Klachten over uitvoering EMDR, nazorg en klachtenprocedure ongegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: onzorgvuldigheid/ schadevergoeding    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1326487/1336457

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De uitspraak betreft een klacht van een cliënt over de uitvoering van een EMDR-behandeling, de nazorg en continuïteit van zorg en de interne klachtafhandeling door een ggz-instelling. De cliënt stelde onder meer dat de behandeling onprofessioneel was uitgevoerd door een rommelige behandelomgeving, storende reclames en typgeluiden tijdens de sessies en het gedrag van de behandelaar. Ook vond hij dat de zorgaanbieder onvoldoende had gezorgd voor passende nazorg en dat de interne klachtenprocedure gebreken vertoonde.
De commissie oordeelt dat deze omstandigheden weliswaar verbeterpunten opleveren, maar onvoldoende zijn om te concluderen dat de zorgaanbieder heeft gehandeld in strijd met de professionele standaard. Daarbij weegt mee dat de cliënt tijdens of na de sessies geen bezwaren heeft geuit, terwijl daarvoor wel mogelijkheden bestonden. Ook van tekortschietende nazorg, een gebrek aan onafhankelijkheid van de klachtencommissie of een verplichting om interne aantekeningen van de hoorzitting te verstrekken is niet gebleken. De klacht wordt op alle onderdelen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam cliënt], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

GGZ Friesland, gevestigd te Leeuwarden
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 te Utrecht. De cliënt is (digitaal) ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder is (digitaal) verschenen [naam voormalig behandelaar], bijgestaan door [naam advocaat].

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de EMDR-behandeling, nazorg en continuïteit van zorg en de klachtafhandeling.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft, naar de commissie begrijpt, zijn klacht onderverdeeld in twee klachtonderdelen, te weten:

1) EMDR-behandeling

De cliënt stelt dat de behandelaar van de zorgaanbieder de EMDR-behandeling op onzorgvuldige wijze heeft uitgevoerd, waardoor niet is gehandeld conform de geldende professionele standaard.

Ter onderbouwing van dit standpunt voert de cliënt in de eerste plaats aan dat de EMDR-lamp tijdens beide sessies niet direct gereed voor gebruik was. Dit heeft bij de cliënt de indruk gewekt dat de behandelaar ongemotiveerd was om de behandeling uit te voeren. Daarnaast oogde de behandelruimte rommelig en stonden er vieze kopjes op het bureau. Dit droeg bij aan de onprofessionele setting.

In de tweede plaats stelt de cliënt dat de wijze waarop de behandelaar van de zorgaanbieder het werkgeheugen van de cliënt heeft belast onprofessioneel is en tot veel ongemak bij de cliënt heeft geleid. Zo werd er tijdens de sessies muziek afgespeeld die werd onderbroken door reclamespots, en was de behandelaar herhaaldelijk hoorbaar aan het typen op de laptop. Deze auditieve prikkels waren voor de cliënt zeer storend en moeilijk verdraagbaar. De cliënt wijst erop dat deze prikkels vanwege zijn beperkingen extra moeilijk te verdragen waren en dat de behandelaar dit had moeten weten. Dit was immers bekend bij zijn vaste behandelaar mevrouw Fennema, die de cliënt naar de behandelaar van de zorgaanbieder heeft verwezen voor EMDR-therapie.

In de derde plaats wijst de cliënt op de persoonlijke gedragingen van de behandelaar van de zorgaanbieder tijdens de sessies. De behandelaar heeft herhaaldelijk aan zijn neus gepeuterd. Dit handelen is volgens de cliënt onhygiënisch en onaangenaam.

2) Nazorg en continuïteit van zorg

De cliënt heeft zijn gehele behandeling bij de zorgaanbieder beëindigd als gevolg van de ervaringen tijdens de EMDR-behandeling. De cliënt heeft zijn klacht over de behandelaar van de zorgaanbieder besproken met zijn vaste behandelaar, mevrouw [naam]. Zij ging echter achter de behandelaar van de zorgaanbieder staan, waardoor de cliënt het gevoel kreeg dat hij niet serieus werd genomen.

De cliënt voelde zich niet meer veilig op deze locatie van de zorgaanbieder na de EMDR-sessies. De cliënt kan vanwege zijn fysieke beperkingen en afhankelijkheid van WMO-vervoer niet uitwijken naar andere locaties van de zorgaanbieder. Daarom heeft hij de behandeling bij de zorgaanbieder in zijn geheel gestopt. Hierdoor is sprake geweest van belemmerde toegang tot passende zorg. De cliënt stelt dat de zorgaanbieder niet heeft voldaan aan haar zorgplicht om de continuïteit van zorg te waarborgen.

3) Klachtafhandeling

De cliënt stelt dat er door de ambtelijk secretaris van de interne klachtencommissie ten onrechte aantekeningen van de hoorzitting zijn vernietigd. Dit is in strijd met de dossier- en verantwoordingsplicht zoals bedoeld in artikel 7:454 BW.

De cliënt stelt voorts dat de onafhankelijkheid van de interne klachtencommissie onvoldoende was gewaarborgd. De cliënt wijst in dit kader op het feit dat de rol van klachtenfunctionaris en ambtelijk secretaris van de klachtencommissie door dezelfde persoon werden vervuld. Dit is onrechtmatig en biedt onvoldoende waarborgen voor vertrouwen en hoor en wederhoor.

Verzoek tot schadevergoeding

De cliënt verzoekt als gevolg van het onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder een schadevergoeding van € 7.500,-, bestaande uit € 4.500,- immateriële schade, € 2.000,- zorgschade en € 1.000,- materiële schade.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

1) EMDR-behandeling

De zorgaanbieder stelt ten aanzien van de kwaliteit van de EMDR-behandeling dat de behandelaar van de cliënt de EMDR conform het protocol heeft uitgevoerd. Daarbij merkt de zorgaanbieder op dat er geen vaste richtlijnen zijn voor de exacte uitvoering van een EMDR-behandeling of voor de wijze waarop afleidingstaken bij werkgeheugenbelasting moeten worden ingezet. Bij de bespreking van de werkwijze en de taken zijn niet alle mogelijke varianten afleidingstaken afzonderlijk en uitputtend met de cliënt doorgenomen. Wel is duidelijk aangegeven dat werkgeheugenbelasting door afleiding onderdeel is van de behandeling en dat dit op verschillende manier kan worden toegepast. Daarbij is onder meer gewezen op auditieve taken en de lichtbalk.

De zorgaanbieder stelt dat de behandelaar niet verwijtbaar heeft gehandeld door gebruik te maken van muziek met reclames en door tijdens de sessies te typen op zijn laptop. De zorgaanbieder kan wel begrijpen dat dit mogelijk storend is geweest voor de cliënt en dat het daarom beter achterwege kan blijven. Dat is ook de reden dat de behandelaar na de ervaringen van de cliënt zijn werkwijze enigszins heeft aangepast. Van onzorgvuldig handelen is echter geen sprake geweest. Hierbij acht de zorgaanbieder ook van belang dat de behandelaar van de cliënt geen signalen heeft ontvangen over zijn onvrede over de behandeling. Dat de ingezette afleidingstaken niet passend zouden zijn in de situatie van de cliënt, kon de behandelaar van de zorgaanbieder daarom niet vermoeden.

De zorgaanbieder erkent dat de gang van zaken rondom de EMDR-behandeling op onderdelen beter had gekund. In dit kader betreurt de zorgaanbieder dat de kamer van de behandelaar van de cliënt een rommelige indruk maakte op de cliënt en dat de EMDR-kit niet vooraf gereedstond. De behandelaar van de zorgaanbieder betreurt het ook dat zijn gedrag tijdens de EMDR-sessies door de cliënt als onsmakelijk is ervaren. Hiervoor heeft hij zijn excuses aangeboden aan de cliënt. De zorgaanbieder stelt echter dat van onzorgvuldig handelen door de behandelaar geen sprake is.

2) Nazorg en continuïteit van zorg

De zorgaanbieder stelt dat niet gebleken is van onzorgvuldig handelen in de nazorg en continuïteit van zorg.

3) Klachtafhandeling

De zorgaanbieder stelt dat van de hoorzitting bij de interne klachtencommissie een verslag is opgemaakt en dat dit aan de partijen is verstrekt. De tijdens de hoorzitting gemaakte aantekeningen zijn daarin verwerkt. Anders dan de cliënt stelt, is de zorgaanbieder van mening dat zij niet gehouden was deze aantekeningen daarnaast afzonderlijk te bewaren of over te leggen.

Ten aanzien van het verwijt van de cliënt dat de klachtenfunctionaris een dubbelrol vervulde aangezien zij ook optrad als ambtelijk secretaris van de klachtencommissie, stelt de zorgaanbieder dat de klachtenregeling van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) zich hier niet tegen verzet. Artikel 15 lid 1 van de Wkkgz en artikel 7.1 Uitvoeringsbesluit Wkkgz bevat geen verbod op het organisatorisch combineren van functies, mits binnen de klachtenregeling voldoende waarborgen zijn getroffen om de verschillende rollen in de concrete klachtenbehandeling zuiver te houden. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat die er zijn. Nu niet is gebleken van inhoudelijke belangenverstrengeling is het optreden van de klachtenfunctionaris als ambtelijk secretaris in de klachtencommissie niet onrechtmatig geweest.

Verzoek tot schadevergoeding

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat dit verzoek moet worden afgewezen nu er geen sprake is van gegronde klachten. Voor zover de commissie tot het oordeel komt dat er wel sprake is van tekortkomingen, stelt de zorgaanbieder dat het causaal verband tussen de vermeende schade en het handelen van de zorgaanbieder niet is komen vast te staan.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Klachtonderdeel 1
De commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld in de uitvoering van de EMDR-behandeling. De commissie overweegt hiertoe als volgt.

Algemene gang van zaken tijdens de EMDR-behandeling
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat de behandelruimte rommelig was ingericht en dat er gebruikte koffiebekertjes op het bureau stonden. Bovendien sluit de behandelaar van de cliënt niet uit dat hij tijdens de EMDR-behandeling op momenten aan zijn neus heeft gepeuterd. Hoewel deze gang van zaken niet de schoonheidsprijs verdient, is dit naar het oordeel van de commissie onvoldoende om te concluderen dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de cliënt.

Uitvoering van de EMDR-behandeling
Ten aanzien van de uitvoering van de EMDR-behandeling overweegt de commissie dat eveneens niet is gebleken dat sprake is van onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder.

De commissie stelt vast dat noch uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de zorgaanbieder voorafgaand aan de EMDR-behandeling voldoende uitleg aan de cliënt heeft gegeven over welke taken kunnen worden uitgevoerd om het werkgeheugen te belasten tijdens de EMDR-sessie. Hoewel de commissie de zorgaanbieder in overweging geeft dit voortaan expliciet en uitputtend met een cliënt te bespreken en tijdens de EMDR-behandeling onbedoelde afleiding zoals reclames en typgeluiden zoveel mogelijk te voorkomen, mede gelet op het geldende protocol, is ook deze handelswijze naar het oordeel van de commissie niet dusdanig verwijtbaar dat sprake is van onzorgvuldig handelen. Daarbij heeft de commissie onder meer in aanmerking genomen dat de zorgaanbieder voorafgaand, tijdens en na de EMDR-sessies voldoende gelegenheid heeft geboden aan de cliënt om te uiten hoe hij de sessies heeft ervaren, waar hij tegenaan liep en wat beter of anders moest.
De cliënt heeft echter nagelaten tijdens de sessies, of daarna, zijn ongenoegen kenbaar te maken. Dat de cliënt hier gelet op zijn psychische, fysieke en auditieve beperkingen voortdurend niet toe in staat zou zijn geweest, is volgens de commissie niet komen vast te staan. De commissie wil zeker aannemen dat het voor de cliënt direct tijdens een lopende EMDR-sessie lastig kan zijn om de behandelaar hierop aan te spreken. De cliënt had hier echter wel na afloop van de eerste sessie, bijvoorbeeld per e-mail, melding van kunnen maken. Bovendien heeft er voorafgaand aan de tweede sessie een korte evaluatie van de eerste EMDR-sessie plaatsgevonden. Dit was bij uitstek een gelegenheid voor de cliënt om zijn bezwaren ten aanzien van de muziek met reclames en het typen op de laptop te uiten. Door de behandelaar hierover niet te informeren, was er voor de behandelaar van de zorgaanbieder ook geen mogelijkheid om zijn werkwijze aan te passen.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel 2

De commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van de nazorg en continuïteit van de zorg. De commissie stelt vast dat de cliënt eenzijdig de behandelovereenkomst heeft opgezegd na de EMDR-sessies. Op een uitnodiging om in gesprek te gaan met de behandelaren over de wijze waarop de EMDR is verlopen, is de cliënt ook niet ingegaan. Onder deze omstandigheden is de commissie van oordeel dat de cliënt zelf alle banden met de zorgaanbieder heeft verbroken. Van onzorgvuldig handelen van de zijde van de zorgaanbieder in de nazorg en continuïteit van de zorg is dan ook niet gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 3

Het is de commissie niet gebleken dat de klachtenfunctionaris geen onafhankelijke opstelling heeft ingenomen. De omstandigheid dat de klachtenfunctionaris ook heeft opgetreden als ambtelijk secretaris in de interne klachtencommissie is hiervoor onvoldoende. Deze twee rollen kunnen volgens de commissie naast elkaar bestaan, en de cliënt heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in onderhavig geval sprake is geweest van onzorgvuldig optreden dan wel belangenverstrengeling.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder evenmin onzorgvuldig heeft gehandeld door de aantekeningen van de hoorzitting niet te verstrekken aan de cliënt. In dit kader merkt de commissie op dat deze aantekeningen dienen als basis voor het verslag van de hoorzitting. Dat verslag is aan de cliënt verstrekt. Voor het overige vormen de aantekening interne stukken. Gelet op het feit dat deze aantekeningen voor intern gebruik zijn, bestond er voor de zorgaanbieder geen verplichting om deze aan de cliënt te verstrekken.

De commissie is van oordeel dat ook dit laatste klachtonderdeel ongegrond is.

Verzoek tot schadevergoeding

Voor aanspraak op een schadevergoeding is vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting of (anderszins) onrechtmatig heeft gehandeld. De commissie heeft geoordeeld dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatig handelen van de zorgaanbieder is aldus niet gelbeken. Dit betekent dat de cliënt geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding, die overigens ook onvoldoende is onderbouwd. De verzochte schadevergoeding zal worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht van de cliënt op alle onderdelen ongegrond;
– wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw drs. F. Zwanepol, mevrouw mr. H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. K.E. Heins, secretaris, op 9 juli 2026.

 

Opslaan als PDF