Commissie: Energie
Categorie: Meterstanden
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
228218/240283
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument had bij het aangaan van haar energiecontract geen beginmeterstand doorgegeven. Daardoor werd het verbruik voor de jaarnota 2021/2022 geschat op 11.479 m³. Later gaf zij alsnog meterstanden door, waarop de ondernemer het verbruik corrigeerde naar 6.747 m³. De commissie oordeelt dat de klacht deels gegrond is: de ondernemer mag de jaarnota herzien, maar omdat de consument zelf tekort is geschoten in het doorgeven van de beginstand, krijgt zij slechts de helft van het financiële voordeel. De verjaring wordt afgewezen. De consument ontvangt € 2.926,25 uit het depotbedrag, inclusief de helft van het klachtengeld. De rest gaat naar de ondernemer.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument is een overeenkomst met de ondernemer aangegaan zonder opgave van de beginmeterstand. Die beginstand kan alsnog berekend worden. De commissie verwerpt het beroep op verjaring. Zij is van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid vereisen dat de jaarnota herzien wordt, doch dat het daaruit voortvloeiende voordeel voor de consument haar slechts voor de helft toekomt. Dat laatste is ingegeven door de tekortkoming van de consument ten aanzien van de opgave van de beginmeterstand.
Beoordeling
Het gaat in dit geschil om de jaarrekening over de periode 10 september 2021 (aanvang van de overeenkomst tussen partijen) tot 10 september 2022. Hoewel de ondernemer driemaal gevraagd had om beginmeterstanden gas zijn die hem niet verstrekt. Hij heeft toen op basis van historische meterstanden als opgegeven door de netbeheerder de meterstand bepaald (39.865). De “oude” leverancier is van diezelfde bepaling uitgegaan. Dat leidde voor de jaarrekening 2021/2022 tot een verbruik van 11.479 m³. Eerst op 21 maart 2023 heeft de consument een meterstand per 18 oktober 2020 (49.903) en per 27 maart 2023 (51.868) doorgegeven. Door een medewerker van de ondernemer is om onbekende reden op 27 juli 2023 de beginmeterstand gecorrigeerd in 44.702, waardoor het verbruik teruggebracht is tot 6.747 m³. Ter zitting lichtte de consument nog toe dat alle problemen zijn ontstaan voordat zij de woning betrok: de huiseigenaar had aan de toenmalige energieleverancier, meterstanden van een ander adres opgegeven. Ook de toenmalige energieleverancier opvolgende leverancier, is van die verkeerde meterstanden uitgegaan. Opvolgende leverancier was de voorganger van de ondernemer. Door de correctie van de ondernemer in 2023 is ook de rekening van opvolgende leverancier herzien. De consument is nog in discussie met toenmalige energieleverancier en opvolgende leverancier. De ondernemer betoogt dat hij met de correctienota van 27 juli 2023 kennelijk de consument halverwege tegemoet is gekomen. Verder is haar klacht verjaard.
De commissie wijst de verjaring af. De consument kon de beginmeterstand eerst bemerken toen zij de jaarrekening 2021/2022 kort na september 2022 ontving. Sedert die tijd is de verjaringstermijn van twee jaar niet verlopen. De ondernemer heeft nog betoogd dat door een eventuele correctie van de beginmeterstand hij verlies lijdt, omdat hij zijn inkoop op verwacht verbruik gebaseerd heeft. Dat moge voor zijn algehele inkoop juist zijn, maar zegt niets over een mogelijk verlies dat hij bij correctie van deze consument lijdt. Dat betoog wijst de commissie dan ook af.
Wat resteert is dat de beginmeterstand herrekend zou kunnen worden op basis van de onweersproken meterstanden van 18 oktober 2020 en 27 maart 2023. Daartegenover staat dat de consument tekortgeschoten is in de opgave van de meterstanden, hoewel de ondernemer zijn best gedaan heeft die bij haar te achterhalen. De ondernemer is daarna op de juiste wijze te werk gegaan door zich te baseren op historisch verbruik als opgegeven door de netbeheerder. De commissie is van oordeel, het hiervoor overwogene in aanmerking nemend, dat de redelijkheid en billijkheid vereisen dat de ondernemer een nieuwe beginmeterstand vaststelt op basis van de vaststaande meterstanden als hiervoor vermeld en de jaarrekening 2021/2022 dienovereenkomstig corrigeert. Daaruit vloeit een voordeel voor de consument uit voort in vergelijking met de jaarnota van 27 juli 2023. Dat voordeel komt haar slechts voor de helft toe, nu zij tekortgeschoten is in de toezending van de beginmeterstand.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht deels gegrond is. In die situatie dient de ondernemer het klachtengeld voor de helft aan de consument te vergoeden.
De commissie gaat ervan uit dat als gevolg van de herziene jaarnota globaal berekend een bedrag van € 2.900,– aan de consument toekomt. Dat zal zij uit het depotbedrag aan de consument toewijzen. Het restant gaat naar de ondernemer. Met die bedragen wordt ook het hiervoor overwogen klachtengeld verrekend. De commissie gaat ervan uit dat na vaststelling van de herziening partijen de uitkomst daarvan exact onderling zullen afrekenen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer dient de jaarnota 2021/2022 te herzien langs de lijnen als hiervoor uiteengezet, in het bijzonder de beginmeterstand. Het uit die herziening voortvloeiende verschil met de aan de consument gepresenteerde jaarrekening d.d. 27 juli 2023 komt haar voor de helft toe.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een deel van het klachtengeld aan de consument te vergoeden, namelijk de helft van € 52,50. Dat bedrag wordt verrekend met na te noemen depotbedrag.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Aan de ondernemer wordt uitgekeerd een bedrag van € 2.633,51 (€ 2.659,76 – 1/2x€ 52,50) en aan de consument € 2.926,25 (€ 2.900,– + 1/2x€ 52,50).
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard en de heer mr. B.W. Weilers, leden, op 28 maart 2024.