Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
1331551/1343360
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak betreft een klacht van een cliënt over de wijze waarop zij in 2021 door een verpleegkundig specialist GGZ is bejegend. Zij stelde onder meer dat zij suïcidaal en eenzaam was achtergelaten en dat zij de indruk kreeg niet van zorgverlener te kunnen wisselen. Daarnaast verzocht zij om een schadevergoeding van € 25.000,-. De commissie oordeelt dat de cliënt haar geschil te laat aan de commissie heeft voorgelegd. Op grond van het reglement had dit binnen twaalf maanden na het indienen van de klacht bij de zorgaanbieder moeten gebeuren. Omdat die termijn ruim is overschreden, wordt de cliënt niet-ontvankelijk verklaard. Hierdoor komt de commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht of het verzoek om schadevergoeding.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [Naam}, wonende te [Plaatsnaam}
(hierna te noemen: de cliënt)
en
Pro Persona GGZ, gevestigd te Renkum
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Samenvatting
De cliënt klaagt over de wijze van bejegening door de verpleegkundig specialist GGZ van de zorgaanbieder (hierna: verweerster) in 2021. Zij kan vanwege overschrijding van de termijn niet worden ontvangen in haar klacht. Op grond van het reglement moet een geschil binnen twaalf maanden na de datum waarop de klacht bij de zorgaanbieder is ingediend, bij de commissie aanhangig worden gemaakt. Dat heeft de cliënt niet gedaan, zodat zij te laat heeft geklaagd en haar klacht niet in behandeling kan worden genomen.
Het verzoek van de cliënt om haar herdiagnoses uit 2025 (opnieuw) te ontvangen, maakt geen deel uit van het in deze procedure voorgelegde geschil; de commissie geeft daarover geen oordeel. Nu de cliënt niet-ontvankelijk is in haar klacht, komt de commissie niet toe aan verdere beoordeling van de klacht en de gevorderde schadevergoeding.
Behandeling van het geschil
De Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de cliënt ontvankelijk is in haar klacht.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 14 september 2026 te Den Haag.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de wijze van bejegening door de verpleegkundig specialist GGZ van de zorgaanbieder.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. Het standpunt van de cliënt luidt samengevat en in de kern als volgt.
a. verweerster heeft de cliënt suïcidaal, eenzaam, en compleet alleen achtergelaten;
b. verweerster heeft het vorenstaande ontkend;
c. verweerster heeft de cliënt laten denken dat zij niet weg kon bij de zorgaanbieder.
Voorts heeft de cliënt bij ongedateerde e-mail aan de Geschillencommissie Zorg, ontvangen op 28 augustus 2026, geschreven:
“Zoals u weet heb ik ook een klacht lopen over het feit dat ik mijn herdiagnoses uit 2025 niet opnieuw heb mogen ontvangen.
Ik wil hierbij aan de tegenpartij laten weten dat, ongeacht hoe deze zaak uiteindelijk verloopt, ik mijn herdiagnoses uit 2025 graag per e-mail wil ontvangen. (..).”
De cliënt verzoekt ten slotte om een bedrag van €25.000 als schadevergoeding.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. Het standpunt van de zorgaanbieder luidt samengevat en in de kern als volgt.
Sinds 2008 is de cliënt in behandeling op de afdeling jeugd van de zorgaanbieder in de vestiging [plaatsnaam]in verband met ADHD en PTSS. Vanaf 2015 is de cliënt in behandeling geweest bij [naam behandeling] vanwege psychosegevoeligheid. In 2020 is de cliënt door [naam behandeling] naar [naam behandeling b] verwezen ten behoeve van voortzetting van de behandeling. Deze behandeling kwam niet van de grond. Drie maanden later is de cliënt opnieuw aangemeld bij [naam behandeling b] via de crisisdienst in verband met suïcidaliteit en paniekaanvallen. Op 29 april 2021 heeft verweerster een huisbezoek aan de cliënt gebracht waarin de cliënt zich zodanig heeft opgesteld jegens verweerster dat deze besloot het gesprek te beëindigen en vervolgens weg is gegaan. De cliënt heeft hierover in 2022 bij de zorgaanbieder geklaagd. De behandeling [naam behandeling b] heeft geduurd tot eind 2025.
De zorgaanbieder verzoekt primair de klacht van de cliënt niet ontvankelijk te verklaren op basis van artikel 6 lid 1 onder b van het Reglement van de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: het reglement). De zorgaanbieder heeft op 24 mei 2022 de klacht van de cliënt ontvangen met betrekking tot de ontevredenheid over de behandeling en bejegening van verweerster. Omdat de bewaartermijn van twee jaar is verstreken heeft de zorgaanbieder geen klachtdossier meer van de cliënt. Uit de door de cliënt ingestuurde stukken blijkt echter dat de zorgaanbieder op 26 juli 2022 een afsluitende brief met betrekking tot deze klacht heeft gestuurd. Daarnaast geeft de cliënt zelf aan op het vragenformulier dat zij haar klachten voor het eerst kenbaar heeft gemaakt op 1 april 2021. De termijn van 12 maanden is hiermee, in ieder geval voor de klachtonderdelen a en b overschreden.
Subsidiair verzoekt de zorgaanbieder de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en de gevorderde schadevergoeding af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.
Voordat de commissie kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht, dient eerst op het verweer van de zorgaanbieder over de ontvankelijkheid te worden beslist.
Uit de processtukken is gebleken dat de cliënt op 24 mei 2022 een klacht heeft ingediend bij de zorgaanbieder over de wijze van bejegening door verweerster op of omstreeks 29 april 2021. Deze klacht is destijds geregistreerd onder nummer [klachtnummer] en behandeld. Vervolgens is met de zorgaanbieder afgesproken dat de cliënt na de vakantie (zomer 2022) zou wisselen van behandelaar. De cliënt heeft daarna op 22 oktober 2025 opnieuw een klacht bij de zorgaanbieder ingediend. Uit de stukken is verder gebleken dat de zorgaanbieder bij brief van 23 december 2025 aan de cliënt heeft meegedeeld deze klacht niet verder in behandeling te nemen omdat de klacht van de cliënt reeds eerder door de zorgaanbieder is behandeld onder registratienummer 2205-2286.
De commissie maakt daaruit op dat de door de cliënt op 22 oktober 2025 ingediende klacht dezelfde klacht betreft als de door de cliënt op 24 mei 2022 ingediende klacht over de wijze van bejegening door verweerster op of omstreeks 29 april 2021. De thans bij de Geschillencommissie Zorg ingediende klacht betreft wederom de klacht over de wijze van bejegening door verweerster op of omstreeks 29 april 2021. Dat geldt ook voor klachtonderdeel c, dat eveneens ziet op de behandelrelatie met verweerster [in de periode waarop de klacht van 24 mei 2022 betrekking had]. De cliënt heeft niet bestreden dat de klacht in juli 2022 is behandeld door een onafhankelijke klachtencommissie van de zorgaanbieder.
Artikel 6 lid 1 onder b van het reglement bepaalt dat de commissie op verzoek van de zorgaanbieder, gedaan bij eerste gelegenheid, de cliënt in haar klacht niet-ontvankelijk verklaart indien zij haar geschil niet binnen twaalf maanden, na de datum waarop de cliënt de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt.
Het opnieuw indienen van een reeds door de zorgaanbieder behandelde klacht doet geen nieuwe termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder b van het reglement aanvangen. Zou dat anders zijn, dan zou de termijn door het herhaald indienen van dezelfde klacht steeds opnieuw kunnen worden opengesteld, wat zich niet verdraagt met het doel van die termijn. Bepalend is daarom de datum waarop de cliënt haar klacht voor het eerst bij de zorgaanbieder heeft ingediend: 24 mei 2022.
De termijn om het geschil bij de commissie aanhangig te maken, eindigde dus op 24 mei 2023. De cliënt heeft haar klacht voor het eerst op 2 maart 2026 bij de commissie aanhangig gemaakt. De termijn is daarmee met ruim twee jaar en negen maanden overschreden.
Op grond van artikel 6 lid 2 van het reglement kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de termijnoverschrijding redelijkerwijs geen verwijt treft. Daarvan is geen sprake. Het betoog van de cliënt dat niemand haar had verteld of geadviseerd om binnen 12 maanden na indiening van haar klacht (bij de zorgaanbieder) een klacht in te dienen bij de Geschillencommissie Zorg kan haar niet baten, nu in de brief van 26 juli 2022 van de zorgaanbieder aan de cliënt – die de cliënt zelf in de procedure heeft gebracht – is meegedeeld dat indien de cliënt het met de inhoud van de brief niet eens was, zij binnen 12 maanden na het indienen van de klacht bij de zorgaanbieder, zich kon wenden tot de Landelijke Geschillencommissie. Van andere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken, is niet gebleken.
Voor zover de zorgaanbieder in het verweer ingaat op het niet (opnieuw) ontvangen van de herdiagnoses, overweegt de commissie dat dit punt geen deel uitmaakt van het in deze procedure voorgelegde geschil. Het betreft een verzoek dat de cliënt na het aanhangig maken van het geschil, bij e-mail ontvangen op 28 augustus 2026, aan de zorgaanbieder heeft gericht, en niet is gebleken dat dit punt eerst als klacht bij de zorgaanbieder is ingediend en behandeld. De commissie geeft daarover in deze procedure geen oordeel.
Op grond van het voorgaande is de cliënt niet-ontvankelijk in haar klacht.
De commissie komt dan ook niet toe aan verdere beoordeling van de klacht en de door de cliënt gevorderde schadevergoeding.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De cliënt wordt in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, mevrouw drs. F. Zwanepol, mevrouw E.M. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Land Smorenburg, secretaris, op 14 september 2026.