Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Informed consent
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1322983/1337547
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
De zaak gaat over een cliënt die vindt dat het Jeroen Bosch Ziekenhuis hem onnodig heeft geïntubeerd en later een tracheotomie heeft uitgevoerd. Volgens de cliënt was er geen levensbedreigende situatie, is hij onvoldoende geïnformeerd over de behandeling en de risico’s, en heeft hij daardoor geen geldige toestemming gegeven. Ook stelt hij dat de ingrepen hebben geleid tot lichamelijke en psychische klachten, waardoor hij een schadevergoeding van € 25.000,- vraagt. Het ziekenhuis stelt dat de cliënt was opgenomen met een ernstige zwelling in de keel en hals, waardoor een reëel risico bestond op afsluiting van de luchtweg. Daarom was volgens de artsen een intubatie medisch noodzakelijk en is de cliënt hierover, samen met zijn familie, zorgvuldig geïnformeerd. De Geschillencommissie oordeelt dat het ziekenhuis heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en zorgvuldig hulpverlener mag worden verwacht. De commissie vindt dat de intubatie medisch noodzakelijk was vanwege het risico op levensgevaarlijke ademhalingsproblemen, dat de cliënt voldoende informatie heeft gekregen om toestemming te kunnen geven en dat er geen sprake was van ongeoorloofde druk. Ook de latere tracheotomie acht de commissie zorgvuldig en passend bij de situatie. Omdat niet is gebleken dat het ziekenhuis een fout heeft gemaakt of is tekortgeschoten in de behandeling, wordt de klacht van de cliënt ongegrond verklaard en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis, gevestigd te ‘s-Hertogenbosch
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2026 te Den Haag.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft (de medische noodzaak van) de ingrepen die de zorgaanbieder bij de cliënt heeft uitgevoerd en de vraag of de cliënt daarvoor toestemming heeft gegeven.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt is bij de zorgaanbieder opgenomen geweest.
Bij hem is een intubatie uitgevoerd. Gelet op de feitelijke gezondheidstoestand van de cliënt was deze niet medisch noodzakelijk. Op het moment dat hiertoe werd besloten, verkeerde de cliënt niet in een levensbedreigende situatie. Hij kon nog praten met artsen en zijn familie, voelde zich door de toegediende medicatie zelfs beter en had zelf niet het gevoel dat hij dreigde te stikken. Hij had vooral problemen met slikken en niet met ademhalen.
De cliënt is weliswaar akkoord gegaan met de intubatie, maar zijn toestemming is tot stand gekomen onder psychische druk van de betrokken artsen en zijn familie, die ook door de artsen zijn beïnvloed. Volgens de artsen was intubatie de beste oplossing voor de cliënt. Zij hebben hem echter niet volledig en niet op begrijpelijke wijze geïnformeerd over de aard van de ingreep, de mogelijke risico’s, de alternatieven en de mogelijke gevolgen op korte en lange termijn.
De artsen hebben hem ook niet geïnformeerd dat hij voor de intubatie in een kunstmatige coma zou worden gebracht. Hierdoor was er geen sprake van een weloverwogen en geïnformeerde toestemming (informed consent).
De cliënt heeft meerdere uren moeten wachten voordat de intubatie werd uitgevoerd. Dat bevestigt zijn indruk dat zijn leven niet direct in gevaar was.
De intubatie zelf is niet goed verlopen. Deze duurde langer dan vooraf aangegeven. Er is iets misgegaan, waardoor vervolgens een tracheotomie noodzakelijk was. Omdat de cliënt onder algehele narcose was, is daarvoor toestemming aan de zoon van de cliënt gevraagd. Ervan uitgaande dat – zoals de zorgaanbieder stelt – zijn situatie levensbedreigend was, vraagt de cliënt zich af of het nodig was om vooraf toestemming te vragen voor de tracheotomie. Als dit het geval is, dan vindt hij dat zijn echtgenote de meeste inspraak had moeten hebben.
Na zijn ontslag uit het ziekenhuis heeft het herstel van de cliënt aanzienlijk langer geduurd dan hij vooraf had kunnen voorzien. Gedurende meerdere weken was hij zowel lichamelijk als psychisch ernstig verzwakt en kon hij niet normaal functioneren in het dagelijkse (gezins)leven. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke verslechtering van de relatie met zijn echtgenote en kinderen.
Sinds de opname bij de zorgaanbieder heeft de cliënt bovendien een sterk verminderd vertrouwen in de gezondheidszorg. Ongeveer een jaar na deze opname had de cliënt opnieuw dezelfde klachten. Vanwege het trauma dat hij aan de behandeling bij de zorgaanbieder heeft overgehouden, heeft hij afgezien van het inschakelen van medische hulp. De klachten verdwenen uiteindelijk vanzelf, zonder medische interventie, uitsluitend door het bevochtigen van zijn keel en het drinken van water. Deze ervaring heeft de twijfel van de cliënt over de medische noodzaak van de eerdere intubatie verder versterkt.
De cliënt verzoekt de commissie hem een schadevergoeding van € 25.000,- toe te kennen voor de schade die hij door toedoen van de zorgaanbieder heeft geleden.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt is ter observatie opgenomen op de intensive care (IC) van de zorgaanbieder vanwege een zwelling in zijn keel en hals. Op dat moment was nog niet duidelijk of de zwelling werd veroorzaakt door een infectie of door een tumor. De situatie van de cliënt was levensbedreigend. Ongeacht de oorzaak was er een reëel risico op (snelle) toename van de zwelling. Vanwege het risico op afsluiting van de luchtweg werd een intubatie noodzakelijk geacht.
De cliënt bleef stabiel, hetgeen de betrokken artsen de tijd gaf om te overleggen, voorbereidingen te treffen en de cliënt en zijn familie uitgebreid te informeren.
Er is overleg gevoerd met artsen van een andere zorgaanbieder, die ook adviseerden om te intuberen en vervolgens een biopsie onder narcose te nemen, om vast te kunnen stellen waardoor de zwelling werd veroorzaakt. Als de cliënt niet was geïntubeerd, dan zou zijn ademhaling zeer waarschijnlijk in gevaar zijn gekomen en was hij zeer waarschijnlijk overleden.
De betrokken artsen hebben dus zeer zorgvuldig en op basis van de destijds beschikbare informatie tot de intubatie besloten.
Voordat is overgaan tot uitvoering van de intubatie, heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden met de cliënt en zijn familie waaronder zijn echtgenote. Vanwege de taalbarrière fungeerde de zoon van de cliënt daarbij als tolk. Er is uitgebreid informatie verstrekt over de procedure en de risicovolle situatie waarin de cliënt zich bevond.
Voorafgaand aan de ingreep zelf is opnieuw uitgebreid met de cliënt en zijn zoon gesproken.
Op basis van de verstrekte informatie heeft de cliënt uiteindelijk zelf toestemming gegeven voor de intubatie.
Na de intubatie is de cliënt diep gesedeerd gehouden om zijn ademhaling veilig te houden. Toen duidelijk was dat de zwelling door een infectie was ontstaan, is geprobeerd de beademingsbuis te verwijderen. Door een combinatie van een restzwelling, lage spierspanning en slijm ging het ademen echter nog steeds niet goed. Daarom is de beademingsbuis opnieuw geplaatst.
Voor de cliënt zou het nadelig zijn wanneer hij voor langere tijd een beademingsbuis in mond en keel nodig zou hebben. Om de ademhaling van de cliënt makkelijker en comfortabeler te maken, is daarom enkele dagen later onder narcose een tracheostoma in de hals van de cliënt geplaatst. Omdat de cliënt zelf niet aanspreekbaar was, is hiervoor overleg gepleegd met en toestemming verkregen van de zoon van de cliënt. Ook de echtgenote is hierbij betrokken.
Toen het tracheostoma niet meer nodig was voor het wegzuigen van slijm, is dit verwijderd.
De zorgaanbieder is van mening dat bij de behandeling van de cliënt zorgvuldig is gehandeld. Er is geen sprake van enige tekortkoming in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Er ontbreekt daarom een grondslag voor het toekennen van een schadevergoeding. De cliënt heeft de schade bovendien niet onderbouwd.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De rechtsverhouding tussen partijen is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW. Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moeten de betrokken hulpverleners de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverleners die zorg moeten betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gaat bij de beoordeling daarvan niet om de vraag of het betreffende handelen van de hulpverleners anders of mogelijk zelfs beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de hulpverleners binnen de grenzen van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zijn gebleven.
Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder voor de door de cliënt verzochte schadevergoeding is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken als komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
Bij de beoordeling zal de commissie zich mede baseren op de informatie in het medisch dossier van de cliënt. Anders gezegd: wat in een medisch dossier staat vermeld, moet in beginsel voor juist worden gehouden, tenzij aannemelijk is dat wat daarin is vermeld een onjuiste weergave is van hetgeen is gezegd of gedaan. De commissie heeft in dit geval geen reden te twijfelen aan de juistheid van de aantekeningen in het medisch dossier.
Medische noodzaak voor de intubatie
De cliënt verwijt de zorgaanbieder allereerst dat bij hem een intubatie is uitgevoerd, hoewel daartoe geen noodzaak bestond. Volgens hem was geen sprake van een levensbedreigende situatie.
Op grond van het medisch dossier stelt de commissie vast dat de cliënt op de IC is opgenomen met een zwelling in zijn keel en hals. Op de CT-scan was te zien dat er een gevaar bestond dat door de zwelling de luchtweg zou worden afgesloten. Aanvankelijk is gestart met antibiotica. Omdat niet zeker was of de zwelling werd veroorzaakt door een infectie, was ook onzeker of de antibiotica effect zou hebben. Er bestond namelijk ook een reële kans dat de cliënt een tumor had. In dat geval zou de zwelling niet afnemen door de antibiotica. In overleg met de artsen van een andere zorgaanbieder is daarom besloten niet langer te wachten en over te gaan tot een ‘wakker fiberoptische intubatie’, waarbij ook een biopsie kon worden verricht. De arts is met een dunne flexibele camera via de neus naar de luchtpijp gegaan en heeft vervolgens de beademingsbuis geplaatst, terwijl de cliënt wakker bleef ademen.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder op goede gronden tot dit besluit heeft kunnen komen.
De cliënt was ten tijde van de intubatie weliswaar nog stabiel, maar er bestond op dat moment onzekerheid over het verdere verloop. Vanwege de verdenking van een tumor was niet uit te sluiten dat de zwelling zodanig zou toenemen dat de luchtweg volledig dreigde te worden afgesloten, waardoor ademhalen niet meer mogelijk zou zijn en de cliënt in een acute noodsituatie/reanimatiesetting terecht zou zijn gekomen. In dat geval zou het aanzienlijk lastiger zijn om een beademingsbuis te plaatsen, met een grotere kans op complicaties en mogelijk zelfs overlijden tot gevolg.
Informed consent
Voor verrichtingen ter uitvoering van een geneeskundige behandelovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist (artikel 7:450 BW). Een patiënt kan in beginsel slechts toestemming voor een behandeling geven indien hij of zij daarover door de hulpverlener adequaat is geïnformeerd. Die informatieplicht is neergelegd in artikel 7:448 BW. De hulpverlener moet de patiënt op duidelijke wijze inlichten over de voorgestelde behandeling. Bij het verstrekken van informatie dient de hulpverlener zich te laten leiden door hetgeen de patiënt voor het nemen van een afgewogen beslissing redelijkerwijs dient te weten, onder meer ten aanzien van de te verwachten gevolgen en de normale, voorzienbare, risico’s van de behandeling. Het belangrijkste doel van de informatieplicht is de patiënt in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken voor een bepaalde behandeling. De hulpverlener hoeft de patiënt daarom niet over alle in theorie denkbare risico’s en/of complicaties te informeren.
Uit de stukken blijkt dat de cliënt, in aanwezigheid van zijn zoon, voorafgaand aan de intubatie tweemaal uitgebreid is geïnformeerd zowel over de aard van de ingreep als over de noodzaak om daarmee niet te lang te wachten. Er is daarbij ook gesproken over de wens van de cliënt om de intubatie onder narcose te laten verrichten. Uiteindelijk is de cliënt akkoord gegaan met een ‘wakker fiberoptische intubatie’. Van ongeoorloofde druk van de betrokken artsen op de cliënte en/of zijn zoon (en de rest van zijn familie) is de commissie niet gebleken.
De cliënt stelt nog dat de zorgaanbieder hem niet heeft geïnformeerd dat hij na de intubatie gesedeerd zou worden gehouden. De commissie leidt uit het medisch dossier af dat tot het langer toedienen van sedatie is overgegaan, omdat de cliënt na het staken van de sedatie na de intubatie erg onrustig was. Voorkomen moest worden dat de cliënt de beademingsbuis er zelf uit zou trekken. Om die reden heeft de zorgaanbieder de cliënt ook gefixeerd. De zorgaanbieder heeft daartoe besloten op grond van de klinische situatie van de cliënt nà de intubatie en dit daarom niet specifiek vooraf met hem besproken. Uit het dossier blijkt dat dit wel uitdrukkelijk in een familiegesprek met de twee zoons en de echtgenote van de cliënt is besproken en dat zij daarmee akkoord zijn gegaan. De commissie acht dit in de gegeven omstandigheden voldoende. Er waren feitelijk immers ook geen andere opties voor de zorgaanbieder dan dit met de familie te bespreken nu de cliënt zelf nog in gesedeerde toestand was.
De tracheotomie
Op grond van de stukken staat vast dat de zorgaanbieder enkele dagen na de intubatie een proefdetubatie heeft uitgevoerd. Omdat deze niet slaagde, heeft opnieuw een intubatie plaatsgevonden. Daardoor was de verwachting dat de cliënt langer aan de beademing zou moeten blijven.
Gelet op de risico’s van een langdurige intubatie, is in het belang van het herstel van de cliënt besloten tot een tracheotomie; een tracheostoma is bij langdurige beademing voor een patiënt doorgaans comfortabeler dan een beademingsbuis via de mond of neus.
Anders dan de cliënt stelt, is de tracheotomie geen rechtstreeks gevolg geweest van de intubatie. Het medisch dossier bevat geen aanwijzingen dat de intubatie niet correct is uitgevoerd en dat daarom een tracheotomie heeft moeten plaatsvinden.
Dat niet meteen voor een tracheotomie is gekozen, kan de zorgaanbieder niet worden verweten. Het is juist zorgvuldig dat eerst voor intubatie is gekozen, omdat dit minder ingrijpend is dan een tracheotomie. Zeker als deze in een spoedsituatie moet worden uitgevoerd, bestaat daarbij het risico op een beschadiging van de luchtpijp.
Gelet op het verloop van het herstelproces van de cliënt is alsnog besloten tot een tracheotomie. De zorgaanbieder heeft het ziektebeeld van de cliënt steeds zorgvuldig meegenomen in haar afwegingen.
Omdat de cliënt gesedeerd was, kon niet om zijn toestemming voor de tracheotomie worden gevraagd. Er hebben meerdere familiegesprekken plaatsgevonden met de zoon en de echtgenote van de cliënt, waarin de plaatsing van het tracheostoma is besproken. Uiteindelijk heeft de zoon zich daarmee telefonisch akkoord verklaard. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder onder de gegeven omstandigheden mocht afgaan op zijn instemming.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Van een tekortkoming van de zijde van de zorgaanbieder is dan ook geen sprake.
Dit betekent dat de klacht van de cliënt ongegrond is en dat zijn verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.
Nu de klacht van de cliënt ongegrond is, blijft het klachtengeld voor zijn rekening.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder behandelingskosten aan de commissie verschuldigd.
Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, kan onbesproken blijven omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst de door de cliënt verzochte schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie behandelingskosten aan de commissie is verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr.
S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mevrouw mr. dr. M.J. van Dam en de heer mr. R.P. Gerzon,
leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 4 augustus 2026.