Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: Wraking
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend advies van de Wrakingscommissie
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1322934/1337426
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een man heeft gevraagd om drie leden van de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg te vervangen. De commissie behandelde een geschil tussen de man en zorgorganisatie Stichting Park Zuiderhout, dat verband hield met de zorg voor zijn moeder. Volgens de man waren de commissieleden niet onafhankelijk en verliep de zitting van 7 juli 2026 niet eerlijk. Hij vond onder meer dat zijn vragen niet waren beantwoord, dat de commissie onvoldoende kennis had van zijn dossier en dat belangrijk beeldmateriaal ten onrechte was geweigerd. Ook had hij bezwaar tegen de advocaat van de zorgorganisatie en tegen het ontbreken van een officieel verslag van de zitting. De wrakingscommissie heeft al deze bezwaren onderzocht. Volgens deze commissie mogen commissieleden tijdens een zitting vragen stellen, ook als informatie al in het dossier staat. Het weigeren van extra bewijsmateriaal was een beslissing over de procedure en wees niet op partijdigheid. Ook hoefde de commissie niet te oordelen over het gedrag van de advocaat. Verder bestaat er geen verplichting om een officieel verslag van de zitting te maken. De wrakingscommissie vindt dat er geen duidelijke, objectieve aanwijzingen zijn dat de commissieleden partijdig waren. Daarom wordt het verzoek om hen te vervangen ongegrond verklaard. Deze uitspraak gaat alleen over de onafhankelijkheid van de commissieleden en niet over de oorspronkelijke zorgklacht.
De volledige uitspraak
in het verzoek van:
[naam], wonende te [woonplaats],(hierna te noemen: verzoeker),
welk verzoek strekt tot wraking van:
1. de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg (hierna: de voorzitter)
2. de heer dr. M. Descates, commissielid Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg;
3. de heer mr. P.O.H. Gevaerts, commissielid Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg.
(hierna gezamenlijk te noemen: de commissie)
De procedure
Bij brieven van 7 en 9 juli 2026 heeft verzoeker bij de directie van Stichting De Geschillencommissie en de klachtencommissie een klacht ingediend tegen de commissie wegens onder meer vooringenomenheid. Daarbij heeft verzoeker verzocht om de “onmiddellijke opschorting en aanhouding van elke administratieve afhandeling of beslissing in de hoofdzaak”.
Naar aanleiding van deze klacht en dit verzoek is verzoeker meegedeeld dat de directie en de klachtencommissie niet bevoegd zijn de verzochte maatregelen te treffen. Deze bevoegdheden komen uitsluitend toe aan de wrakingscommissie. Verzoeker heeft vervolgens aangegeven dat zijn klacht dient te worden aangemerkt als een wrakingsverzoek. Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek heeft hij aanvullende stukken ingediend op 22, 24 en 26 juli 2026. Op 1 augustus 2026 heeft de voorzitter, namens de gehele commissie, gereageerd op het wrakingsverzoek.
Met instemming van zowel verzoeker als de commissie is in deze wrakingszaak afgezien van een mondelinge behandeling.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de voorzitter
Het wrakingsverzoek
De brieven van 7 en 9 juli 2026 strekken, gelet op het voorgaande, tot wraking van de commissie, in de zaak met nummer 1322934/1337426 tussen verzoeker en Stichting Park Zuiderhout (hierna: de wederpartij).
Verzoeker heeft – samengevat weergegeven – de volgende wrakingsgronden naar voren gebracht.
I. Nalaten beantwoording vragen
De voorzitter en de commissieleden hebben tijdens de zitting nagelaten in te gaan op de door verzoeker voorafgaand aan de zitting ingediende vragen over de procedure en privacy gerelateerde onderwerpen. Door deze tijdig ingediende vragen te negeren, heeft de commissie gehandeld in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. Bovendien bewijst dit dat de voorzitter verzoeker bewust heeft gepasseerd en de materiële waarheidsvinding heeft gesaboteerd.
II. Onvoldoende dossierkennis
Tijdens de zitting bleek dat de commissieleden niet op de hoogte waren van reeds ingediende processtukken van verzoeker. Het stellen van vragen die schriftelijk al uitvoerig zijn beantwoord door verzoeker, getuigt van een gebrekkige dossierkennis en wekt de objectieve schijn van vooringenomenheid.
III. Weigering bewijsmateriaal ter zitting
Verzoeker heeft ter zitting een USB-stick en stukken willen overhandigen met 519 medisch-forensische foto’s en 6 films ter onderbouwing van zijn klacht. Verzoeker benadrukt dat hij voornoemde bewijsmiddelen ook binnen de wettelijke en reglementaire inlevertermijn via het digitale portaal had ingediend. De advocaat van de wederpartij weigerde dat verzoeker zou worden toegelaten deze bewijsmiddelen ter zitting te tonen. Vervolgens heeft de voorzitter geweigerd deze bewijsmiddelen toe te laten. De voorzitter heeft daarbij de uitspraken gedaan dat hij “geen boodschap had aan dit materiaal” en verklaarde dat “zijn beslissing al was genomen”, nog vóórdat de stukken op tafel lagen. Er was derhalve sprake van een vooropgezet schijnproces.
IV. Betrokkenheid advocaat
De voorzitter heeft geweigerd gedragsregel 15 voor de advocatuur te handhaven, ondanks het verzoek van verzoeker daartoe. Verzoeker heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat uit digitale oproeplogs blijkt dat het kantoor van de advocaat van de wederpartij eerder een vertrouwelijk intakegesprek met verzoeker heeft gevoerd over hetzelfde geschil. Desondanks heeft de voorzitter toegestaan dat de advocaat aan de behandeling bleef deelnemen. Nadat verzoeker had aangegeven zich hierdoor niet vrijelijk te kunnen uitlaten, heeft de voorzitter geweigerd de behandeling formeel te schorsen. De voorzitter heeft hiermee de schijn van partijdigheid gewekt. Van een eerlijk proces en gelijke proceskansen is door het voorgaande immers geen sprake.
Daarbij komt dat de aanwezigheid van de advocaat van de tegenpartij pas op 24 juni 2026 is medegedeeld aan verzoeker, terwijl de wederpartij dit op 18 juni 2026 al bekend had gemaakt bij de commissie. De aanwezigheid van deze advocaat is hierdoor vele dagen verborgen gehouden.
V. Ontvankelijkheid
De voorzitter heeft zich tijdens de zitting uitgelaten over de (niet-)ontvankelijkheid van onderdelen van de klacht, zonder verzoeker de gelegenheid te geven daarop te reageren. Dit is een directe schending van het fundamentele recht op verweer. De voorzitter heeft verzoeker ter zitting gevraagd of er bewijs was dat zijn moeder daadwerkelijk had gevraagd om deze procedure door te zetten. Met deze vraag miskende de voorzitter dat verzoeker de klacht samen met zijn moeder tijdens haar leven heeft ingediend. Verzoeker zou zijn moeder ook niet bij leven vragen om schriftelijk bewijs van die toestemming voor een latere juridische strijd. Daarbij komt dat de voorzitter tegelijkertijd heeft geweigerd de door verzoeker aangeboden USB-stick in ontvangst te nemen, waarop het relevante visuele bewijsmateriaal stond.
VI. Geen proces-verbaal
De voorzitter heeft ter zitting aan partijen te kennen gegeven dat er geen proces-verbaal van de zitting wordt opgemaakt. Dit is een directe schending van het reglement van de commissie en de wettelijke verplichting tot transparante verslaglegging. Een voorzitter mag niet eigenhandig besluiten om de administratieve realiteit van een hoorzitting te wissen, puur om procedurele fouten onzichtbaar te maken voor het lopende tuchttraject bij het regionaal Tuchtcollege Den Bosch.
Reactie commissie
Bij brief van 1 augustus 2026 heeft de voorzitter, namens de gehele commissie, gereageerd op het wrakingsverzoek met de conclusie dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Voor het standpunt van de commissie verwijst de wrakingscommissie naar deze brief.
De beoordeling
Bevoegdheid en ontvankelijkheid
Op grond van artikel 2 lid 1 van het reglement van de wrakingscommissie heeft de wrakingscommissie tot taak te beslissen op een wrakingsverzoek van een van de partijen in een geschil dat door een geschillencommissie in behandeling is genomen.
Verzoeker stelt op te treden als wettelijk wilsvertegenwoordiger van zijn moeder. Nu hij in diezelfde hoedanigheid bij de commissie opgetreden is, laat de wrakingscommissie een oordeel daaromtrent over aan de commissie.
Verzoeker heeft het wrakingsverzoek gedaan naar aanleiding van de behandeling ter zitting van een geschil door de commissie op 7 juli 2026. Hij doet daarmee een beroep op artikel 23 lid 1 van het reglement van de commissie, waarin de mogelijkheid tot wraking van leden van de commissie is vastgelegd. De wrakingscommissie stelt vast dat het wrakingsverzoek conform artikel 23 lid 2 van het reglement van de commissie binnen de termijn van één week na de zittingsdatum door verzoeker is ingediend. Verzoeker kan daarom in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.
Beoordeling wrakingsverzoek
Beoordelingskader
Voor de inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek dient de wrakingscommissie ingevolge artikel 2 lid 2 van het reglement van de wrakingscommissie en artikel 23 lid 1 van het reglement van de commissie te onderzoeken of er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid wiens wraking is verzocht. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid is wel van belang, maar niet doorslaggevend. De vrees voor partijdigheid of niet-onafhankelijkheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De wrakingscommissie zal de hiervoor weergegeven wrakingsgronden hieronder beoordelen.
I. Nalaten beantwoording vragen
Naar het oordeel van de wrakingscommissie is het gebruikelijk dat de commissie voorafgaand aan de zitting niet inhoudelijk met partijen correspondeert. Hoewel het zorgvuldiger zou zijn geweest indien vanuit het secretariaat niet de verwachting was gewekt dat de vragen van verzoeker voorafgaand aan de zitting zouden worden beantwoord, kan deze handelwijze niet aan de voorzitter of de commissieleden worden toegerekend. Daarnaast berust de veronderstelling van verzoeker dat [naam secretariaatsmedewerker] als secretaris aan de commissie is verbonden op een misvatting. Zij is als secretariaatsmedewerker werkzaam bij Stichting De Geschillencommissie en is niet inhoudelijk bij de behandeling van de zaak van verzoeker betrokken. Uit de omstandigheid dat de vragen van verzoeker voorafgaand aan de zitting niet zijn beantwoord, kan naar het oordeel van de wrakingscommissie dan ook geen vooringenomenheid of gebrek aan onafhankelijkheid van de voorzitter of de commissieleden worden afgeleid. Verzoeker heeft niet gesteld dat hij de betreffende vragen tijdens de zitting opnieuw aan de orde heeft gesteld. Van een weigering van de voorzitter of de commissieleden om deze vragen te beantwoorden, is dan ook niet gebleken. Deze wrakingsgrond slaagt dan ook niet.
II. Onvoldoende dossierkennis
Verzoeker stelt dat er sprake was van gebrekkige dossierkennis bij de commissie. De wrakingscommissie oordeelt als volgt. Het enkele feit dat de voorzitter of de commissieleden ter zitting vragen hebben gesteld over onderwerpen waarop verzoeker naar eigen zeggen reeds in zijn schriftelijke stukken uitvoerig is ingegaan, rechtvaardigt naar het oordeel van de wrakingscommissie niet de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid of een gebrek aan onafhankelijkheid. Het staat de commissie immers vrij om ter zitting vragen te stellen ter verduidelijking van de standpunten van partijen, ook indien die onderwerpen reeds in de schriftelijke stukken aan de orde zijn gekomen. Dat dergelijke vragen zijn gesteld, levert dan ook geen objectief gerechtvaardigde grond op voor twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter of de commissieleden. Deze wrakingsgrond slaagt daarom niet.
III. Weigering bewijsmateriaal ter zitting
De wrakingscommissie stelt voorop dat het al dan niet toelaten van stukken een procedurele beslissing betreft. Het enkele feit dat verzoeker zich niet met die beslissing kan verenigen, levert geen grond voor wraking op. Dit is slechts anders indien uit die beslissing of de wijze waarop deze tot stand is gekomen objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter of de commissieleden kan worden afgeleid. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De voorzitter heeft toegelicht dat de stukken niet eerder in het dossier zijn opgenomen, omdat verzoeker aan de indiening daarvan de voorwaarde had verbonden dat deze niet met de wederpartij mochten worden gedeeld. Dat de stukken vervolgens ter zitting niet zijn toegelaten, hield verband met het bezwaar van de wederpartij tegen het tonen daarvan omdat zij zich overvallen zou voelen door nieuwe feiten. Uit deze gang van zaken kan naar het oordeel van de wrakingscommissie niet worden afgeleid dat de procedurele beslissing om de stukken niet toe te laten is ingegeven door vooringenomenheid of een gebrek aan onafhankelijkheid van de voorzitter of de commissieleden. De door verzoeker aangehaalde uitlatingen van de voorzitter ter zitting maken dit niet anders en bieden evenmin grond voor het oordeel dat sprake is van objectief gerechtvaardigde twijfel aan diens onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Deze wrakingsgrond faalt daarom.
IV. Betrokkenheid advocaat
De wrakingscommissie stelt voorop dat de commissie niet bevoegd is om te beoordelen of de advocaat van de wederpartij heeft gehandeld in strijd met Gedragsregel 15 voor de advocatuur. De beoordeling van het handelen van een advocaat aan de hand van de voor hem geldende tuchtrechtelijke normen is voorbehouden aan de daartoe bevoegde tuchtrechtelijke instanties. Dat de commissie geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van verzoeker om op grond van Gedragsregel 15 op te treden tegen de advocaat van de wederpartij, kan haar dan ook niet worden verweten. Dat de voorzitter het verzoek van verzoeker om de behandeling van de zaak te schorsen vervolgens heeft afgewezen, maakt deze conclusie niet anders. Ook uit deze beslissing kan geen objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter of de commissieleden worden afgeleid. Deze wrakingsgrond slaagt derhalve niet.
V. Ontvankelijkheid
Uit hetgeen verzoeker zelf ten aanzien van deze wrakingsgrond heeft gesteld, volgt naar het oordeel van de wrakingscommissie dat hij wel degelijk in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt over de ontvankelijkheid naar voren te brengen. Aan hem is immers naar eigen zeggen gevraagd of hij bewijs kon overleggen waaruit bleek dat zijn moeder daadwerkelijk had verzocht de procedure voort te zetten. Reeds hierom kan de wrakingsgrond dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zich over de ontvankelijkheid uit te laten, niet slagen. Naar het oordeel van de wrakingscommissie is van objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter of de commissieleden dan ook niet gebleken. Ook deze wrakingsgrond slaagt derhalve niet.
VI. Geen proces-verbaal
De stelling van verzoeker dat het niet opmaken van een proces-verbaal in strijd is met het reglement van de commissie of een wettelijke verplichting, volgt de wrakingscommissie niet. In het reglement is geen verplichting opgenomen om van de mondelinge behandeling een proces-verbaal op te maken. Ook bestaat in een bindend advies procedure geen wettelijke verplichting daartoe. De door de secretaris tijdens de zitting gemaakte aantekeningen dienen in de regel uitsluitend ter ondersteuning van de commissie bij de behandeling en beoordeling van de zaak. Het niet opmaken van een proces-verbaal kan daarom niet leiden tot objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter of de commissieleden. Gelet hierop slaagt deze wrakingsgrond niet.
Conclusie
De conclusie is dat naar het oordeel van de wrakingscommissie geen objectief gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de commissie. De wrakingscommissie zal het wrakingsverzoek daarom ongegrond verklaren.
Derhalve wordt als volgt beslist.
De beslissing
De wrakingscommissie verklaart het wrakingsverzoek ongegrond.
Aldus beslist door de wrakingscommissie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer mr. S. Sierksma en mevrouw mr. M. de Rooij-Slager, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. R.H.W. Theuns-van Waasdijk, secretaris, op 4 september 2026.