Commissie: Energie Zakelijk
Categorie: Totstandkoming overeenkomst
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
231051/242546
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument sloot in 2022 een zakelijk energiecontract af na toezeggingen over lage tarieven. Kort daarna steeg het maandbedrag onverwacht sterk. De ondernemer kon geen bewijs leveren van het verkoopgesprek en gaf geen duidelijke uitleg over de prijsstijging. De commissie oordeelt dat de consument bij het aangaan van het contract onvoldoende is geïnformeerd en dat sprake is van dwaling. Daarom wordt het contract vernietigd. De consument moet wel betalen voor de geleverde energie, maar heeft dat al gedaan. De ondernemer mag niets meer vorderen. De consument krijgt €181,50 terug voor het klachtengeld en het volledige depotbedrag van €6.072,91. De klacht is gegrond.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Het geschil betreft de wijze van totstandkoming en uitvoering van het energiecontract door het bedrijf en het op de eindafrekening van 23 juni 2023 in rekening gebrachte bedragen voor het verbruik van elektriciteit met een bij te betalen bedrag van € 5.275,84.
De verbruiker/aangeslotene heeft op 16 augustus 2022 de klacht bij de ondernemer ingediend.
Standpunt van de verbruiker/aangeslotene
Voor het standpunt van de verbruiker/aangeslotene verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De verbruiker/aangeslotene werd in 2022 door een wederverkoper van het bedrijf benaderd met een aanbod voor een nieuw energiecontract. Daarbij werd aangegeven dat het bedrijf de goedkoopste tarieven en prijzen hanteerde, die er in de markt te vinden waren. De verbruiker/aangeslotene gebruikte geen gas meer. Het ging alleen om stroom. Op basis van de keiharde toezegging dat het bedrijf de goedkoopste was is de verbruiker/aangeslotene een overeenkomst aangegaan voor 5 jaar, een het bedrijf zakelijk flexibel Eurowind contract met als ingangsdatum 3 augustus 2022. Bij zijn vorige energieleverancier bedroeg het maandbedrag € 447,77 per maand en de verbruiker/aangeslotene ging ervan uit dat het maandelijkse bedrag bij het bedrijf lager bleek te zijn, gelet op de aan hem gedane toezegging. Dat bleek echter niet het geval. Het eerste maandbedrag bedroeg € 762,42. Niet veel later ontving de verbruiker/aangeslotene dat het maandbedrag € 995,– gaat worden. Kort daarna kreeg hij van het bedrijf een bericht dat het maandbedrag tot € 1.490,– zou worden verhoogd. Een verdubbeling in korte tijd. Dat is niet redelijk en volstrekt onacceptabel. Ook bleek dat het bedrijf het contract met de bestaande leverancier vroegtijdig had opgezegd waardoor hij een opzegboete van € 120,– moest betalen. Ook heeft dat eerder opzeggen tot gevolg gehad dat hij eerder de hoge maandbedragen van het bedrijf moest gaan betalen.
De verbruiker/aangeslotene werd onlangs benaderd door een andere provider die een aanbod deed voor € 623,- per maand. Ook weer veel lager dan bij het bedrijf. De consument is verbolgen over deze gang van zaken. Als hij hiervan had geweten was hij het contract niet aangegaan. De verbruiker/aangeslotene is doelbewust misleid en bedrogen door het bedrijf en hij wenst op die grond de overeenkomst kosteloos te beëindigen. Hij stelt zich primair op het standpunt dat de overeenkomst wordt vernietigd op grond van dwaling ex artikel 6:228 BW. Subsidiair dient de overeenkomst per direct nietig te worden verklaard op grond van misleiding en bedrog ex artikel 3:44 BW.
De verbruiker/aangeslotenen verlangt dat alle schade en gemaakte kosten worden verrekend met de exorbitant hoge eindafrekening.
Ter zitting heeft de verbruiker/aangeslotene voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.
De verbruiker/aangeslotene vroeg de banden van de gesprekken over het aangaan van het contract op, maar het bedrijf kon die banden niet overleggen. De verbruiker/aangeslotene wilde al veel eerder opzeggen, maar op 1 april 2023 is de opzegging effectief geworden. Een eerdere opzegging zou tot een opzegboete leiden en heeft tot veel correspondentie over een weer geleid. Dat leidde tot een soort afspraak dat in de maanden november 2022 – maart 2023 een maandbedrag van € 150,- in rekening zou worden gebracht. In totaal is een bedrag van € 5.370,– aan voorschotten betaald. Op 1 september 2022 ontving de verbruiker/aangeslotene de eindafrekening van zijn vorige leverancier. De tarieven waren dal 0,11390 en normaal 0,15027. Dat betrof een vast contract tot en met augustus 2022. De verbruiker/aangeslotene begrijpt dat hij moet betalen voor de afgenomen energie. Hij is bereid akkoord te gaan met 50% van de door het bedrijf gehanteerde tarieven. Het depotbedrag is hoger dan het factuurbedrag doordat ook incassokosten in rekening zijn gebracht.
Standpunt van het bedrijf
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De klacht dateert van september 2022 en is ongegrond. De klacht is terug te voeren tot de discussie over de hoogte van de in rekening gebrachte voorschotbedragen. Aangezien de ijssalon buiten het hoogseizoen bijna geen energie zou worden gebruikt zijn in goed overleg de bedragen vanaf november 2022 – april 2023 verlaagd tot € 150,–. Nadat de verbruiker/aangeslotene op 1 april 2023 de overeenkomst tussentijds heeft opgezegd heeft het bedrijf de verschuldigde opzegvergoeding kwijtgescholden waarna op 23 juni 2023 een correcte eindafrekening is gestuurd. Het bedrijf is van mening dat de verbruiker/aangeslotene de afgenomen energie dient te betalen. De hoogte van de eindfactuur is opgelopen omdat de verbruiker/aangeslotene het bedrijf niet heeft geïnformeerd over het moment dat er weer meer energie zou worden gebruikt.
Bij het aangaan van het contract zijn geen toezeggingen over de hoogte van de tarieven gedaan. De verbruiker/aangeslotene was ervan op de hoogte dat sprake was van beursprijzen. Dat is zowel mondeling als schriftelijk gemeld. Het bedrijf neemt geen gehele gesprekken op en kan deze om die reden niet aanleveren.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In deze zaak klaagt de verbruiker/aangeslotene over de wijze waarop het contract met het bedrijf tot stand is gekomen, over de wijze waarop de overeenkomst is uitgevoerd, de hoogte van de maandbedragen en over de hoogte van de eindafrekening.
De ondernemer voert verweer.
Met de verbruiker/aangeslotene is de commissie van oordeel dat de verbruiker/aangeslotene bij het aangaan van de overeenkomst als gevolg van uitingen en verzwijgingen namens of van het bedrijf heeft gedwaald. De ondernemer is niet in staat een opname van het verkoopgesprek te tonen, maar ontkent wel dat er harde toezeggingen over de tarieven tijdens dat gesprek zijn gedaan. Van het bedrijf mocht echter wel worden verwacht de verkoopgesprekken te hebben bewaard, in ieder geval voor de duur van het contract. Dit brengt mee dat de commissie het verweer van het bedrijf op dit punt als onvoldoende gemotiveerd verwerpt. Ook zou zijn aangegeven dat sprake was van beursprijzen, maar dat is niet op het contract vermeld. Bewijs van de mondelinge mededeling dat sprake is van beursprijzen is niet door de ondernemer geleverd. Evenmin heeft het bedrijf een redelijke verklaring gegeven voor de enorme stijging van de maandbedragen kort na het aangaan van het contract.
De commissie acht het dan ook aannemelijk dat de verbruiker/aangeslotene bij het aangaan van de overeenkomst niet juist dan wel in onvoldoende mate is geïnformeerd over de aard en de inhoud van het te sluiten contract en van de door hem aangegane verplichtingen en dat hij bij een juiste voorstelling van de gang van zaken, niet had gecontracteerd met het bedrijf.
De overeenkomst zal door de commissie dan ook op grond van dwaling, zie artikel 6:228 BW worden vernietigd.
Vernietiging heeft terugwerkende kracht, zodat de betreffende overeenkomst geacht wordt niet te hebben bestaan. De omstandigheid dat de ondernemer in de betreffende periode wel energie heeft geleverd, betekent dat die energie wel door de verbruiker/aangeslotene moet worden betaald. Zou dat niet het geval zijn zou sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking van de verbruiker/aangeslotene. De commissie is van oordeel dat de door de verbruiker/aangeslotene aan de ondernemer betaalde bedragen als een redelijke en billijke vergoeding van de afgenomen elektriciteit is aan te merken.
Dit betekent dat de verbruiker/aangeslotene aan zijn – buitencontractuele – verplichting tot betaling van de verbruikte energie heeft voldaan en het bedrijf derhalve niets meer van de verbruiker heeft te vorderen.
Voor wat betreft de door de verbruiker/aangeslotene verlangde vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten overweegt de commissie dat zij dit verzoek afwijst. Deze kosten dienen voor eigen rekening van de commissie, nu het reglement van de commissie niet in de vergoeding van deze kosten voorziet.
Op grond van het bovenstaande is de klacht van de verbruiker/aangeslotene gegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie vernietigt de tussen partijen op 3 mei 2022 gesloten overeenkomst voor de levering van energie.
De commissie verklaart voor recht dat de verbruiker/aangeslotene aan zijn verlichtingen jegens het bedrijf heeft voldaan.
Bovendien dient het bedrijf overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 181,50 aan de verbruiker/aangeslotene te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 0
Depotverrekening, bedrag aan consument € 6072,91
Overeenkomstig het reglement van de commissie is het bedrijf aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie zakelijk, bestaande uit mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mr. W.H. van Oorspronk, W.F. de Ruijter, leden, op 9 april 2024.