Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Vergoeding van medische hulpmiddelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
1317412/1333992
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een moeder heeft een klacht ingediend tegen het Radboudumc omdat er onduidelijkheid was over de vergoeding van een speciale bril voor haar twaalfjarige zoon. De jongen heeft een ernstige afwijking aan beide ogen. Na onderzoek adviseerden artsen een multifocale bril en sterkere atropinedruppels om verdere achteruitgang van zijn ogen tegen te gaan. Volgens de moeder wilde zowel het ziekenhuis als de zorgverzekeraar de bril niet betalen. Daardoor kon zij de bril niet bestellen en werd volgens haar ook de behandeling uitgesteld. Zij vroeg om vergoeding van de bril, haar gemaakte procedurekosten en een vergoeding voor de tijd en stress die de situatie had veroorzaakt. Het ziekenhuis stelde dat de bril niet noodzakelijk was om met de oogdruppels te kunnen beginnen en dat het geschil vooral ging over wie de kosten moest betalen. De Geschillencommissie Ziekenhuizen oordeelt dat zij niet bevoegd is om te beslissen over een betalingsgeschil tussen een ziekenhuis en een zorgverzekeraar. Bovendien was de bril inmiddels door de zorgverzekeraar vergoed. Daarom heeft de moeder volgens de commissie geen voldoende belang meer bij een uitspraak over die vergoeding. De commissie verklaart de klacht niet-ontvankelijk. Dit betekent dat zij de klacht niet inhoudelijk beoordeelt en geen oordeel geeft over de medische behandeling of de gevraagde schadevergoeding.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam] wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Stichting Radboud universitair medisch centrum, gevestigd te Nijmegen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de cliënt in haar klacht ontvankelijk is.
De Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026 te Den Haag.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de factuur voor een multifocale bril en de vraag wie deze factuur dient te voldoen.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De twaalfjarige zoon van de cliënt heeft een hoge refractieafwijking aan beide ogen. Hij is vanuit het Sint-Jansdal ziekenhuis doorgestuurd naar de zorgaanbieder voor extra onderzoeken. Deze onderzoeken hebben in augustus 2025 plaatsgevonden. Hier is uitgekomen dat de zoon van de cliënt een aangepaste multifocale bril nodig heeft in combinatie met een hogere dosering Atropine druppels.
Volgens de zorgverzekeraar is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor de vergoeding van de bril, conform de voorwaarden. Maar de zorgaanbieder weigert deze kosten op zich te nemen. De cliënt bevindt zich tussen de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder. Daardoor kan de dure bril niet worden besteld en de behandeling met Atropine druppels niet worden gestart.
De ogen van de zoon van de cliënt lijden hieronder en de kans op toename van de refractieafwijking neemt toe. De cliënt voelt zich benadeeld en genegeerd.
De cliënt verzoekt om vergoeding van de bril, een vergoeding van alle tijd en stress en vergoeding van de procedurekosten. De vergoeding van de bril heeft zij inmiddels ontvangen, maar ze heeft geen contact meer gehad met de zorgaanbieder en ook geen excuses ontvangen of vergoeding van tijd, stress en procedurekosten.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Niet-ontvankelijkheid
Conform het reglement van de commissie verklaart de commissie een geschil ambtshalve niet ontvankelijk “indien het een geschil betreft over eigen risico of wel/geen vergoeding zorgverzekeraar en daaraan geen inhoudelijke klacht ten grondslag ligt” (artikel 5, lid 1, sub b, van het reglement). De zorgaanbieder is van mening dat hier sprake is van een dergelijke situatie. Het geschil gaat blijkens de melding en het ingevulde vragenformulier om de vergoeding van de nota van de meekleurende bril en de weigering van de zorgverzekeraar en/of ziekenhuis van die vergoeding.
In haar e-mail voert de cliënt aan dat het geschil groter is dan alleen een factuurgeschil. Zij voert aan dat de medische behandeling met de sterkere atropinedruppels niet kon worden opgestart zonder (vergoeding van) de bril. Deze stelling is feitelijk niet juist. De bril wordt geadviseerd vanwege de bekende bijwerkingen van de Atropine druppels (lichtgevoeligheid door een wijde pupil en problemen met dichtbij kijken zoals lezen), maar de behandeling met Atropine druppels is niet afhankelijk van (de beschikbaarheid van) een meekleurende en multifocale bril. Er zijn alternatieven om deze bijwerkingen te bestrijden.
De cliënt brengt ook nog in dat haar zorgverzekeraar heeft aangegeven dat de zorgaanbieder de multifocale bril zou moeten betalen conform geldende voorwaarden. Juist hierover verschilde de zorgaanbieder van mening met de zorgverzekeraar, maar het geschil tussen die partijen over de vergoeding, behoort niet tot de competentie van de commissie.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De kern van het geschil ziet op de factuur voor de multifocale bril en de vraag wie deze factuur dient te voldoen: de zorgaanbieder of de zorgverzekeraar. Naar het oordeel betreft dit een situatie zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, sub a, van het Reglement van de commissie. De kern van het geschil ziet immers op de vraag wie conform de geldende voorwaarden de factuur dient te betalen. In zoverre is de cliënt niet-ontvankelijk in haar klacht.
Voor zover sprake zou zijn van een inhoudelijke klacht, merkt de commissie op dat de factuur inmiddels kennelijk door de zorgverzekeraar is voldaan. De cliënt heeft dit overigens zelf bevestigd. Wat dat betreft heeft de cliënt naar het oordeel van de commissie inmiddels geen redelijk belang meer bij een uitspraak van de commissie. In dat kader verwijst de commissie naar artikel 5, lid 1, sub f, van het Reglement.
Op grond van het voorgaande is de cliënt niet-ontvankelijk in de klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De cliënt wordt in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. drs. F.W. Jansen, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 19 juni 2026.