Commissie: Energie
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
223359/232718
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De klager vond dat zijn energierekening over het jaar van 4 februari 2022 tot 4 februari 2023 niet klopte. Volgens hem had de energieleverancier de stroom die hij had afgenomen en teruggeleverd niet goed met elkaar verrekend. De leverancier had de afrekening namelijk in twee delen gedaan: één deel met vaste tarieven en één deel met variabele tarieven, zonder eerst het totale verbruik en de teruglevering over het hele jaar tegen elkaar weg te strepen. De klager kreeg daardoor een te hoge rekening. De Geschillencommissie is het met de klager eens en vindt dat de leverancier de wet niet goed heeft toegepast. De leverancier moet de jaarrekening corrigeren en het bedrag dat de klager te veel heeft betaald terugbetalen. Ook moet de leverancier € 181,50 klachtengeld aan de klager vergoeden. De klacht is gegrond.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een tussen klager en de ondernemer tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van energie (elektriciteit en gas) tegen een daarvoor door de klager te betalen prijs. Meer in het bijzonder betreft het geschil de wijze van saldering van afgenomen en teruggeleverde elektriciteit. De klager heeft op 14 maart 2023 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de klager
Het standpunt van klager luidt in hoofdzaak als volgt.
De jaarafrekening voor de periode van 4 februari 2022 tot 4 februari 2023 is niet correct. Er is in twee delen afgerekend en niet eerst gesaldeerd: een eerste periode t/m 31 december 2022 (onder vast contract) en een tweede periode van 1 januari 2023 tot 4 februari 2023 (variabele tarieven). Klager meent dat dit niet juist is, waardoor hij een veel te hoge factuur heeft ontvangen.
De klager verlangt dat eerst wordt gesaldeerd over het complete jaar (van 4 februari tot 4 februari) en dan de teruggeleverde elektriciteit wordt afgerekend.
Standpunt van de ondernemer
Van de ondernemer werd geen schriftelijk verweer ontvangen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Hetgeen door de klager is aangevoerd is door de ondernemer niet weersproken. Het door klager verlangde komt de commissie niet ongegrond of onredelijk voor.
Artikel 31c, lid 1 van de Elektriciteitswet 1998 luidt als volgt:
“Voor afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, die duurzame elektriciteit invoeden op het net, berekent de leverancier het verbruik ten behoeve van de facturering en inning van de leveringskosten door de aan het net onttrokken elektriciteit te verminderen met de op het net ingevoede elektriciteit, waarbij de vermindering maximaal de hoeveelheid aan het net onttrokken elektriciteit bedraagt.”
Regel is dus dat de ondernemer voor het te factureren verbruik eerst vaststelt welke hoeveelheid elektriciteit de klager heeft afgenomen en dan welke hoeveelheid elektriciteit de consument heeft teruggeleverd. Het saldo van die twee levert het verbruik op ten behoeve van de facturering. Een en ander dient in beginsel te geschieden op jaarbasis.
De discussie in dit geschil betreft de factuur over de periode van 4 februari 2022 tot 4 februari 2023. Uit de specificatie van deze jaarafrekening blijkt dat de klager gedurende deze hele periode elektriciteit heeft afgenomen, maar tot en met december 2022 op grond van een driejarig contract met vaste tarieven. Vanaf 1 januari 2023 heeft de klager een contract met variabele tarieven. De ondernemer heeft bij het opstellen van de jaarafrekening voor beide contracten apart gesaldeerd. Dat is in strijd met de nog steeds gangbare (salderings)regel dat het verbruik op jaarbasis moet worden vastgesteld door het totaal jaarverbruik te verminderen met het totaal van de ingevoede elektriciteit.
In totaal heeft de klager 9.340 kWh afgenomen tegen het normaal tarief en 13.534 tegen het daltarief. Gedurende de normaalperiode heeft klager 13.729 kWh ingevoed en gedurende de dalperiode 9.349 kWh. In totaal is dus 22.874 kWh afgenomen en 23.078 kWh ingevoed. Het (negatieve) saldo van 204 kWh dient te worden afgerekend tegen het teruglevertarief (of de tarieven) dat/die in het betreffende jaar van toepassing was/waren. Dat kan op verschillende manieren.
Vanuit de wetgever of de ACM zijn hiervoor – voor zover de commissie bekend – geen richtlijnen gegeven. Hoewel het niet onredelijk lijkt om per tariefperiode (normaal/dal) de levering en teruglevering in die perioden apart af te rekenen tegen de door de ondernemer gehanteerde lever- en teruglevertarieven, is dit niet wat naar het oordeel van de commissie de gedachte achter de salderingsregeling is, dat de teruglevertarieven worden gehanteerd als in een periode van een jaar in totaal meer wordt teruggeleverd dan door de ondernemer geleverd wordt.
De commissie is derhalve van oordeel dat uit de jaarnota niet blijkt dat de ondernemer de salderingsregeling deugdelijk is nagekomen. De nota geeft geen blijk van een juiste wijze van salderen, namelijk eerst verbruik en teruglevering over een heel jaar van elkaar aftrekken en dan de resterende kWh’s in rekening brengen als aan de ondernemer of klager verschuldigde vergoeding, zoals de wet voorschrijft.
De commissie is van oordeel dat terecht wordt geklaagd over de wijze waarop de jaarrekening over de periode van 4 februari 2022 tot 4 februari 2023 tot stand is gekomen. De ondernemer dient deze te corrigeren door toepassing van de juiste salderingsmethodiek, waarna de consument gecrediteerd dient te worden voor hetgeen hij na correctie te veel blijkt te hebben betaald. De klacht is dus gegrond. Beslist wordt dan ook als hierna vermeld.
Beslissing
De ondernemer dient de jaarrekening over de periode 4 februari 2022 tot 4 februari 2023 te corrigeren door toepassing van een saldering overeenkomstig het bepaalde in artikel 31c, lid 1 Elektriciteitswet, inhoudende dat hetgeen over de factuurperiode is ingevoed wordt afgetrokken van hetgeen gedurende de factuurperiode is afgenomen, waarna voor het negatief saldo conform de voor de verschillende contractvormen geldende voorwaarden een terugleververgoeding wordt vastgesteld en voldaan.
Een en ander dient te geschieden binnen vier weken na verzending van deze beslissing.
Indien een en ander door handelen of nalaten van de ondernemer niet binnen de gestelde termijn is geschied, kan de klager zich weer tot de commissie wenden zonder opnieuw klachtengeld te betalen.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 181,50 aan de klager te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten van het geschil verschuldigd.
Aldus beslist op 12 februari 2024 door de Geschillencommissie Energie voor de zakelijke markt, bestaande uit mr. R.J.M. Cremers, voorzitter, en mr. Sj.S. Bakker en mr. C.J.J. Havermans, leden.