fout is gemaakt, daar niet automatisch uit volgt dat men tevens klachtwaardig gehandeld heeft.
De klacht van klager ziet in de kern op twee vragen: of beklaagde provisie heeft gevraagd en of hij de klacht van de oorspronkelijke klager voldoende duidelijk en professioneel heeft behandeld.
Inhoudelijke beoordeling
Beklaagde wordt primair verweten dat hij in strijd met de voor hem geldende gedragsregels heeft gehandeld door een vorm van retourprovisie te vragen. De commissie stelt voorop dat in deze zaak met name de volgende bepalingen uit de Gedragsregels van belang zijn:
Artikel 3
Een Bureau/NIVRE-geregistreerde dient zich bij de uitoefening van zijn bedrijf/beroep te gedragen zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende expertise-, inspectie- en taxatiebureau/-afdeling en deskundige op het terrein van schadevaststelling, risicobeoordeling en aanverwante deskundigheden betaamt.
Artikel 5.1 onder d
Een NIVRE-geregistreerde stelt zich bij het uitoefenen van zijn opdracht steeds objectief op en laat zich slechts leiden door de belangen van de betrokken partijen en niet door enig eigen belang.
Artikel 5.1 onder i
Een NIVRE-geregistreerde zorgt dat zijn positie als objectief deskundige niet in gevaar komt.
Artikel 7.1
Een Bureau/NIVRE-geregistreerde is zich te allen tijde bewust van de vertrouwenspositie die hij door de aard van zijn werkzaamheden inneemt en zal nimmer relatiegeschenken/uitnodigingen/betalingen aanvaarden die de schijn van partijdigheid zouden kunnen wekken.
Artikel 7.1 onder a:
(…) en zal geen opdracht aanvaarden of uitvoeren waarbij sprake is van (een bepaalde mate van) sturing in de richting van een door de opdrachtgever gewenste uitkomst;
Artikel 7.1 onder c:
(…) en zal nimmer door het aanbieden/doen/verstrekken van betalingen of andere voordelen trachten bij het uitvoeren van een opdracht een bepaald resultaat te bewerkstelligen;
Artikel 7.1 onder d:
(…) en zal nimmer relatiegeschenken/uitnodigingen/betalingen aanvaarden die de schijn van partijdigheid zouden kunnen wekken;
De provisie
Tussen (oorspronkelijk klager) en beklaagde heeft na het uitbrengen van de offerte een telefoongesprek plaats gevonden waarvan een transcript is overgelegd. Uit dit transcript wordt de volgende relevante passage geciteerd:
“Kijk..wat eigenlijk…wil uhhh (verzekeraar) ook een ander bureau wat zeg maar in een netwerk zit, maar dat probeer ik af te houden en als argument ga ik daarvoor gebruiken dat jij snel kan beginnen. Want je wil graag ook, want je bent er vanaf het begin bij betrokken en dat is ook het slimst uhhhh om dat op die manier te doen en ik denk dat ik daar begin volgende week duidelijkheid over heb. Zitten daar een mogelijkheid in, ik ben al vanaf het begin bij betrokken en (verzekeraar) maakt van mijn factuur een probleem, omdat er zijn al eerder experts bij betrokken. Kan ik aan jou een geringe percentage vragen, wat jullie daar gaan doen, want het moet ook een mooie klus worden voor jullie.
Ik zat te denken…kijk,..ik zat te denken…volgens mij ligt er een voorstel nu dat gaat dik door de 2 ton heen…en daar komt nog bij…ja ik zat te denken aan 4%. als dat een optie is, laat maar eens weten of dat redelijk is.”
Klager stelt dat hiermee sprake is van het vragen van retourprovisie. Beklaagde heeft daartegen aangevoerd dat hij geen provisie vroeg, maar een vergoeding voor zijn betrokkenheid bij de begeleiding van de saneringswerkzaamheden. In het geciteerde gesprek zou relevante context ontbreken.
De commissie volgt dit verweer niet. Uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting is besproken blijkt immers dat de opdrachtgever, de verzekeraar of andere betrokken partijen op de hoogte waren van de door beklaagde voorgestelde constructie. Evenmin is gebleken dat hierover afspraken schriftelijk zijn vastgelegd of anderszins controleerbaar zijn gedocumenteerd.
De commissie acht het verweer van beklaagde onvoldoende onderbouwd. Beklaagde heeft aangevoerd dat hij niet om een provisie heeft gevraagd, maar om een vergoeding voor door hem te verrichten begeleidingswerkzaamheden. Voor die lezing biedt het overgelegde transcript echter geen enkele steun. De door beklaagde gestelde andere lezing van hetgeen is voorgevallen kan daardoor niet worden vastgesteld.
Nu objectieve aanknopingspunten voor de lezing van beklaagde ontbreken, kan de commissie tot geen andere conclusie komen dan dat beklaagde daadwerkelijk heeft gevraagd om een provisie met daarbij de belofte (oorspronkelijk klager) voor te dragen voor de opdracht.
CONCLUSIE
Gelet op het bovenstaande is voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde een financiële vergoeding heeft gevraagd die verband hield met de aan (oorspronkelijk klager) te verstrekken saneringsopdracht. Daarmee heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel 7.1 van de Gedragsregels. Op grond van dat artikel dient een NIVRE-geregistreerde zich voortdurend bewust te zijn van de bijzondere vertrouwenspositie die hij inneemt en dient hij alle uitingen en handelingen te vermijden die de schijn van partijdigheid kunnen wekken.
Door onder de hiervoor beschreven omstandigheden een vergoeding te vragen van een partij die in aanmerking kwam voor de uitvoering van de saneringswerkzaamheden, heeft beklaagde ten minste de schijn gewekt dat zijn onafhankelijkheid door een financieel belang werd beïnvloed. Dat is onverenigbaar met de positie van een onafhankelijk NIVRE-expert.
Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.
De communicatie naar aanleiding van de klacht
Beklaagde wordt ook verweten dat hij onvoldoende professioneel heeft gereageerd op de tegen hem ingediende klacht. De advocaat van beklaagde heeft daartegen aangevoerd dat beklaagde zich soms wat ongenuanceerd uitlaat, maar dat dit nog geen onfatsoenlijk gedrag oplevert dat in strijd is met de Gedragsregels.
De commissie stelt vast dat beklaagde in zijn reactie van 10 april 2025 de klacht heeft gekwalificeerd als gebaseerd op valse aantijgingen en verdraaiingen van feiten, zonder dit standpunt inhoudelijk te onderbouwen. Naar het oordeel van de commissie draagt een dergelijke reactie niet bij aan een zorgvuldige en professionele behandeling van een klacht. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend NIVRE-expert mag worden verwacht dat hij kritiek en klachten op een zakelijke wijze behandelt, ook wanneer hij van mening is dat die klachten onterecht zijn. Opvallend is dat beklaagde pas op zitting met een andere lezing van de feiten is gekomen. De wijze waarop beklaagde heeft gereageerd voldoet naar het oordeel van de commissie niet aan de genoemde gedragsnormen.
Ook dit klachtonderdeel is daarom gegrond.
De maatregel
Het vragen van retourprovisie, zoals hier aan de orde, vormt een zeer ernstige schending van de voor een NIVRE-expert geldende normen. Een dergelijke handelwijze brengt immers mee dat sprake is van belangenverstrengeling dan wel de schijn daarvan, terwijl onafhankelijkheid en objectiviteit juist de kern vormen van de positie van een NIVRE-expert. In het economisch en handelsverkeer moet iedereen die met een NIVRE-expert te maken krijgt er volledig op kunnen vertrouwen dat deze onafhankelijk en onpartijdig is. Met zijn handelen heeft beklaagde dit vertrouwen in ernstige mate geschonden.
Bij het oordeel en de hierna te noemen maatregel weegt de commissie mee dat beklaagde ter zitting geen enkele blijk heeft gegeven hiervan doordrongen te zijn, sterker nog, hierop doorgevraagd bleek beklaagde van mening dat zulks (het vragen van een vergoeding) – onder omstandigheden – ‘wel moest kunnen’.
Beklaagde heeft naar het oordeel van de commissie onvoldoende blijk gegeven van inzicht in de ontoelaatbaarheid van de door hem voorgestelde constructie. Beklaagde lijkt niet te onderkennen dat het vragen van een financiële vergoeding aan een partij die een opdracht wil verkrijgen mede dankzij zijn betrokkenheid direct raakt aan de vereiste onafhankelijkheid van een NIVRE-expert.
Bij het bepalen van de hierna op te leggen maatregel betrekt de commissie ook dat beklaagde in het verleden reeds tuchtrechtelijk is aangesproken op zijn wijze van communiceren, onder meer over het onderwerp retourprovisie. Hiervoor is hij drie maanden uit het register geschorst.
Kennelijk heeft dit niet geleid tot een voldoende bewustzijn van de eisen die aan een NIVRE-geregistreerde worden gesteld ten aanzien van een professionele, respectvolle en zorgvuldige bejegening van betrokkenen.
De commissie is zich ervan bewust dat de op te leggen maatregel de zwaarste is en mogelijk commercieel gevolgen zal hebben voor beklaagde. Desondanks ziet de commissie de op te leggen maatregel als de enig juiste, omdat deze in de eerste plaats moet dienen ter bescherming van het maatschappelijk vertrouwen in de beroepsgroep en ter handhaving van de binnen het NIVRE geldende normen.
Gelet op de ernst van de normschending, de tuchtrechtelijke voorgeschiedenis van beklaagde, het ontbreken van voldoende zelfreflectie en het belang van het behoud van vertrouwen in het NIVRE-register, acht de commissie geen andere maatregel passend dan de zwaarste tuchtrechtelijke maatregel.
De commissie besluit daarom tot definitieve uitschrijving van beklaagde uit het NIVRE-register.
Bovendien is de beklaagde op grond van artikel 15 lid 1 van dat reglement een bijdrage in de behandelingskosten van de klacht verschuldigd.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van klager gegrond;
– legt aan beklaagde de maatregel van definitieve uitschrijving uit het NIVRE-register op;
– bepaalt dat beklaagde als bijdrage in de kosten van de behandeling van de klacht het door De Stichting De Geschillencommissie voor 2026 vastgesteld bedrag aan de commissie dient te betalen.
Aldus beslist door de Tuchtcommissie NIVRE, bestaande uit mevrouw mr. F.J.E. van Rossum, voorzitter, de heer mr. D.B. van der Neut, de heer mr. A.C.G. Reezigt, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L.H.A. van Doorn, secretaris, op 9 juli 2026.