Commissie: Garantiewoningen
Categorie: (non)conformiteit
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: arbitraal vonnis
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
214686/228845
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument diende een klacht in tegen de bouwer van haar woning over twee punten: de verwarming werkte niet goed en de houten berging had vochtproblemen. Ze wilde dat de ondernemer de gebreken zou herstellen en een schadevergoeding zou betalen. De commissie liet twee deskundigen onderzoek doen. Bij de verwarming bleek dat de temperatuur in sommige kamers niet werd gehaald door een verkeerde instelling van de warmtepomp. Na aanpassing werkte het systeem weer goed en sindsdien zijn er geen klachten meer gemeld. De commissie vond dat de verwarming voldoet aan de afgesproken eisen. Bij de berging was er eerder sprake van scheuren in de vloer, maar die zijn hersteld. De deskundige zag geen technische gebreken en geen plasvorming. De commissie oordeelde dat de berging voldoet aan de normen en dat de klachten van de consument niet voldoende zijn onderbouwd. Daarom zijn beide klachten ongegrond verklaard en krijgt de consument geen schadevergoeding. Ook hoeft zij geen proceskosten te betalen.
De volledige uitspraak
Ondergetekenden:
De heer mr. P.L. Alers, de heer ing. J.J. van den Engel, mevrouw mr. C. Muller, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.
Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage
De bevoegdheid van de arbiters tot beslechting van het geschil berust op een overeenkomst tot arbitrage tussen de ondernemer en de consument, met toepasselijkheid van de SWK Garantie- en waarborgregeling, versie 1 januari 2014 en de daarbij behorende modules I.E en II.P (hierna te noemen: de garantieregeling). Hierin wordt bepaald dat “alle geschillen …, welke ontstaan naar aanleiding van de koop-/ aannemingsovereenkomst met toepasselijkheid van de Garantie- en Waarborgregeling van SWK of daaruit voortvloeiende overeenkomsten die betrekking hebben op de koop-/ aannemingsovereenkomst worden beslecht door arbitrage conform het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Garantiewoningen”.
Daarmee is voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De arbiters zijn daarom bevoegd om het geschil te beslechten. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 16 lid 1 van het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Garantiewoningen (hierna te noemen: het reglement) te beslissen als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen geldende voorwaarden.
Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld met als zittingsplaats Utrecht.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de werking van de verwarmingsinstallatie en de kwaliteit van de houten berging.
Behandeling van het geschil
Op 18 juli 2024 heeft te Utrecht de mondelinge behandeling van het geschil plaatsgevonden ten overstaan van de arbiters, bijgestaan door mr. L.G.H. Cox als secretaris.
De consument is niet ter zitting verschenen, hoewel zij daarvoor tijdig en behoorlijk was opgeroepen. De ondernemer werd ter zitting vertegenwoordigd door (naam vertegenwoordiger) projectcoördinator klantenservice, bijgestaan door (naam) bedrijfsjurist. De ondernemer heeft zijn standpunt nader toegelicht.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De verwarming
De consument is van mening dat de ondernemer toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de koop-/ aannemingsovereenkomst. Specifiek ten aanzien van de verwarming heeft de ondernemer gegarandeerd dat de door hem geleverde installatie is berekend volgens de eisen van SWK en dat de vertrektemperaturen zoals in de technische omschrijving genoemd, bereikt en behouden kunnen worden bij een gelijktijdige verwarming van alle vertrekken, bij gesloten ramen en deuren en een in correcte werking zijnde balansventilatie.
De consument heeft geconstateerd dat de vertrektemperaturen, die in de technische omschrijving zijn genoemd, niet werden bereikt en behouden, in het bijzonder niet in de slaapkamers, die zij ook in gebruik heeft als werk-, studie- en speelkamer voor haarzelf en haar kinderen.
De consument heeft hierover bij de ondernemer geklaagd en hem meermalen gesommeerd de klachten met betrekking tot de verwarming(s-installatie) naar behoren en afdoende te verhelpen.
De ondernemer heeft hierop meerdere pogingen ondernomen om de klachten van de consument op dit punt te verhelpen. Zo is de onderaannemer op 18 januari 2021, 13 april 2021, 12 januari 2022, 14 februari 2023 en 23 februari 2023 bij de consument langs geweest, telkens om de instellingen en/of verdelers opnieuw in te regelen en/of in stellen. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.
Ook heeft de ondernemer de aanvankelijk aangebrachte “master-slave”- regeling vervangen door een “master-master”-regeling, zodat per kamer de temperatuur kon worden geregeld. Deze ‘oplossing’ is niet afdoende gebleken; de gebreken zijn niet naar behoren opgelost.
In de loop der tijd is de oorspronkelijke klacht verergerd van het niet behalen van de temperatuur van 20°C naar een compleet niet-werkend warmtesysteem. Doordat het systeem meerdere malen per dag uitviel, werd de woning niet verwarmd en was er ook geen warm water.
De consument wil dat het gebrek wordt hersteld en zij wil een redelijke schadevergoeding voor de hoge stookkosten die zij heeft moeten maken als gevolg van het gebrek.
De consument vordert dat bij arbitraal vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de ondernemer wordt veroordeeld:
‒ Tot zodanig herstel van het gebrek dat sprake is van goed en deugdelijk werk en wel binnen één maand na betekening van het te wijzen vonnis en op straffe van een dwangsom van € 100,– per dag voor iedere dag dat de ondernemer geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 5.000, –;
‒ Tot betaling van een door de arbiters vast te stellen redelijke schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juni 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
‒ Tot betaling van de kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten die optreden indien de ondernemer niet tijdig aan het vonnis zal voldoen.
De berging
De vloer van de berging vertoont nog altijd scheurvorming en bouwvocht ondanks het feit dat de ondernemer een aantal malen getracht heeft het gebrek te verhelpen. De herstelwerkzaamheden die de ondernemer heeft uitgevoerd, zijn ook hier niet afdoende gebleken. Wanneer het dagen achter elkaar heeft geregend, is er sprake van plasvorming.
De vochtklachten begonnen met een klein stukje rondom de elektrabuis. In slechts enkele maanden tijd heeft dat kleine plekje zich verergerd tot grote vochtplekken/ plasvorming. Door langdurig optrekkend vocht is beginnend rot aan de houten balken in de berging al zichtbaar. Door het vocht is schimmel ontstaan op spullen die in de berging bewaard worden.
Het feit dat de vochtplekken zich verplaatst hebben van het midden van de berging naar de voorzijde daarvan en significant verergerd zijn, duidt erop dat er een onderliggende oorzaak c.q. gebrek is voor de steeds erger wordende lekkage in de berging. Het vocht ontstaat vanaf de vloer en sijpelt niet via de wanden naar beneden. Er is geen sprake van inwatering van de buitengevel en/ of het kozijn. De wanden zijn dan ook droog.
De consument wil dat de oorzaak van de lekkage in de berging alsnog onderzocht en vastgesteld wordt door een expert. De consument is van mening dat de ondernemer aansprakelijk is voor de lekkage en de gevolgschade en dat hij tot herstel moet overgaan.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken en naar wat de ondernemer ter zitting naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De verwarming
De woning van de consument wordt verwarmd met een warmtepomp. Die warmtepomp en de collectieve warmtebron c.a. in het betreffende bouwproject zijn eigendom van (naam eigenaar). De ondernemer heeft de consument de thermostaat, de vloerverwarming en de verdeler verkocht, maar niet de warmtepomp. De warmtepomp moet op de juiste temperatuur zijn ingesteld. De stooklijn, waarvoor (naam eigenaar) verantwoordelijk is, was te laag afgesteld. De consument weet dat zij zich bij storingen tot (naam eigenaar) moet wenden; dit staat in de kopers handleiding.
Het verwarmingssysteem was aanvankelijk uitgerust met een zogenaamde “master-slave”-regeling waarbij de thermostaat zich in de woonkamer bevond en de rest van de woning de temperatuur van deze thermostaat volgde. In januari 2021 ontving de ondernemer van de consument een klacht over de temperatuur in een slaapkamer op de tweede verdieping van haar woning. De temperatuur in die kamer zou niet de vereiste 20°C halen, zoals beschreven in de technische omschrijving behorende bij de koop-/aannemingsovereenkomst. De ondernemer is direct, samen met zijn onderaannemer (naam), op zoek gegaan naar de oorzaak van dit probleem en heeft getracht het probleem op te lossen. De herstelwerkzaamheden hebben niet tot een definitieve oplossing geleid.
De ondernemer heeft de consument vervolgens voorgesteld de “master-slave”-regeling te vervangen door een “master-master”-regeling, waarbij per kamer de temperatuur kan worden geregeld, en om een extra buffervat te plaatsen bij de warmtepomp. Partijen hebben over dit voorstel overeenstemming bereikt en op 21 september 2023 zijn de daarvoor vereiste werkzaamheden uitgevoerd. De ondernemer meent hiermee aan zijn verplichtingen te hebben voldaan. Toen de consument aangaf dat de verwarming in de hele woning niet werkte, heeft de ondernemer samen met onderaannemer de woning op 1 december 2023 bezocht. Daar is hem gebleken dat de verwarming in de woning werkte. De thermostaat in de woonkamer gaf 20.6 graden aan, de thermostaat in de betreffende slaapkamer op de tweede verdieping gaf 21.3 graden aan. De winterperiode 2023/2024 zal moeten uitwijzen of het systeem de temperatuur van 20°C in de slaapkamer bereikt. De ondernemer en (naam eigenaar) hebben sinds medio februari 2024 geen klacht meer van de consument ontvangen.
De vordering van de consument tot herstel van het gebrek ligt dan ook voor afwijzing gereed.
De consument vordert tevens schadevergoeding voor de hoge stookkosten die zij meent te hebben gehad. Het zou gaan om een bedrag van € 2.600, –. Zij laat echter na deze vordering te specificeren en desgevraagd te onderbouwen. De ondernemer betwist dan ook dat de consument de gestelde schade heeft geleden, althans dat hij daarvoor aansprakelijk is en hij verzoekt ook deze vordering af te wijzen.
Ook de gevorderde proceskostenveroordeling moet worden afgewezen. Partijen waren nog met elkaar in gesprek over een oplossing. Het aanhangig maken van deze procedure was dan ook voorbarig en daarom moeten de proceskosten voor rekening van de consument blijven. De consument dient veroordeeld te worden in de proceskosten.
De berging
De consument stelt dat er sprake is van scheurvorming en vochtplekken in de vloer van de berging. De ondernemer betwist deze stelling. Het betreft een ongeïsoleerde houten buitenberging. Van plasvorming is geen sprake en de berging vertoont ook geen lekkage die houtrot veroorzaakt. In de zomer van 2023 is in de berging een nieuwe gietvloer aangebracht. Op 1 december 2023 heeft de ondernemer de vloer opnieuw geïnspecteerd. Er is sprake van verkleuring van de egalinevloer, maar van een gebrek aan de vloer is geen sprake. De berging heeft voldoende ventilatie. De ondernemer is van mening dat ook deze vordering moet worden afgewezen en dat de consument veroordeeld moet worden in de kosten van deze procedure.
Deskundigenrapport
De commissie heeft twee onderzoeken laten uitvoeren. Ten aanzien van de klacht over het niet bereiken van de gegarandeerde vertrektemperaturen door de heer J.G. Marcus, en ten aanzien van de klacht over de berging door de heer E.G. Spruitenburg. De heer Marcus heeft over zijn onderzoek op 25 maart 2024 schriftelijk aan de commissie gerapporteerd en de heer Spruitenburg heeft dat over zijn onderzoek gedaan op 12 februari 2024.
De inhoud van deze rapporten geldt ‒ voor zover hierna niet aangehaald ‒ als hier herhaald en ingelast.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op beide rapporten. De consument heeft op beide rapporten gereageerd. De ondernemer heeft op geen van de rapporten gereageerd.
Uitgangspunten
Voor de beoordeling van het geschil nemen de arbiters ‒ naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde en met inachtneming van de inhoud van de overgelegde stukken ‒ het volgende als uitgangspunt.
In de op 29 augustus 2019 tussen partijen gesloten koop-/ aannemingsovereenkomst heeft de ondernemer zich jegens de consument onder meer verbonden de woning (af) te bouwen conform de betreffende, tot die overeenkomst behorende technische omschrijving en tekening(en) en ‒ voor zover aanwezig ‒ staten van wijzigingen, zulks naar de eis van goed en deugdelijk werk en met inachtneming van de voorschriften van overheid en nutsbedrijven. De woning is op 23 september 2020 opgeleverd.
Ook is op genoemde koop-/ aannemingsovereenkomst eerdergenoemde garantieregeling van toepassing verklaard. Op grond van de van toepassing zijnde artikelen van de garantieregeling heeft de ondernemer aan de consument gegarandeerd dat de toegepaste constructies, materialen, onderdelen en installaties onder redelijkerwijs te voorziene externe omstandigheden deugdelijk zijn en bruikbaar voor het doel waarvoor zij zijn bestemd, een en ander voor zover ter zake geen beperkingen zijn opgenomen. Op grond hiervan heeft de ondernemer tevens gegarandeerd dat de woning voldoet aan de toepasselijke eisen voor nieuwbouw gesteld in het Bouwbesluit dat van toepassing is op de verkregen omgevingsvergunning (deelactiviteit bouwen). Deze normen worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de garantienormen.
Beoordeling van het geschil
1.
Op grond van artikel 16 lid 2 sub g van het reglement bevat het arbitrale vonnis, naast de beslissing, in elk geval de vaststelling welk gedeelte van het arbitrale vonnis betrekking heeft op die onderdelen van het geschil die vallen onder de SWK Garantie- en Waarborgregeling en welk gedeelte van het vonnis betrekking heeft op die onderdelen van het geschil die geen betrekking hebben op de SWK Garantie- en Waarborgregeling.
De arbiters overwegen als volgt.
2. De verwarming
Uit het rapport van de deskundige Marcus blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende.
Bij de huidige “master-master”-regeling kunnen de verblijfsruimten per vertrek geregeld worden. De warmtepomp zal aangestuurd worden op het moment dat enig vertrek warmte vraagt. Als de warmtepomp wordt ingeschakeld zal deze de watertemperatuur naar de installatie verwarmen op basis van een zogenaamde stooklijn. Dat wil zeggen hoe kouder het buiten is, hoe hoger de watertemperatuur.
De deskundige heeft tijdens zijn onderzoek de instellingen van de warmtepomp gecontroleerd. Afgezien van enkele minder belangrijke instellingen is hierbij met name gebleken dat de stooklijn van de warmtepomp te laag stond afgesteld. De vloerverwarmingsinstallatie is berekend met een aanvoer- en retourwatertemperatuur van respectievelijk 40 en 30°C. De warmtepomp stond echter afgesteld op een aanvoertemperatuur van 30°C bij -10°C buiten. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is dat de oorzaak van de klacht dat enkele ruimten niet de gegarandeerde temperatuur bereikten.
Tijdens het onderzoek is de stooklijn verhoogd naar 42°C bij -10°C buiten. De 2°C hogere instelling is vanwege het eventuele leidingverlies van de warmtepomp naar de verdelers. De deskundige heeft het legplan van de vloerverwarming in alle vertrekken bekeken en heeft daaraan geen gebreken geconstateerd.
De deskundige heeft vastgesteld dat als de warmtepomp voldoende flow en temperatuur levert, de installatie in staat is om de gegarandeerde temperaturen te behalen en te behouden. Dat dit in het verleden niet het geval was, vindt zijn oorzaak in enerzijds de regeling en anderzijds de te laag ingestelde stooklijn.
Volgens de deskundige Marcus moet vastgesteld worden dat de woningverwarmingsinstallatie voldoet aan de eisen als gesteld in de Garantie- en Waarborgregeling van SWK en de module II.P.
3. De houten berging
Uit het rapport van de deskundige Spruitenburg blijkt –zakelijk weergegeven – het volgende.
In de achtertuin van de woning is tegen de achtererfgrens een houten berging gesitueerd die met de berging van de naastgelegen woning is geschakeld. De berging heeft een vloeroppervlakte van circa 2 x 3 meter. De twee tegenover elkaar liggende wanden van de berging zijn van de vereiste ventilatieopeningen voorzien. De berging is op een onderheide prefab betonnen vloerplaat met “vorstrand” geplaatst. In die vloer waren kort na de eerste oplevering van de woning scheuren ontstaan. De ondernemer heeft de scheuren in september 2022 uitgeslepen c.q. uitgehakt en met een kunstharsmortel gerepareerd. Voor de afwerking is op de gerepareerde vloer een egaline-laag aangebracht, die volgens de ondernemer door een applicatiefout is gaan onthechten en scheuren. De ondernemer heeft de gescheurde egaline-laag geheel verwijderd en in juli 2023 een primerlaag oftewel een hechtlaag met een nieuwe egaline-laag aangebracht.
Tijdens het technisch onderzoek heeft de ondernemer foto’s getoond van de scheuren in de prefab betonnen plaat. De scheuren lopen in verschillende richtingen en bevinden zich op verschillende locaties in de vloer. Aan dit scheurpatroon is zichtbaar dat de scheuren een gevolg zijn van drogings- of verhardingskrimp van het materiaal gewapend beton. Krimp is een verschijnsel met een eindigend karakter. Voor de onderhavige vloerplaat mag worden aangenomen dat praktisch gesproken de eindwaarde in 2024 is bereikt. Tijdens zijn onderzoek op 7 februari 2024 heeft de deskundige geen onthechtingen van de egaline-laag en ook geen scheuren in de vloer geconstateerd. Nu geen technische onvolkomenheden aan de vloer waarneembaar zijn, mag worden aangenomen dat de betonvloer en de afwerklaag naar de eis van goed en deugdelijk werk zijn hersteld.
De vloer vertoont wel enkele donkere plekken c.q. verkleuringen. Nabij de beide kozijnstijlen is met een non-destructieve digitale vochtmeter vastgesteld, dat deze plekken een verhoogd vochtpercentage meten. Deze vochtplekken zijn vermoedelijk een gevolg van vochtdoorslag vanuit de wand en/of het deurkozijn. De overige donkere plekken in de vloer zijn verkleuringen als gevolg van de reparatie van de scheuren, maar laten bij meting geen verhoogd vochtpercentage zien.
In de onder hoek met de schuine schoor aan de poortzijde is op de houten onder regel een kleine vochtplek zichtbaar. Op de overige locaties van de wanden en de onderzijde van de dakconstructie zijn geen vochtsymptomen waarneembaar.
In artikel 4.32 van het Bouwbesluit is aangegeven dat de uitwendige scheidingsconstructie (vloer en buitenwanden) van een buitenberging, bepaald volgens NEN 2778, regen werend moet zijn. Dat betekent dat de uitwendige scheidingsconstructie zodanig vochtwerende eigenschappen moet hebben dat de begaanbaarheid van de vloerconstructie niet in het geding komt. Met andere worden de vloer en de wanden aan de binnenzijde mogen vochtig worden, als de vloer maar goed begaanbaar blijft. Dat zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien de wanden en/of vloer zoveel water doorlaten dat er plasvorming op de vloer ontstaat, waardoor de vloer onbegaanbaar wordt. In onderhavige situatie is daarvan geen sprake.
De deskundige Spruitenburg concludeert dat hij geen strijdigheden met de van toepassing zijnde voorschriften heeft geconstateerd.
4.
De arbiters zijn van oordeel dat de door de deskundigen uitgebrachte rapporten voldoende zijn gemotiveerd en zowel naar hun wijze van totstandkoming als naar hun inhoud in overeenstemming zijn met de eisen die daaraan kunnen en moeten worden gesteld. De arbiters achten zich door de inhoud van de rapporten voldoende voorgelicht en zij volgen het oordeel van de deskundige.
5. Het oordeel over de klacht verwarmingsinstallatie
Daarmee stellen de arbiters vast dat – anders dan de consument heeft gesteld – de verwarmingsinstallatie in haar woning is berekend volgens de eisen van SWK en dat de vertrektemperaturen zoals in de technische omschrijving genoemd en die gelijk zijn aan de vertrektemperaturen als genoemd in de eerdergenoemde module II.P, bereikt en behouden kunnen worden bij een gelijktijdige verwarming van alle vertrekken, bij gesloten ramen en deuren en een in correcte werking zijnde balansventilatie.
De consument heeft in haar reactie op het rapport van de deskundige Marcus gesteld dat ook nadat de stooklijn op 14 februari 2024 was verhoogd naar 42°C de minimale temperatuur van 20°C niet is behaald. Op 25 maart 2024 om 07:23 uur zou volgens de consument –door haar geadstrueerd met één foto – de buitentemperatuur 2,3°C zijn geweest en de binnentemperatuur 19,7°C. Meer bewijs van haar stelling, bijvoorbeeld over een langere periode en op meerdere dagen en andere tijdstippen, heeft de consument niet in het geding gebracht. Deze enkele meting vinden de arbiters onvoldoende overtuigend voor de stelling van de consument dat de verwarmingsinstallatie ook na 14 februari 2024 nog niet naar behoren functioneert. Arbiters gaan aan die stelling dan ook voorbij. Daarbij nemen de arbiters ook in aanmerking dat de ondernemer tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij en (eigenaar van de warmtepomp) sinds februari 2024 van de consument geen klachten meer hebben ontvangen. Hieruit mag redelijkerwijs worden afgeleid dat het systeem na verhoging van de stooklijn naar behoren functioneert.
6. Het oordeel over de klacht houten berging
De deskundige Spruitenburg heeft bij zijn onderzoek geen technische onvolkomenheden aan de vloer van de berging waargenomen en hij concludeert daaruit dat de betonvloer en de afwerklaag naar de eis van goed en deugdelijk werk zijn hersteld. De stelling van de consument dat er sprake zou zijn van plasvorming wanneer het dagen achter elkaar heeft geregend, is niet onderbouwd. De arbiters gaan aan deze stelling voorbij.
7. Het eindoordeel
Op grond van de voorgaande overwegingen zijn de arbiters van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de ondernemer toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koop-/ aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat zij de klachten van de consument ongegrond achten en haar vorderingen zullen afwijzen.
Toetsing aan de garantieregeling
Nu de klachten van de consument ongegrond verklaard worden, komen de arbiters niet toe aan een toetsing van de klachten aan de garantieregeling.
Proceskosten
De ondernemer heeft gevorderd, althans gesteld dat de consument moet worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Artikel 21 van het reglement van de commissie bepaalt dat de door partijen ter zake van de behandeling van het geschil gemaakte kosten, met uitzondering van het door de consument betaalde klachtengeld als de klacht van de consument geheel of gedeeltelijk gegrond wordt bevonden, voor hun eigen rekening komen, zodat de betreffende vordering zal worden afgewezen.
Beslissing
De arbiters, als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen geldende voorwaarden, beslissen als volgt:
Verklaren de klachten van de consument ongegrond;
Wijzen af hetgeen door de consument is gevorderd.
Dit arbitraal vonnis is gewezen te Den Haag op 18 juli 2024 en door de arbiters van de Geschillencommissie Garantiewoningen ondertekend, te weten De heer mr. P.L. Alers, de heer ing. J.J. van den Engel & mevrouw mr. C. Muller.