Commissie: Installerende bedrijven
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
980178/1041855
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument betwistte een factuur van € 2.941,51 voor loodgieterswerkzaamheden in haar badkamer, met name het uurloon van de hulpmonteur en de materiaalkosten. De ondernemer voerde aan dat de werkzaamheden in regie zijn uitgevoerd en dat de werkbon door de consument is ondertekend. De Geschillencommissie Installerende Bedrijven oordeelde dat de uren en kosten niet onredelijk zijn, gezien de locatie en de aard van het werk. De klacht werd ongegrond verklaard. Van het depotbedrag werd € 244,42 aan de consument en € 2.697,09 aan de ondernemer toegekend.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft een overeenkomst van opdracht tot het verrichten van loodgieterswerkzaamheden in de badkamer van de woning van de consument, welke werkzaamheden op 6 en 7 februari 2025 zijn uitgevoerd.
De consument heeft een bedrag van € 2.941,51 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De klacht van de consument betreft de hoogte van het bij factuur van 11 februari 2025 in rekening gebrachte bedrag van € 2.941,51, in het bijzonder het daarin opgenomen uurloon voor de hulpmonteur
(€ 792,– exclusief btw) en het bedrag wegens materiaalkosten (€ 480,– exclusief btw). De bijdrage van de hulpmonteur aan het uitgevoerde werk acht de consument te verwaarlozen en de hoogte van de materiaalkosten acht zij disproportioneel in verhouding tot de werkelijk gebruikte materialen voor de kleine badkamer. Zij verzoekt creditering van tien uren die voor de hulpmonteur in rekening zijn gebracht en matiging van de materiaalkosten.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De werkzaamheden zijn in regie uitgevoerd, nadat de consument te kennen had gegeven een prijsopgave vooraf niet nodig te achten. De werkbon die na voltooiing van het werk door de consument voor akkoord is ondertekend vermeldt 12,75 gewerkte uren voor de monteur en voor de hulpmonteur. In rekening zijn gebracht 12 uren voor beiden. De hulpmonteur heeft de monteur geassisteerd bij het passend maken en aanreiken van de materialen, alsook bij het ophalen van benodigde materialen. De gebruikte materialen zijn gespecificeerd en de daarvoor in rekening gebrachte kosten gebruikelijk. De ondernemer heeft voorafgaande aan de indiening van de klacht aangeboden de in rekening gebrachte bedragen voor twee uren van de hulpmonteur alsook de voorrijkosten te crediteren, maar dat aanbod is niet geaccepteerd.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De consument heeft afgezien van een opname van het werk en van een prijsopgave voorafgaande aan de uitvoering van het werk, zodat achteraf beoordeeld dient te worden in hoeverre de achteraf in rekening gebrachte kosten als redelijk zijn aan te merken. Het aantal in rekening gebrachte werkuren voor de monteur en de hulpmonteur is in overeenstemming met de opgave daarvan in de door de consument voor akkoord ondertekende werkbon, zodat de commissie daarvan dient uit te gaan. De ondernemer heeft dat urenaantal bij factuur naar beneden afgerond tot 12 uren voor beide monteurs. De in rekening gebrachte uurlonen zijn aan de hoge kant maar niet ongebruikelijk in [stad], waar het werk is uitgevoerd. Voor werkzaamheden als deze is het niet ongebruikelijk dat een monteur wordt geassisteerd door een hulpmonteur, ook voor het ophalen van extra materialen die tijdens het werk nodig blijken. De commissie acht onvoldoende aangetoond dat de bijdrage van de hulpmonteur deels of geheel misbaar ware geweest voor dit specifieke werk, zoals de consument stelt, zodat haar stelling in deze gepasseerd dient worden. Voor de gespecificeerde lijst van gebruikte materialen komt het in rekening gebrachte bedrag niet onredelijk voor.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Daarom wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
€ 244,42 voor de consument en € 2.697,09 voor de ondernemer.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Installerende Bedrijven, bestaande uit de heer mr. R.J. van Boven, voorzitter, de heer drs. H.H.F.M. van den Oever, mevrouw mr. W. van den Berg, leden, op 18 juni 2025.