Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1326461/1335618
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
Deze zaak gaat over een patiënte die vond dat twee artsen van het Erasmus MC nalatig hebben gehandeld door haar klachten niet te onderzoeken als mogelijke titaniumallergie. Volgens haar werden signalen van haarzelf en haar parodontoloog genegeerd, waardoor een behandelplan met nieuwe titaniumimplantaten werd voorgesteld terwijl zij juist problemen leek te hebben met dit materiaal. Later werd in een ander ziekenhuis vastgesteld dat zij inderdaad allergisch was voor onder meer titanium. De patiënte stelde dat hierdoor schade was ontstaan en vroeg een schadevergoeding van € 5.000. Het Erasmus MC voerde aan dat titaniumallergie zeer zeldzaam is en dat er destijds geen medische aanleiding was om specifiek onderzoek naar zo’n allergie te doen. De commissie oordeelde eerst dat de patiënte ontvankelijk was in haar klacht, ondanks dat zij de interne klachtenprocedure niet volledig had afgewacht. Vervolgens stelde de commissie vast dat de betrokken zorgverleners hebben gehandeld zoals van redelijk bekwame en redelijk handelende zorgverleners mocht worden verwacht. Gezien de medische situatie van de patiënte, de aanwezigheid van andere mogelijke oorzaken voor haar klachten en de destijds beschikbare kennis, bestond er volgens de commissie onvoldoende aanleiding om een titaniumallergie te vermoeden of nader te onderzoeken. Dat later alsnog een allergie werd vastgesteld, maakt het eerdere handelen niet onzorgvuldig. Ook het besluit om een periode af te wachten voordat verdere behandeling plaatsvond, werd niet onredelijk geacht. De commissie verklaarde daarom de klacht ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klaagster)en
Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC), gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2026 te Utrecht. Klaagster is verschenen samen met [naam]. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam], jurist, [naam], kaakchirurg en [naam], tandarts.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het volgens klaagster nalatig handelen van twee artsen van de zorgaanbieder, waardoor zij schade heeft geleden.
Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Tijdens de behandelperiode bij de zorgaanbieder, hebben de twee betrokken artsen miskend dat klaagster mogelijk allergisch kon zijn voor titanium. Zes titanium implantaten zijn verloren gegaan, waarvan de laatste twee implantaten gedurende de betreffende behandelperiode bij de zorgaanbieder. Zowel de behandelend parodontoloog als klaagster hebben beide artsen meermaals geattendeerd op mogelijke titanium intolerantie. Desondanks werd dat volkomen genegeerd, hetgeen resulteerde in een behandelplan met nieuwe titanium implantaten en een nieuw metalen frame, terwijl klaagster van het op dat moment door haar gedragen metalen frame ook hinder ondervond.
Klaagster had, doordat de door haar geuite zorgen geenszins serieus werden genomen, geen vertrouwen in het door beide artsen opgestelde behandelplan. Zij heeft vervolgens op eigen initiatief, middels een verwijzing van haar tandarts, een onderzoek ondergaan in het Amsterdam UMC, waar aan het licht is gekomen dat zij allergisch is voor drie tandheelkundige materialen, waaronder titanium, die zich op dat moment nog in haar mond bevonden.
Beide artsen weigeren stelselmatig om hun nalatigheden, met de daaraan gerelateerde gevolgen, openlijk te onderkennen. Een ingezette bemiddelingspoging via de Klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder heeft geen resultaat opgeleverd. Klaagster verzoekt om een schadevergoeding van € 5.000,-.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De zorgaanbieder stelt zich allereerst op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar klacht, omdat de interne klachtprocedure van de zorgaanbieder niet volledig is doorlopen Klaagster heeft de procedure op 1 oktober 2025, kort voor de geplande zitting, beëindigd. Zij heeft hiermee de zorgaanbieder niet in de gelegenheid gesteld de interne klachtenprocedure af te ronden.
Voor zover de commissie de klacht wel inhoudelijk behandelt, voert de zorgaanbieder aan dat bij klaagster sprake was van een complexe mondgezondheid. Zij is bekend met auto-immuunziekten die de werking van de speekselklieren negatief kunnen beïnvloeden en daarmee kunnen bijdragen aan ontstekingen en cariës. In het verleden heeft zij meerdere gebitselementen en implantaten verloren. Peri-implantitis is volgens de zorgaanbieder een regelmatig voorkomende complicatie bij implantaten. Factoren zoals roken, onvoldoende mondhygiëne en een matige botkwaliteit kunnen daarbij een rol spelen. Bij patiënten met auto-immuunziekten bestaat bovendien een verhoogd risico op ontsteking van het slijmvlies rond implantaten en op botverlies. Uit de röntgenfoto’s uit 2017, 2018 en 2019 blijkt echter dat de botafbraak rond implantaat 26 nagenoeg stabiel was. Nadat klaagster in 2017 op eigen verzoek was overgestapt naar de zorgaanbieder, verbeterde haar mondgezondheid. In 2020 werd daarom, in overleg met de behandelend tandarts-parodontoloog, een behandelplan opgesteld voor het plaatsen van nieuwe implantaten in de onderkaak. Daarmee kon vanuit tandheelkundig oogpunt een functioneel beter resultaat worden bereikt, onder meer vanwege de mogelijkheid van een vaste brug en betere ondersteuning van een frameprothese. De mogelijke invloed van haar auto-immuunziekte op het ingroeien van de implantaten is daarbij meegewogen. De zorgaanbieder stelt verder dat er tijdens de consulten en bij beoordeling van de röntgenfoto’s geen aanleiding bestond om onderzoek naar een allergie voor titanium te verrichten. Een allergische reactie op titanium is uiterst zeldzaam, terwijl peri-mucositis en peri-implantitis veel vaker voorkomen en vergelijkbare klachten kunnen veroorzaken. Er bestond daarom destijds geen concrete verdenking op een titaniumallergie. Dat deze mogelijkheid niet nader is onderzocht, acht de zorgaanbieder onder de gegeven omstandigheden niet verwijtbaar.
Ten slotte erkent de zorgaanbieder dat klaagster in januari 2025 geen opening heeft ervaren om met de kaakchirurg te bespreken dat mogelijk sprake was van een allergische reactie op het titanium implantaat. De zorgaanbieder betreurt dat klaagster dit zo heeft ervaren en benadrukt dat niet is beoogd de indruk te wekken dat een allergische reactie in alle gevallen uitgesloten is. Hoewel een dergelijke reactie zeer zeldzaam is, dient iedere patiënt individueel te worden beoordeeld. De zorgaanbieder verzoekt de klacht ongegrond te verklaren en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
Beroep op niet-ontvankelijkheid van klaagster
De commissie stelt voorop dat op het onderhavige geschil het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen van toepassing is. De zorgaanbieder heeft zijn beroep op de niet-ontvankelijkheid gebaseerd op artikel 6, lid 1, van het Reglement Geschillencommissie Zorg Algemeen. Dat reglement is op het onderhavige geschil echter niet van toepassing. De commissie zal het ontvankelijkheidsverweer daarom beoordelen aan de hand van het toepasselijke Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen.
Artikel 6 van het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen bepaalt, voor zover hier van belang, dat de commissie op verzoek van het ziekenhuis de cliënt niet-ontvankelijk verklaart indien deze de klacht niet eerst overeenkomstig de Wet of de in het reglement genoemde voorwaarden bij het ziekenhuis heeft ingediend, dan wel niet schriftelijk kan aantonen dat de interne klachtenprocedure is gevolgd.
Niet ter discussie staat dat klaagster haar klacht eerst bij de zorgaanbieder heeft ingediend en dat zij vervolgens een traject met de klachtenfunctionaris heeft doorlopen. Nadat dit traject niet tot een voor klaagster bevredigende oplossing had geleid, heeft zij kenbaar gemaakt een beoordeling van de gegrondheid van haar klacht te wensen.
De klacht is daarop doorgestuurd naar de Klachtencommissie Patiënten en formeel in behandeling genomen. De commissie stelt vast dat klaagster de interne klachtenprocedure vervolgens niet volledig heeft afgewacht. Zij heeft de procedure beëindigd voordat de geplande mondelinge behandeling van de klacht had plaatsgevonden. Naar het oordeel van de commissie kan dit klaagster in de gegeven omstandigheden echter niet worden tegengeworpen. Daarbij acht de commissie van belang dat voorafgaand aan de formele behandeling door de Klachtencommissie al een traject met de klachtenfunctionaris had plaatsgevonden en dat klaagster gedurende dat traject kennis had kunnen nemen van het standpunt van de zorgaanbieder. Vervolgens is de klacht formeel in behandeling genomen en heeft de zorgaanbieder daarop inhoudelijk gereageerd. Voorts is van belang dat de interne klachtenprocedure geruime tijd in beslag heeft genomen. De klacht was reeds begin 2025 bij de zorgaanbieder en de Klachtencommissie in behandeling, terwijl de mondelinge behandeling uiteindelijk voor 8 oktober 2025 was gepland. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat zorgvuldig onderzoek tijd kost en dat de aanvankelijke datum van de mondelinge behandeling om organisatorische redenen moest worden verplaatst. De commissie heeft daarvoor begrip. Dit neemt echter niet weg dat van een cliënt niet zonder meer kan worden verlangd dat zij een langdurige interne procedure blijft afwachten. De commissie neemt verder in aanmerking dat het doel van de interne klachtenprocedure is dat een klacht binnen de zorgaanbieder wordt onderzocht en dat wordt bezien of partijen tot een oplossing kunnen komen. In dit geval had reeds een traject met de klachtenfunctionaris plaatsgevonden en was de klacht vervolgens ook formeel in behandeling genomen. De zorgaanbieder heeft daarbij de gelegenheid gehad zijn standpunt over de klacht kenbaar te maken. De omstandigheid dat de Raad van Bestuur op het moment waarop klaagster de procedure beëindigde nog geen formeel oordeel over de klacht had gegeven, leidt niet tot een ander oordeel. Het reglement stelt voor ontvankelijkheid niet als afzonderlijke voorwaarde dat de Raad van Bestuur reeds een oordeel over de klacht heeft gegeven. Van belang is dat de klacht eerst bij de zorgaanbieder aan de orde is gesteld en dat de zorgaanbieder voldoende gelegenheid heeft gehad daarop te reageren.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat klaagster heeft voldaan aan de strekking van de verplichting om de klacht eerst bij de zorgaanbieder aan de orde te stellen. Het enkele feit dat zij de laatste formele fase van de interne klachtenprocedure niet heeft afgewacht, staat onder deze omstandigheden niet aan behandeling van haar klacht door de commissie in de weg. De commissie verklaart klaagster daarom ontvankelijk in haar klacht.
Inhoudelijke beoordeling
De commissie dient te beoordelen of de betrokken zorgverleners bij hun handelen zijn gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsuitoefening, rekening houdend met de kennis en inzichten die ten tijde van de behandeling beschikbaar waren. Daarbij dient de commissie de situatie te beoordelen naar de kennis van het moment waarop de behandeling plaatsvond.
De omstandigheid dat achteraf, in 2021, een allergie is vastgesteld, is daarom niet bepalend voor de vraag of de zorgaanbieder in 2020 anders had moeten handelen.
De kern van de klacht is dat de zorgaanbieder volgens klaagster eerder had moeten onderkennen dat haar klachten mogelijk werden veroorzaakt door een allergie voor titanium, temeer nu zowel zijzelf als haar tandarts-parodontoloog daar meermalen op hebben gewezen. De commissie stelt vast dat op het moment waarop het behandelplan voor nieuwe implantaten werd opgesteld, sprake was van verschillende mogelijke oorzaken voor de klachten en problemen met de mondgezondheid van klaagster. Klaagster was bekend met auto-immuunziekten, had in het verleden implantaten verloren en er waren aanwijzingen voor ontstekingen en botverlies rond implantaten. De commissie acht het van belang dat de zorgaanbieder de zorgen van klaagster niet zonder nader overleg terzijde heeft gelegd. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat contact is geweest met de betreffende externe tandarts-parodontoloog die bij klaagster betrokken was en die ook de mogelijkheid van een titanium-allergie had geopperd. Het behandelplan voor nieuwe implantaten is met deze externe deskundige afgestemd.
De commissie kan niet vaststellen wat precies tijdens de verschillende gesprekken tussen klaagster, de zorgaanbieder en de externe parodontoloog is besproken. Wel blijkt dat de zorgen van klaagster aanleiding zijn geweest voor nader overleg en dat dit overleg destijds niet heeft geleid tot de conclusie dat het plaatsen van nieuwe implantaten medisch onverantwoord was of dat eerst allergologisch onderzoek noodzakelijk was. De commissie acht daarbij van belang dat een allergie voor titanium als uiterst zeldzaam werd beschouwd en dat de klachten van klaagster ook bij andere, meer voorkomende aandoeningen pasten.
De zorgaanbieder mocht daarom op basis van de toen beschikbare kennis en bevindingen tot de conclusie komen dat er onvoldoende aanleiding bestond om specifiek allergologisch onderzoek naar titanium te verrichten.
De commissie kan de stelling van klaagster dat de zorgaanbieder een titaniumallergie categorisch heeft ontkend, evenmin vaststellen. De betrokken kaakchirurg heeft ter zitting aangegeven zich niet meer precies te kunnen herinneren wat tijdens het betreffende gesprek is gezegd. Dat een dergelijke allergie zeer zeldzaam is, betekent niet dat deze niet bestaat. De betrokken kaakchirurg heeft dit ter zitting ook uitdrukkelijk erkend. Dat achteraf is vastgesteld dat bij klaagster daadwerkelijk sprake was van een allergie, maakt de eerdere handelwijze niet zonder meer verwijtbaar. De commissie dient immers te beoordelen of er ten tijde van de behandeling voldoende aanleiding bestond om die diagnose te vermoeden.
Die aanleiding is naar het oordeel van de commissie onvoldoende gebleken.
Klaagster heeft aangevoerd dat zij na het voorgestelde behandelplan klachten bleef houden en dat verdere behandeling vervolgens zes maanden is uitgesteld. Uit de stukken blijkt dat de betrokken artsen, in reactie op de zorgen van klaagster, hebben voorgesteld om voorlopig geen verdere behandeling te verrichten en haar na ongeveer zes maanden opnieuw te beoordelen. De commissie acht het niet onredelijk dat in de gegeven omstandigheden is gekozen voor een periode van observatie. Er waren verschillende mogelijke verklaringen voor de klachten en er was op dat moment onvoldoende aanleiding om uit te gaan van een titaniumallergie. Het was daarom niet onzorgvuldig om het beloop gedurende enige tijd af te wachten alvorens tot een verdere behandeling of aanpassing van het behandelplan over te gaan.
De commissie begrijpt dat deze periode voor klaagster, die klachten en ongemak ervoer, zeer vervelend is geweest. Dat achteraf bezien eerder een andere diagnose had kunnen worden gesteld, betekent echter niet dat de gekozen termijn van ongeveer zes maanden destijds medisch onaanvaardbaar was.
Klaagster heeft aangevoerd dat zij onvoldoende is gehoord, dat zij niet is teruggebeld over een nieuw behandelplan en dat niet inhoudelijk is gereageerd op door haar verstrekte informatie over wetenschappelijk onderzoek. De commissie kan niet met voldoende zekerheid vaststellen wat over en weer precies is afgesproken over een terugbelafspraak. Wel staat vast dat naar aanleiding van de zorgen van klaagster contact is geweest met de externe parodontoloog en dat het behandelplan in overleg met deze behandelaar tot stand is gekomen. De commissie acht het voorstelbaar dat klaagster teleurgesteld is geweest over de communicatie en het uitblijven van een voor haar gewenste oplossing. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat de zorgaanbieder in de communicatie zodanig tekort is geschoten dat sprake is van verwijtbaar handelen. Daarbij weegt de commissie mee dat de zorgaanbieder op dat moment niet beschikte over de informatie dat bij klaagster daadwerkelijk sprake was van een titaniumallergie. Evenmin is gebleken dat klaagster de zorgaanbieder heeft geïnformeerd over de latere verwijzing voor allergologisch onderzoek en de uitkomst daarvan. Uit de stukken blijkt dat de zorgaanbieder pas in het kader van de huidige klacht kennis heeft genomen van het feit dat klaagster in een later stadium is onderzocht en dat de allergie uiteindelijk is vastgesteld. De zorgaanbieder heeft daardoor destijds ook niet de mogelijkheid gehad om de behandeling op basis van die informatie te heroverwegen.
De commissie heeft kennisgenomen van de mededeling van de zorgaanbieder dat de werkwijze inmiddels is aangepast en dat bij klachten die kunnen passen bij een allergische reactie, waaronder het verlies van implantaten, eerder aan een allergische oorzaak wordt gedacht en laagdrempeliger allergologisch onderzoek wordt overwogen. De commissie waardeert deze aanpassing. Het feit dat de zorgaanbieder haar werkwijze naar aanleiding van ervaringen heeft aangepast, betekent echter niet dat de eerdere werkwijze daarmee achteraf als onzorgvuldig moet worden aangemerkt.
Verzoek om schadevergoeding
Klaagster heeft verzocht om vergoeding van de door haar geleden materiële en immateriële schade.
De commissie stelt voorop dat voor toewijzing van schadevergoeding moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van schade die het gevolg is van een aan de zorgaanbieder toe te rekenen tekortkoming.
Zoals hiervoor is overwogen, is de commissie niet gebleken van een verwijtbare tekortkoming in de behandeling van klaagster. De zorgaanbieder heeft naar het oordeel van de commissie op basis van de destijds beschikbare medische kennis en informatie gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener mocht worden verwacht. Daarmee ontbreekt de grondslag om de gestelde schade aan de zorgaanbieder toe te rekenen. De commissie hoeft daarom niet afzonderlijk te beoordelen of de door klaagster gestelde schade kwalificeert als voor vergoeding in aanmerking komende materiële of immateriële schade. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart klaagster ontvankelijk in haar klacht;
– verklaart de klacht ongegrond;
– wijst af de vordering tot schadevergoeding.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr.
S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer W.L.J. Weijs, de heer mr. R.P. Gerzon, leden,
in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 3 september 2026.