Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: Opzegging
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1322032/1341204
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat haar behandeling bij de psycholoog ten onrechte is onderbroken. Het uitblijven van behandeling heeft bij de cliënt geleid tot immateriële schade. De zorgaanbieder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de cliënt niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar klacht omdat de klacht (nog) niet door de zorgaanbieder is behandeld en beoordeeld. Subsidiair voert de zorgaanbieder aan dat de klacht van de cliënt ongegrond moet worden verklaard. De commissie oordeelt dat de cliënt ontvankelijk is in haar klacht. Zij heeft haar klacht overeenkomstig de Wkkgz bij de zorgaanbieder ingediend, waarna de zorgaanbieder de klachtenprocedure heeft afgesloten zonder een schriftelijk en gemotiveerd oordeel over de klacht te geven. Het niet doorlopen van de verdere interne klachtenprocedure kan de cliënt dan niet worden tegengeworpen. Inhoudelijk acht de commissie de klacht ongegrond, nu de behandelingsovereenkomst niet is beëindigd en de zorgaanbieder de cliënt herhaaldelijk voortzetting van de behandeling heeft aangeboden. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Parnassia Groep BV, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 14 september 2026 te Den Haag.
Ter zitting is de cliënt, vergezeld door mevrouw [naam], verschenen en heeft het woord gevoerd. Namens de zorgaanbieder zijn ter zitting verschenen: de heer [naam], psycholoog, mevrouw [naam], hoofd behandelzaken, en mevrouw [naam], jurist.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft het stopzetten van de behandeling van de cliënt en het niet hervatten daarvan.
Standpunt van de cliënt
De cliënt stelt dat haar behandeling bij de zorgaanbieder ten onrechte is onderbroken nadat een afspraak met de behandelend psycholoog niet was doorgegaan. De behandeling is tot op heden niet hervat en er heeft geen overdracht naar een andere behandelaar of zorgaanbieder plaatsgevonden. Hierdoor is de continuïteit van zorg onvoldoende gewaarborgd. De cliënt meent dat er geen behandelinhoudelijke dan wel
zwaarwegende juridische grond bestaat om de behandeling niet voort te zetten en dat de zorgaanbieder in strijd handelt met de volgende wetsartikelen: 7:453, 7:460, 7:464 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), 2 en 10 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De cliënt heeft hierdoor schade geleden.
Deze schade bestaat uit een verergering van psychische klachten, verlies van stabiliteit, toegenomen stress en spanning, verminderd vertrouwen in de zorgverlening, belemmering van haar herstelproces en beperkingen in haar dagelijks functioneren. Daarnaast worden ook haar minderjarige kinderen geraakt door het wegvallen van haar stabiliteit en ondersteuning.
Op grond hiervan verzoekt de cliënt om toekenning van een schadevergoeding van €10.000.
De cliënt heeft op 6 oktober 2025 een klacht bij de zorgaanbieder ingediend. Omdat naar de mening van de cliënt de interne klachtafhandeling niet functioneert, en in strijd is met de artikelen 2 en 10 Wkkgz, heeft zij op 12 december 2025 een klacht bij de Geschillencommissie ingediend.
Standpunt van de zorgaanbieder
De zorgaanbieder stelt zich primair op het standpunt dat de cliënt niet-ontvankelijk is in haar klacht op grond van artikel 6 lid 1 onder a van het Reglement Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: het reglement), waarin is bepaald dat een cliënt niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn klacht indien hij zijn klacht niet eerst volgens de wet bij de zorgaanbieder heeft ingediend, tenzij van de cliënt in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht eerst bij de zorgaanbieder indient.
De klachtenprocedure van de zorgaanbieder is zodanig ingericht dat een binnengekomen klacht in eerste instantie wordt behandeld door een Klachtenfunctionaris. Indien de inzet van de Klachtenfunctionaris niet leidt tot een voor de cliënt bevredigende oplossing, kan de klacht worden voorgelegd aan de Klachtencommissie. Naar aanleiding van het advies van de Klachtencommissie geeft de raad van bestuur vervolgens een oordeel over de klacht.
De Klachtenfunctionaris heeft, nadat de cliënt de klacht had ingediend, geprobeerd een gesprek met ofwel de manager zorg ofwel een nieuwe behandelaar in te plannen met de cliënt, maar zij stond hier niet voor open. De cliënt gaf toen direct aan, zonder dit verder te onderbouwen, dat zij haar klacht zou gaan voorleggen aan de Geschillencommissie. De zorgaanbieder verwijst naar de uitspraak van de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg van 25 juni 2021 (referentiecode 53708/80471) waarin is geoordeeld dat een cliënt die de klachtenprocedure van de zorgaanbieder niet volledig heeft doorlopen en een klacht voorlegt aan de Geschillencommissie, wel voldoende moet onderbouwen waarom deze procedure niet is gevolgd. Nergens uit de stukken is terug te halen waarom de cliënt haar klacht niet heeft voorgelegd aan de Klachtencommissie. Daarom moet volgens de zorgaanbieder de cliënt niet-ontvankelijk worden verklaard in haar klacht.
Subsidiair stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. De cliënt heeft een beroep gedaan op de wetsartikelen 7:453, 7:460, 7:464 BW en 2 en 10 Wkkgz en 8 EVRM, zonder dat zij concreet heeft gemaakt waarom deze wetsbepalingen naar voren zijn gebracht. Met betrekking tot de klacht stelt de zorgaanbieder voorop dat de behandelingsovereenkomst met de cliënt niet door de instelling is beëindigd. Evenmin is het de intentie van de betrokken behandelaren geweest om de behandeling te beëindigen. Integendeel, vanuit de zijde van de zorgaanbieder zijn meerdere pogingen ondernomen om met de cliënt in gesprek te gaan teneinde de behandeling voort te zetten. Vanwege de verstoorde behandelrelatie werd het echter noodzakelijk geacht eerst een herstelgesprek te voeren. Dit is uitvoerig aan de cliënt toegelicht, waarbij herhaaldelijk is geprobeerd een afspraak met haar te maken om hierover in gesprek te gaan. Ondanks deze inspanningen bleek de cliënt hiertoe niet bereid. Voorts is de cliënt de mogelijkheid geboden om in gesprek te gaan met de manager zorg dan wel de behandeling voort te zetten bij een andere behandelaar. Ook voor deze voorgestelde oplossingen heeft de cliënt geen bereidheid getoond. De hierdoor ontstane onderbreking in de behandeling kan dan ook niet aan de zorgaanbieder worden toegerekend. De zorgaanbieder is dan ook van mening dat zorgvuldig is gehandeld en dat geen sprake is van handelen in strijd met de norm van goed hulpverlenerschap of van handelen dat niet voldoet aan de eisen van goede zorg. Van onrechtmatig handelen van de zorgaanbieder dan wel toerekenbaarheid van de schade aan de zorgaanbieder en causaal verband tussen het handelen en de schade, is geen sprake. De door de cliënt gevorderde schadevergoeding kan niet aan de zorgaanbieder worden toegerekend en dient reeds om die reden te worden afgewezen.
Beoordeling van het geschil
Voordat de commissie toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht, dient zij te beoordelen of de cliënt in haar klacht kan worden ontvangen.
De commissie stelt vast dat de zorgaanbieder bij brief van 4 december 2025 aan de cliënt heeft bericht het te betreuren dat geen prijs wordt gesteld op een gesprek met de Klachtenfunctionaris en dat – nu de cliënt heeft aangegeven een oordeel te wensen van de Geschillencommissie – de klachtenprocedure zal worden afgesloten.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 6 lid 1 onder a van het reglement verklaart de commissie de cliënt op verzoek van de zorgaanbieder, gedaan bij eerste gelegenheid, niet-ontvankelijk in haar klacht indien zij haar klacht niet eerst volgens de wet bij de zorgaanbieder heeft ingediend, tenzij van haar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij onder de gegeven omstandigheden haar klacht eerst bij de zorgaanbieder indient. Met ‘de wet’ wordt gedoeld op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (artikel 1 van het reglement). Voor zover voorwaarden van toepassing zijn die in voor de cliënt ongunstige zin afwijken van de Wkkgz, laat de commissie die op grond van artikel 6 lid 3 van het reglement buiten beschouwing.
De Wkkgz verlangt van de cliënt dat zij haar klacht bij de zorgaanbieder indient. De zorgaanbieder dient de cliënt vervolgens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na indiening van de klacht, schriftelijk en met redenen omkleed mee te delen tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid (artikel 17 lid 1 Wkkgz). Die termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd, mits de zorgaanbieder daarvan vóór het verstrijken van de termijn schriftelijk mededeling doet (artikel 17 lid 2 Wkkgz). Het inschakelen van de klachtenfunctionaris geschiedt op verzoek van de klager (artikel 15 lid 1 Wkkgz); de wet verplicht de cliënt evenmin om haar klacht ter advisering aan een interne klachtencommissie voor te leggen. De cliënt kan het geschil aan de commissie voorleggen indien de zorgaanbieder in strijd met de wettelijke regels over de klachtbehandeling heeft gehandeld of indien diens oordeel haar klacht naar haar oordeel in onvoldoende mate wegneemt (artikel 21 lid 1, onder a en b, Wkkgz).
De cliënt heeft haar klacht op 6 oktober 2025 bij de zorgaanbieder ingediend. Daarmee heeft zij haar klacht volgens de wet bij de zorgaanbieder ingediend. Niet is gesteld of gebleken dat de zorgaanbieder de cliënt binnen de termijn van artikel 17 Wkkgz een schriftelijk en met redenen omkleed oordeel over de klacht heeft doen toekomen. In plaats daarvan heeft de zorgaanbieder de klachtenprocedure bij brief van
4 december 2025 afgesloten, nadat de cliënt een gesprek met de Klachtenfunctionaris had afgewezen en had aangegeven een oordeel van de commissie te wensen. Dat de cliënt niet op het aangeboden gesprek is ingegaan en de klacht niet aan de interne Klachtencommissie heeft voorgelegd, kan haar in die situatie niet worden tegengeworpen. Van de cliënt verlangen dat zij die interne stappen eerst doorloopt, zou neerkomen op het stellen van een voorwaarde die in voor haar ongunstige zin afwijkt van de Wkkgz en die de commissie op grond van artikel 6 lid 3 van het reglement buiten beschouwing laat.
De door de zorgaanbieder aangehaalde uitspraak van de commissie van 25 juni 2021 (referentiecode 53708/80471) leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak had de cliënte haar klacht bij de zorgaanbieder ingetrokken, zodat de klacht niet door de zorgaanbieder was behandeld en beoordeeld. Daarvan is hier geen sprake: de cliënt heeft haar klacht gehandhaafd en het is de zorgaanbieder die de klachtbehandeling heeft beëindigd.
Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt daarom verworpen. De commissie komt toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.
De klacht
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat haar behandeling ten onrechte is onderbroken en niet is hervat, en dat geen overdracht naar een andere behandelaar of zorgaanbieder heeft plaatsgevonden. De commissie stelt voorop dat de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen (artikel 7:453 BW) en dat hij de behandelingsovereenkomst, behoudens gewichtige redenen, niet kan opzeggen (artikel 7:460 BW).
Vast staat dat de zorgaanbieder de behandelingsovereenkomst niet heeft opgezegd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zorgaanbieder, nadat de behandelrelatie verstoord was geraakt, de cliënt herhaaldelijk een herstelgesprek heeft aangeboden en haar daarnaast de mogelijkheid heeft geboden van een gesprek met de manager zorg dan wel voortzetting van de behandeling bij een andere behandelaar. De cliënt heeft dit niet gemotiveerd betwist. Dat de behandeling sindsdien niet is hervat, is het gevolg van de omstandigheid dat de cliënt op deze aanbiedingen niet is ingegaan, en kan de zorgaanbieder niet worden verweten. Het voeren van een herstelgesprek voorafgaand aan het voortzetten van de behandeling na een verstoring van de behandelrelatie acht de commissie een begrijpelijke en zorgvuldige werkwijze. Van strijd met de norm van goed hulpverlenerschap of met de verplichting om goede zorg te verlenen (artikel 2 Wkkgz) is daarom niet gebleken. De cliënt heeft niet geconcretiseerd waarom de overige door haar aangehaalde bepalingen, waaronder artikel 8 EVRM, tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De klacht is ongegrond.
Nu niet is gebleken van een tekortkoming van de zorgaanbieder, komt de commissie niet toe aan de vraag of de cliënt schade heeft geleden. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.
Hoewel de klacht ongegrond is, is de commissie van oordeel dat het geschil op goede gronden aan haar is voorgelegd, nu de zorgaanbieder de klachtbehandeling heeft afgesloten zonder een oordeel als bedoeld in artikel 17 Wkkgz. Op grond van artikel 21 lid 2 in verbinding met lid 1 onder a van het reglement dient de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld aan haar te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond;
– wijst het verzoek tot schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 52,50 aan haar dient te vergoeden.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, mevrouw drs. F. Zwanepol, mevrouw E.M. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Land Smorenburg, secretaris, op 14 september 2026.