Commissie: Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals
Categorie: Bevoegdheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
1318980/1322957
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De zaak gaat over een beroep tegen een eerdere uitspraak waarbij de commissie zich onbevoegd had verklaard om een klacht te behandelen. De klacht draaide om de beschuldiging dat een makelaar tijdens een getuigenverhoor meineed zou hebben gepleegd. De commissie oordeelde dat de beoordeling van mogelijke meineed is voorbehouden aan de strafrechter en niet aan de tuchtcommissie. In beroep probeerde de appellant de klacht anders te formuleren en nieuwe verwijten toe te voegen, maar de commissie vond dat deze nieuwe klachten niet in de beroepsprocedure konden worden meegenomen. Het beroep is daarom afgewezen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het beroep
Het beroep richt zich tegen de uitspraak in eerste aanleg van 17 september 2025, waarin de commissie in eerste aanleg zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de klacht.
De uitspraak in eerste aanleg
In de uitspraak van 17 september 2025 heeft de commissie in eerste aanleg geoordeeld dat de kern van de klacht is dat ‘volgens de klager de beklaagde op 19 februari 2024 tijdens een getuigenverhoor in een civiele procedure bij de rechtbank Midden-Nederland meineed heeft gepleegd.’
De commissie in eerste aanleg heeft geoordeeld dat meineed een strafbaar feit betreft en dat de beoordeling of daar sprake van is, voorbehouden is aan de strafrechter.
De commissie in eerste aanleg heeft zich om die reden onbevoegd verklaard om de klacht in behandeling te nemen en met betrekking tot de onbevoegd verklaring het volgende overwogen: ‘De commissie stelt vast dat het plegen van meineed een strafbaar feit is. De beoordeling of er meineed is gepleegd is daarom voorbehouden aan de strafrechter nadat de officier van justitie hierover een beslissing heeft genomen en een dagvaarding uit heeft doen gaan. De commissie is gelet hierop van oordeel dat zij niet bevoegd is om deze klacht in behandeling te nemen, nu zij niet mag beoordelen of de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.’
Standpunt van appellant
Voor het standpunt van appellant verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. Appellant heeft in zijn beroepschrift de volgende beroepsgrond aangevoerd.
De commissie in eerste aanleg heeft geen grondig feitenonderzoek gedaan en heeft zonder gegronde reden op 10 september 2025 deze tuchtzaak gefrustreerd door plotseling het besluit te nemen om zichzelf een retorische vraag te stellen inzake haar bevoegdheid. Het heeft er alle schijn van dat de commissie haar beslissing heeft gebaseerd op vooringenomenheid, hetgeen de schijn wekt niet-onafhankelijk en niet-onpartijdig te zijn. Derhalve dienen de commissieleden in eerste aanleg te worden vervangen omdat zij niet in staat zijn om objectief te zijn in hun behandeling van deze tuchtzaak.
In de onherroepelijke uitspraak van 7 december 2023 (zaaknummer 206792/232452) in de door appellant aanvankelijk ingediende klacht over verweerder, heeft de commissie reeds geoordeeld dat verweerder verplicht was schriftelijk feitenmateriaal op verzoek van appellant aan appellant te verstekken. Verweerder is in 2023 in dit verband een schriftelijke schrobbering door de commissie opgelegd. Aangezien verweerder vervolgens nog steeds weigerde uitvoering te geven aan deze opgelegde verplichting, is verweerder opgeroepen voor getuigenverhoor op 19 februari 2024 in een civiele procedure aangespannen door de koper van het appartement van appellant tegen appellant.
Tijdens dit getuigenverhoor heeft verweerder verwezen naar een document, maar na het verzoek van appellant dit document over te leggen, heeft verweerder dit document nooit daadwerkelijk aan appellant doen toekomen. Appellant heeft nu het vermoeden dat door verweerder opnieuw een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven, waaruit de sterke verdenking volgt dat het feitenmateriaal waar verweerder op doelde in het geheel niet bestaat. Vanwege het wederom weigeren feitenmateriaal aan appellant te verstrekken, heeft appellant op 13 december 2024 een tweede klacht ingediend tegen verweerder, een klacht van dezelfde aard en een vervolg op de uitspraak van 7 december 2023. Appellant merkt daarbij op dat wanneer zal blijken dat het feitenmateriaal waarnaar verweerder verwijst een uit de lucht gegrepen uitlating is geweest, is sprake van meineed, een strafbaar feit.
Het ernstige vermoeden dat er sprake is van meineed gaat gepaard met het niet schriftelijk verschaffen van feitenmateriaal en hierdoor is wederom sprake van tuchtrechtelijk laakbaar en klachtwaardig handelen van de zijde van verweerder. De kern van deze zaak is dan ook het niet-nakomen van de uitspraak van 7 december 2023 door verweerder en de recidive die inmiddels heeft plaatsgehad. De commissie is bevoegd en zelfs verplicht om niet-nakoming van de uitspraak van 7 december 2023 te beoordelen.
Appellant verzoekt de commissie op grond van het voorgaande dan ook om de uitspraak van 17 september 2025, zijnde de onbevoegdverklaring, te herzien en een vervangende commissie deze tuchtzaak verder in behandeling te laten nemen.
Op 10 juni 2026 heeft appellant nog nadere stukken ingediend ten behoeve van de zitting van 19 juni 2026 waarmee appellant zijn bezwaarschrift nader toegelicht, voorzien van enkele bijlagen waaronder het verweerschrift van verweerder en de uitspraak in de eerder ingediende klacht met zaaknummer 206792/232452.
Standpunt van verweerder
Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Verweerder betwist de juistheid van de door appellant betrokken stellingen, zowel in de eerste aanleg van deze tuchtzaak, alsook in het beroep. Ook in beroep zal een onbevoegdheid moeten volgen. Subsidiair dient appellant niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht en meer subsidiair dient te worden vastgesteld dat de klacht ongegrond is.
Nu klager zich er juist over heeft beklaagd dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en de commissie in eerste aanleg dat eveneens heeft geconstateerd, is de enige juiste beslissing die de commissie in eerste aanleg heeft kunnen nemen dat zij niet bevoegd is te beoordelen of verweerder zich schuldig zou hebben gemaakt aan een strafbaar feit, nu dat oordeel in Nederland exclusief is voorbehouden aan de strafrechter. De onbevoegdverklaring is hier dan ook de enige juiste beslissing.
Appellant gaat in zijn beroep van 13 november 2025 niet inhoudelijk in op de motivering van de commissie in eerste aanleg die tot de onbevoegdverklaring heeft geleid. Bovendien is in beroep het verwijt van appellant in de kern hetzelfde – beweerdelijk gestelde meineed – zodat de commissie ook in beroep zich onbevoegd dient te verklaren nu de beoordeling of sprake is van meineed exclusief toekomt aan de strafrechter.
Het verwijt van vooringenomenheid van de commissie in eerste aanleg is onterecht door appellant gemaakt. Van enige vooringenomenheid aan de zijde van de commissie (of schijn daarvan) is op geen enkele wijze gebleken.
Verweerder verzoekt de commissie het beroep te verwerpen en de uitspraak van 17 september 2025 te bekrachtigen.
Uitsluitend voor het geval in beroep niet zou worden besloten tot onbevoegdverklaring door de commissie, herhaalt verweerder al zijn eerder betrokken stellingen in deze kwestie, verwoord in zijn verweerschrift d.d. 9 mei 2025 en zijn repliek d.d. 30 juni 2025.
Beoordeling van het beroep
Het beroep van appellant richt zich tegen de beslissing van de commissie in eerste aanleg van 17 september 2025, waarin de commissie in eerste aanleg zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de klacht.
Appellant heeft zich in zijn bezwaarschrift erop beroepen dat de commissie in eerste aanleg zich onterecht heeft beroepen op haar onbevoegdheid en dat hij van de commissie, in een andere samenstelling, een oordeel wenst over het bij herhaling tuchtrechtelijk handelen van verweerder voortvloeiend uit het verkoopproces van zijn appartement begin 2022, het handelen van verweerder na de uitspraak 206792/232452 van 13 november 2023 en zijn handelen na het getuigenverhoor van 19 februari 2024.
Op grond van artikel 22 van het reglement van de commissie zal de commissie de uitspraak van de commissie in eerste aanleg inzake haar onbevoegdheid hierna nogmaals in volle omvang beoordelen. Zij neemt daarin niet mee de voornoemde aanvullende inhoudelijke gronden die door appellant in beroep zijn opgeworpen. Deze klachten zijn nieuw en niet eerder in eerste aanleg naar voren gebracht. Op grond van artikel 14 lid 1 zal de commissie in beroep, appellant dan ook niet ontvangen in zijn aanvullende klachten. Dit wordt hieronder nog nader toegelicht,
Het voorgaande betekent dat de commissie beoordeelt of zij het eens is met de gegeven onbevoegdverklaring in eerste aanleg. Onderschrijft de commissie de beslissing genomen in eerste aanleg niet, dan heeft dat tot gevolg dat zij alsnog zal beslissen dat de door appellant ingediende klacht inhoudelijk zal worden beoordeeld op een zitting van de commissie. Dit betekent dat de commissie hier alleen zal beoordelen of de commissie bevoegd is onderhavige klacht in behandeling te nemen. Hetgeen partijen naar voren hebben gebracht met betrekking tot de inhoud van het onderliggende geschil zal de commissie buiten beschouwing laten.
De commissie is van oordeel dat de beslissing van de commissie in eerste aanleg over de bevoegdheid van de commissie in eerste aanleg in stand kan blijven en overweegt daartoe als volgt.
Naar het oordeel van de commissie is uit hetgeen hierover door partijen naar voren is gebracht komen vast te staan dat appellant in zijn beroepschrift van 13 november 2025 niet inhoudelijk ingaat op de onbevoegdverklaring en de door de commissie in eerste aanleg gegeven motivering. Sterker nog, in wezen onderschrijft appellant de motivering van de commissie in eerste aanleg door in zijn bezwaarschrift, onder aan pagina 2 te schrijven:
’Het ernstige feit dat er sprake is van meineed gaat namelijk gepaard met het niet schriftelijk verschaffen van het feitenmateriaal….’ en halverwege pagina 3 te schrijven: ’Omdat als achteraf blijkt dat het feitenmateriaal waar makelaar ..naar verwijst een uit de lucht gegrepen leugenachtige uitlating was, er sprake is van een strafbaar feit, in dit geval van meineed. En over een strafbaar feit mag uw commissie inderdaad geen uitspraak doen.’
Appellant geeft in zijn betoog in eigen bewoordingen aan dat een makelaar geen meineed mag plegen en eveneens ontkent hij niet dat de commissie in eerste aanleg als kern van de klacht benoemt dat hij verweerder beticht van het plegen van meineed. Appellant geeft aan dat hij het oordeel van de commissie in eerste aanleg wel begrijpt, maar voegt daaraan allerlei nieuwe aspecten toe en herformuleert de klacht, zodat deze nu anders luidt dan de klacht zoals deze aan de commissie in eerste aanleg is voorgelegd. Naar het oordeel legt hij hier aan de commissie nu een nieuwe klacht voor, waarvoor de beroepsprocedure zich niet leent.
Gelet op het voorgaande onderschrijft de commissie het oordeel van de commissie in eerste aanleg.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Beslissing
De commissie:
– verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn aanvullende klachten;
– bevestigt de uitspraak van de commissie in eerste aanleg van 17 september 2025;
– bepaalt dat de uitspraak in eerste aanleg in stand blijft.
Aldus beslist door de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals, bestaande uit de heer mr. E.A. Messer, voorzitter, de heer E. Getreuer, de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, op 19 juni 2026.